ANALYSE GRONDSTOFFENSTRIJD

De vuile strijd om de metalen van de toekomst

De wereldwijde jacht op grondstoffen spitst zich toe op zeldzame metalen om groene revoluties mee te realiseren. China start met een forse voorsprong, Afrika lijkt weer kind van de rekening te worden.

Het speelveld: de hele wereld. De belangrijkste spelers: China, de Verenigde Staten, Rusland, Europa en Afrika. De inzet: toegang tot de grondstoffen van de 21ste eeuw. Hoe eerlijk zal het spel gespeeld gaan worden? Wie worden winnaars en wie de verliezers?

Om die vragen zal het de komende decennia draaien in het wereldhandelsspel. Aan de finish gloren groene en technologische revoluties. Toekomstvisioenen waarin we onze energie uit windmolens op zee halen, waarin iedereen in een elektrische auto rijdt, en waarin onze mobieltjes dankzij kunstmatige intelligentie als ons tweede brein fungeren. Wie voorop wil lopen bij deze ontwikkelingen, zal greep moeten krijgen op onmisbare grondstoffen als neodymium, kobalt en lithium. De strijd om deze zogenoemde kritieke metalen is daarom in volle gang. 30 procent van ’s werelds onontgonnen delfstoffen bevindt zich in Afrika, dat al eens eerder als melkkoe diende voor de westerse consumptiebehoeften. Een andere belangrijke vraag is dan ook: weet het continent zijn huid dit keer duurder te verkopen?

In de Democratische Republiek Congo (DRC) verdringen buitenlandse bedrijven zich om de exploitatie van kobaltmijnen. De prijs van dit ‘blauwe goud’ is in afgelopen jaren omhooggeschoten. Zonder kobalt immers geen batterijen voor elektrische auto’s of mobiele telefoons. De mijnbouwbedrijven komen uit Canada, Zwitserland, Singapore en steeds vaker uit China. Ook Zuid-Korea probeert zijn grondstoffentoevoer voor de toekomst veilig te stellen en schonk de Congolese regering onlangs een museum voor de nationale geschiedenis in de hoofdstad Kinshasa.

De voormalige Congolese president Joseph Kabila en zijn familie verdienden miljarden aan de gunning van lucratieve mijnconcessies. De bevolking van het immense land heeft net als in de koloniale tijd, toen de Belgen het land plunderden, het nakijken. Ondanks alle natuurlijke rijkdommen is de bevolking nog altijd straatarm en leeft ze al decennia tussen het geweld van milities, die strijden om toegang tot de lucratieve kobaltmijnen waarmee ze hun rebellenlegers financieren. Een destructief patroon dat vaker opduikt in grondstofrijke landen met een zwak bestuur en een etnisch verdeelde bevolking.

De soms meedogenloze en verwoestende speurtocht naar grondstoffen gaat hand in hand met modernisering. Zonder kolen was er nooit een industriële revolutie geweest, zonder ijzer geen spoorwegen, zonder hout geen schepen om koloniën te vestigen, zonder olie en gas geen wereldwijde welvaart en vooruitgang. ‘Het patroon herhaalt zich’, zegt Rob de Wijk, hoogleraar internationale betrekkingen in Leiden en directeur van het Haags Centrum voor Strategische Studies (HCSS). ‘Alleen het type grondstof verandert. Nu is de jacht gericht op de zeldzame metalen voor onze groene revolutie.’

Werklieden in een kobaltmijn in de DRC. Behalve kobalt is er ook koper te vinden. Foto: Getty

Slachtoffers

De grondstoffenjacht maakt ook slachtoffers. Waar grondstoffen in de bodem zitten, is grote kans op lokale ontwrichting, zo laat de geschiedenis zien. In de koloniale tijd eigenden de bezetters zich de natuurlijke rijkdommen toe en zetten ondertussen de lokale bevolking aan het werk als landarbeider om handelswaren als koffie, tabak, cacao of suiker voor de Europese markten te produceren. Na de onafhankelijkheid werd het bestaan van de ‘bevrijde’ burgers niet veel beter: veel oorspronkelijke structuren voor levensonderhoud waren vernietigd en hun nieuwe regeringsleiders, vaak door de oud-kolonisatoren in het zadel geholpen, hadden geregeld meer oog voor hun eigen welzijn dan dat van de bevolking.

Oud-kolonisatoren creëerden zo politieke ‘stabiliteit’ en behielden in ruil voor financiële ‘wederdiensten’ voor hun ‘bevriende’ regeringsleiders toegang tot grondstoffen als olie, ijzer, goud, hardhout en lucratieve handelsgewassen. Raffinage en verwerking hielden de westerse landen zorgvuldig in eigen hand, zodat de voormalige koloniën nooit zelf hun industrie konden ontwikkelen en straatarm bleven.

Die praktijk is nauwelijks veranderd, waardoor corruptie, zelfverrijking en cliëntelisme in veel grondstofrijke landen aan de orde van de dag zijn. Dit leidt dan weer tot intern conflict, omdat burgers gaan morren dat alleen hun corrupte leiders profiteren van de rijkdommen en publieke investeringen uitblijven. In etnisch diverse landen wordt die onvrede nog eens aangewakkerd wanneer etnische groepen extra worden achtergesteld.

Satellietbeeld van een uraniummijn in Niger. Foto: Getty

Zo roept de militaire aanwezigheid van Frankrijk in Niger en Mali veel vragen op bij de lokale nomadische bevolking. Zijn de Fransen, maar ook de Amerikanen, in hun woestijn om islamitische terreur te bestrijden, of om de toegang tot bodemschatten veilig te stellen? Het straatarme Niger is bijvoorbeeld rijk aan uranium, waar Frankrijk grotendeels zijn stroom uit haalt. Als extremisten de uraniummijnen in handen krijgen, gaat het licht uit in de Eiffeltoren en de rest van Parijs.

De resource curse, de grondstoffenvloek, heeft tot talloze oorlogen geleid. Irak viel tijdens de Eerste Golfoorlog Koeweit binnen vanwege olie, de burgeroorlog in Sierra Leone en Liberia eind vorige eeuw werd gefinancierd met diamanten. Recentelijk nog probeerde Islamitische Staat (IS) in Irak, Libië en Syrië de inkomsten voor de jihad en het kalifaat veilig te stellen met olie. In Burkina Faso proberen islamitische extremisten hetzelfde te bereiken met goud. Vanwege nieuw ontdekte gasvelden in de Middellandse Zee staan ook Griekenland en Turkije nu weer bijna op voet van oorlog.

Economische macht betekent immers politieke invloed en die troef wordt overal uitgespeeld. Met olie en gas, met zeldzame metalen maar ook met handelsgewassen als soja, rijst en graan. Zo dreigt Rusland Europa de gaskraan dicht te draaien en vergroot ondertussen in rap tempo zijn politieke invloed in het Midden-Oosten en Afrika, waar het de Verenigde Staten van de troon heeft gestoten als belangrijkste graanleverancier. In woestijnlanden als Egypte of Soedan, die vroeger volledig afhankelijk waren van de VS voor hun dagelijks voedsel, is het vizier nu gericht op graanleverancier Rusland.

Wie ’s werelds essentiële bodemschatten in handen heeft, domineert het wereldtoneel. De coronacrisis geeft al een aardig voorproefje van de gevolgen. Tijdens de lockdown bleek maar weer eens hoe verbonden de wereld is en hoe afhankelijk landen van elkaar zijn voor productie en consumptie, en dus ook kwetsbaar voor de nukken van landen die hun machtsposities inzetten, zoals China dat deed met de export van mondkapjes, of Vietnam met de export van rijst.

De annexatie van de Krim in 2014 door Rusland was een gamechanger, zegt Rob de Wijk van HCSS. ‘Dat opende de ogen van de wereld. We riepen als internationale gemeenschap wel dat het niet mocht en we dreigden met gevolgen, maar in praktijk hadden we geen middelen in handen om Rusland tot de orde te roepen.’

Anno 2020 spitst de jacht zich dus toe op de onzichtbare metalen voor nieuwe technologische hoogstandjes en de ambitie onze economie te vergroenen. We moeten af van fossiele brandstoffen en de broeikasuitstoot moet in 2050 tot nul zijn gereduceerd. De tijd dringt. Op dit moment worden nog niet genoeg kritieke metalen geproduceerd om zelfs maar een kwart van de klimaatambities waar te maken. Voordat alle auto’s elektrisch kunnen rijden en we zijn overgestapt op wind- en zonne-energie, moeten nog heel wat accu’s worden geproduceerd en dus heel wat mijnen operationeel gemaakt – hetgeen gemiddeld tien tot twintig jaar duurt. Degene met de langste adem en de diepste financiële zakken gaat deze race winnen. ‘En dat is China’, zegt Michel Rademaker, eveneens verbonden aan het HCSS als adjunct-directeur, stellig.

China begint het grondstoffenspel al met een forse voorsprong. 80 procent van de zeldzame aardmetalen zoals cerium, lanthanium en neodymium komt uit China. ‘China toont zich een absolute meester in de inzet van zijn machtspositie’, zegt Rademaker. Concurrerende mijnen elders in de wereld, vooral in Australië, zijn met prijsbeleid uitgeschakeld, voor ‘vijanden’ gaat de export in de ban. In de handelsoorlog met de VS zet China regelmatig de troefkaart in van het ‘grondstoffennationalisme’. En met succes: de VS is voor zijn defensie bijvoorbeeld parakind doxaal genoeg volledig afhankelijk van China’s aardmetalen.

Inmiddels reikt China’s macht verder dan de eigen bodemschatten. Meer dan de helft van de kobalt uit Congo gaat naar China, waarvandaan het verwerkt in chips en andere halffabricaten de westerse markten bereikt. ‘China beheerst nu grote delen van de wereldwijde productieketens’, zegt Rademaker. Het begon met het opkopen van mijnconcessies, handelsplatforms, het controleren van de logistiek met het wereldwijde ‘Belt and Road Initiative’ (de nieuwe zijderoute), het overnemen van de productie, en nu neemt China ook het voortouw in research & development.’ Vooral dat laatste noemt Rademaker zorgelijk. ‘Dit was het laatste wapen dat het Westen in handen had om nog waarde in de keten toe te voegen. Maar dit laten we ons nu ook uit handen slaan door er onvoldoende in te investeren en Chinese studenten hier kennis te laten opdoen.’

Misstanden

Afrika dreigt opnieuw de hoogste prijs te betalen in de wedloop om de grondstoffen voor ‘onze’ groene revolutie. In de machtsstrijd is immers weinig oog voor mensenrechten, milieu of sociale ongelijkheid. Bovendien: wie weet überhaupt waar de duizenden onderdeeltjes in zijn auto, zonnepanelen of computer vandaan komen? De misstanden in de mijnen van Congo, Zambia of Chili blijven zo voor de gemiddelde consument een ver-van-mijn-bedshow. Niemand die bij het afrekenen aan de kassa beseft dat voor zijn mobieltje wellicht corrupte bestuurders zijn omgekocht, burgers van hun vervuilde land zijn verstoten en dat de opbrengsten in de zakken van politici verdwijnen in plaats van ten goede komen aan de bevolking.

In de Lingewaard bij Bemmel drijft een zonnepark. Om de energietransitie aan te gaan, moeten er nog heel wat kritieke metalen gewonnen worden die nodig zijn voor de accu's. Foto: Raymond Rutting

Techbedrijven als Philips, Apple of Intel staan onder grote publieke druk om grondstoffen duurzaam en verantwoord te winnen, maar in de praktijk valt het productieproces amper te controleren. Wetten of richtlijnen om het gebruik van ‘conflictmineralen’ in onze apparaten uit te bannen, zoals de Amerikaanse Dodd-Frankwet en de Europese variant daarop, halen weinig uit. Bovendien stellen nieuwe spelers op het wereldtoneel als China en Rusland geen lastige vragen over milieu en arbeidsrechten, wat het zakendoen voor corrupte leiders met dollartekens in de ogen een stuk aantrekkelijker maakt.

‘Van bedrijven kun je niet verwachten dat zij corrupte leiders op het rechte pad brengen’, vindt Benjamin Sprecher, hoofddocent kritieke metalen aan de Universiteit Leiden. ‘Bedrijven doen wat de markt vraagt en wij willen onze spullen zo goedkoop mogelijk hebben. Je kunt van een bedrijf als Philips vragen dat ze over de hele productieketen dezelfde milieu- en arbeidsnormen hanteren, maar je kunt ze niet vragen om namens ons geopolitiek te bedrijven.’

De kern van het probleem is volgens Sprecher dat Europa in zijn ‘neoliberale denken’ de macht uit handen heeft gegeven. ‘In onze convenanten komen we niet veel verder dan de eis dat grondstoffen traceerbaar moeten zijn. Dat zegt niets over de manier waarop ze zijn gewonnen of vervaardigd. Als je echt invloed wilt uitoefenen en wilt voorkomen dat je afhankelijk wordt van China voor de groene transitie, moet je zelf als EU miljarden beschikbaar maken voor mijninvesteringen. Japan heeft zijn hele keten om China gebouwd. Het uitlenen van zo veel geld voor het ontwikkelen van mijnen is niet zonder risico’s, maar het is de enige manier om invloed te kunnen uitoefenen en te zorgen dat het netjes gebeurt.’

Ook de Nigeriaanse econoom Chibuike Uche, verbonden aan het Afrika-Studiecentrum van Universiteit Leiden, vindt niet dat bedrijven neokoloniale praktijken moeten worden aangerekend. ‘De plundering van Afrika, als je het al zo wilt noemen, is het gevolg van falende Afrikaanse regeringen. Landen zijn nu onafhankelijk. Ze genereren inkomsten, kunnen dus zelf beleid bepalen en eisen stellen aan de voorwaarden van ontginning. Zorgen dat er banen worden gecreëerd, dat de bevolking niet van hun land wordt verdreven en eerlijk deelt in de opbrengsten. En vooral zorgen dat ze zelf waarde toevoegen in plaats van alleen ruwe grondstoffen exporteren. De regering kan van Tesla bijvoorbeeld vragen om in ruil voor toegang tot grondstoffen productiefaciliteiten in Congo op te zetten.

‘Idealiter stuurt de consument Tesla op het juiste pad’, zegt Uche, ‘maar hier stuiten we op de dubbele moraal in het Westen. Men heeft de mond vol van mensenrechten en milieu, maar als puntje bij paaltje komt, kijken we weg als migrantenbootjes zinken en kiezen we voor de makkelijkste weg en het goedkoopste product. We verbinden ontwikkelingshulp aan handel of het tegenhouden van migranten. Zolang je overheden op die manier blijft omkopen, krijgen zwakke Afrikaanse landen nooit een beter bestuur. Dat is dé contradictie in de internationale politiek die de wereld moet zien op te lossen.’

Hoe feller de competitieslag om de grondstoffen, hoe lastiger het voor het Westen wordt om normen overeind te houden, zegt ook Rob de Wijk van HCSS. ‘Normen en macht zijn twee kanten van dezelfde medaille. Het Westen heeft de macht verloren, dus denk je dat China zich iets laat vertellen door ons? In de wereld buiten de EU gelden de wetten van rauwe macht: heersen of overheerst worden. Als je zaken wil doen in Congo zul je concessies moeten doen op het gebied van mensenrechten en milieu. Je kunt weigeren om aan tafel te zitten met rebellenleiders, maar dan heb je dus geen mobieltje en doet een andere partij het.’