Lezerspost

Volkskrantlezers vinden veel. En misschien wel het meest vinden ze iets van het taalgebruik van de Volkskrantredactie.

Afleveringen

Soms is een komma wel erg moeilijk te verdedigen

Komma’s kunnen voor irritatie zorgen. In maart las Judith Dijs: ‘Door een tekort aan vaccins, vaccineerde Frankrijk tot dusver maar 4 procent van de bevolking’ en ze schreef: ‘Wanneer gaan redacteuren die foute anglicistische komma eens afleren?’

Een volstrekt onnodige komma inderdaad. Of het ook echt een anglicisme is, is ons niet helemaal duidelijk. Wel is een komma op een dergelijke plek in het Engels (en trouwens ook in alle Romaanse talen) beter te rechtvaardigen: in die taal volgt direct erna het onderwerp, waardoor je bijvoorbeeld meerdere zelfstandige naamwoorden op een rij zou kunnen krijgen. Een komma zorgt dan voor overzicht.

In het Nederlands krijg je na zo’n bepaling eerst de persoonsvorm (het vervoegde werkwoord); er is meestal geen goede reden om die door een komma van het eerste zinsdeel te scheiden. Voor een adempauze zou het een rare plek zijn, tenzij je de zin ook in geschreven vorm een overdreven intonatie wilt meegeven.

Soms is een komma wel héél erg moeilijk te verdedigen. Zo las Emmy van Stratum op 5 juli de kop ‘Snel slachten, houdt het vlees goedkoop’. Ze schrijft: ‘Ik snap die kop niet. ‘Snel slachten’: zo geschreven, gevolgd door een komma, is het een gebiedende wijs. Blijft over ‘houdt het vlees goedkoop’: dat is zo ook een gebiedende wijs, maar wel van een ouderwetse, inmiddels foute soort. En de Volkskrant van zo’n fout betichten, ik zou het niet dúrven!’

Het was natuurlijk ook niet de bedoeling van de koppenmaker om twee gebiedende wijzen achter elkaar te zetten. Maar alleen al het feit dat dit in ten minste één lezer opkomt, laat zien dat het geen heel gelukkige kop is.

‘De krant heeft geen regel overtreden, want er is geen dichtgetimmerd systeem over het plaatsen van komma’s’, vervolgt Van Stratum. En zoals gezegd kunnen komma’s een zin overzichtelijker maken. ‘Maar kom, jullie zijn toch geen krant voor laaggeletterden, die een zin van zes woorden zonder komma niet kunnen overzien?’

Mee eens. Maar wat ging hier dan mis?

Na een werkwoord kan een komma wenselijk zijn, bijvoorbeeld tussen twee persoonsvormen in (‘als het moet, ga ik’). Maar, zegt Van Stratum, ‘‘slachten’ is hier helemaal geen werkwoord, maar een infinitief gebruikt als zelfstandig naamwoord. Of lees ik volgende week in de krant ‘Sporten, is gezond?’

In ‘Snel slachten, houdt het vlees goedkoop’ staat, kortom, een komma tussen onderwerp en persoonsvorm. En dat, is nooit zo mooi.

Hoe conservatief zijn we als het om kwalitatief gaat?

Kortgeleden lieten we ons van onze conservatiefste kant zien, door het gebruik van ‘optimaal’ in de betekenis van ‘goed’ af te branden. Dat ons geestvernauwende betoog op relatief veel bijval in de taalpostbus kon rekenen, was niet helemaal verbazend.

Het verleidde sommige lezers er zelfs toe een verzoeknummer in te dienen. ‘Misschien wilt u eens aandacht besteden aan het misbruik van het woord kwalitatief’, schreef Peter de Reijke. Geen slecht idee, want termen als ‘kwalitatieve spullen’ in plaats van ‘kwalitatief goede spullen’ zijn natuurlijk ook niet om aan te horen.

Met ‘kwalitatief’ kun je verschillende kanten op. Vaak is het een bijwoord dat wordt gevolgd door een bijvoeglijk naamwoord dat de mate van kwaliteit aangeeft: ‘kwalitatief hoogstaand’. Als bijvoeglijk naamwoord bestaat het ook, maar dan bij voorkeur in een zin waarin ook het woord ‘kwantitatief’ voorkomt.

In de volgens De Reijke misbruikte vorm is ‘kwalitatief’ synoniem geworden van ‘kwaliteitsvol’. Dat die vorm ook de Volkskrant heeft bereikt, was al weleens gesignaleerd. Zo klaagde Harry Danes een jaar geleden al over een stuk waarin sprake was van ‘kwalitatief onderwijs’ in China.

We zullen het toch niet meemaken dat de taalinstanties ook in dit geval concluderen dat toegenomen gebruik automatisch leidt tot acceptatie? Nou, dat zullen we dus wel. De Taalunie heeft de vorm inmiddels al bestempeld als standaardtaal.

De Reijke ging op nader onderzoek uit en kwam terecht op de website van DPG Media, het moederconcern van de Volkskrant. Daar wordt deze krant ‘het grootste kwalitatieve nieuwsmerk van Nederland’ genoemd. ‘Dat de uitgever zijn titel de Volkskrant als kwaliteitskrant aanprijst is te begrijpen’, aldus De Reijke, ‘maar als hij die krant dan een ‘kwalitatief nieuwsmerk’ noemt, houdt het begrip abrupt op.’

Maar wacht even: DPG, dat waren toch Belgen? (Niet allemaal natuurlijk, maar het is wel degelijk een Vlaams bedrijf.) Is hier misschien een Vlaming van de afdeling marketing aan het werk geweest? Dan is het te verklaren, de Taalunie zegt namelijk: ‘Vooral in België is dat gebruik heel gewoon.’ Dat verklaart meteen ook het artikel over ‘kwalitatief onderwijs’: onze correspondent in China is immers een Vlaamse. Dat hoefde de corrector er overigens niet van te weerhouden om er voor de Nederlandse markt het woordje ‘goed’ tussen te zetten.

De Taalunie meldt nog: ‘Er hoeft geen bezwaar tegen gemaakt te worden.’ Maar dat is buiten onze lezers gerekend – die hoeven dat maar al te graag.

Oranjegekte en verschraald bier

Pijnlijk, maar mogen we het nog heel eventjes over Oranje hebben? Afgelopen vrijdag zat de sfeer er nog goed in en zocht de eindredactie naar een woord voor het vetste, meest Hollandse oranje. De keuze viel ongelukkig genoeg op ‘oranjeste’. Dat hebben we geweten toen we maandag, nadat onze eigen Willem Vissers het team al vakkundig naar de prullenbak had verwezen (de ‘oranje zandverstuiving’ had ‘gewoon niet gevoetbald’), de lezersinbox openden.

‘Wordt de tekst in VK niet meer gecorrigeerd?’, gaf W. Nielen ons een trapje na. Ja, strikt genomen was ‘meest oranje’ beter geweest. Als een bijvoeglijk naamwoord eindigt op een stomme e, wordt de overtreffende trap meestal omschreven met meest. Zoals in het geval van meest oranje, meest morbide en meest stupide (al mag stupiedst ook).

Maar eindredacteuren bewandelen een dunne lijn hoor, omdat lelijke leenvertalingen uit het Engels op de loer liggen. In het Nederlands gebruiken we de trappen van vergelijking: mooi, mooier, mooist. Om de vreselijke situatie te vermijden waarin we ineens zoals de Engelsen bijvoorbeeld ‘meer serieus’ schrijven, is het devies: schakel pas bij problemen met de uitspraak over op ‘meer’ en ‘meest’. Zo schreven we ‘het bevrijdendste’ bloot, al zit dat al op het randje van wat lekker bekt.

Deze kranige vasthoudendheid aan de stellende, vergrotende en overtreffende trap past wel weer prima bij het Nederlandse ‘inhaalnationalisme’ waar hoogleraar historische letterkunde Herman Pleij in 1998 nota bene het woord ‘oranjest’ voor bedacht. ‘Op zijn oranjest zijn wij beter, weten we alles beter en doen we het beter dan de rest. En wie niet meedoet aan de oranjegekte weet niet hoe het hoort, is eigenlijk verdacht en zou eens een lesje moeten leren.’

Je zou kunnen zeggen dat de hoop op zondag doodsloeg als verschraald bier in een vies glas. En dan zou dat fout zijn. Het woord voor bier dat zijn smaak en geur heeft verloren is ‘verschaald’ en gaat terug op het Duitse ‘schal’, dat ‘dor’ betekende. Ook in de krant doen we het vaak fout. Hoe is die r erin geslopen? Onze Taal vermoedt dat het te maken heeft met de veranderende betekenis van ‘schraal’. Naast ‘mager, niet vet’ kan het nu ook ‘armoedig’, ‘ruw’ en ‘pijnlijk’ omschrijven.

Schrale troost bij al dit pijnlijks: de lieve lezer Dennis Hurkmans wijst erop dat Onze Taal voorspelt dat vanwege die nieuwe betekenis ‘verschraald bier’ ook ooit goed zal zijn.

Bij misbaar is geluid onmisbaar

Op de sportpagina’s lees je soms over voetballers die ‘misbaar maken’, bijvoorbeeld als ze niet gewisseld willen worden. Ze vinden zichzelf behoorlijk onmisbaar en laten het dan ook duidelijk weten als ze tegen hun zin van het veld moeten. Het woord staat in die context vaak voor het aanstellerige gedrag dat sommige voetballers eigen is: ‘Het misbaar, de gebaartjes, dat voortdurende gemekker.’

Hoe uit al dat misbaar zich precies? Als je het over voetballers hebt, denk je aan moeilijke gezichten, hoge schouders, vragende handen en wegwerpgebaren. (Geen slaande bewegingen, die zouden een rode kaart opleveren; de voetballer moet zijn misbaar zien te doseren.)

Maar zo was het woord eigenlijk niet bedoeld. ‘Misbaar’ is afkomstig van het Middelnederlandse werkwoord misbaren, oftewel ‘weeklagen, jammeren’, weet het Etymologisch Woordenboek te vermelden. Het gaat dus vooral om het geluid. De Van Dale omschrijft misbaar dan ook allereerst als ‘luid geschreeuw, geween, getier of lawaai’.

Een collega wees op een zin in de krant van afgelopen donderdag: ‘Nog voor de persconferentie kan beginnen, kijkt Ronaldo met veel misbaar naar de twee suikerbommetjes voor zijn neus.’ De Portugese voetballer schoof bij die gelegenheid demonstratief twee flesjes cola uit beeld, hield een waterflesje in de lucht en zei: ‘Agua’. Van geween of getier was hier geen sprake, wel van ‘misprijzen’ (afkeuring, verachting) of desnoods ‘misnoegen’ (ontevredenheid).

Het blijkt in de Volkskrant wel vaker niet helemaal volgens het woordenboekje te gaan. ‘Toen ik Nancy Pelosi met veel misbaar Trumps State of the Union zag verscheuren...’, schreef een columnist vorig jaar. Maar Pelosi mocht er dan boos bij hebben gekeken, ze maakte tijdens haar actie nog minder geluid dan Ronaldo.

Ongelukkiger nog was een artikel waarin de ‘Space Force’ ter sprake kwam, ‘de door Trump met veel misbaar aangekondigde militaire tak van de ruimtevaart’. Dat Trump die schreeuwend zou hebben aangekondigd is niet erg waarschijnlijk. Iets als ‘met veel bombarie’ was hier beter op zijn plek geweest.

Eerdergenoemde collega, tevens samensteller van de dagboekrubriek in dit katern, weet uiteraard wél wanneer je het woord mag gebruiken. In 2019 citeerde hij uit het dagboek van priester Jan van Cotwyck, die op een kwaaie herfstdag in 1598 in Damascus werd gearresteerd: ‘Onze waardin die dit zag, in het vermoeden dat het voor ons niet veel goeds beloofde, maakte flink misbaar en volgde ons luid roepende.’ Misbaar kun je horen.

Sommige taalontwikkelingen zijn minder optimaal

Dat taal niet stilstaat maar zich continu blijft ontwikkelen, hebben we op deze plek al wel vaker verkondigd. Dat dat sommige lezers pijn doet, omdat die het niet kunnen verkroppen dat niet zij, maar de massa uiteindelijk bepaalt wat er taalkundig wel en niet door de beugel kan, mag inmiddels ook bekend zijn.

Maar er zijn soms constructies waarvan je zou hopen dat de taalinstanties ze níét op een dag tot standaardtaal verklaren, enkel omdat ze maar lang genoeg zijn gebruikt. Constructies die je, zonder daarbij enige coulance te hoeven opbrengen, gewoon fout wilt kunnen blijven rekenen.

Zo zou je toch mogen verwachten dat de Taalunie en Onze Taal van een miskleun als ‘zo optimaal mogelijk’ niet gaan beweren dat die van lieverlee acceptabel is geworden, puur als gevolg van aanhoudend misbruik door taalgebruikers met andere hobby’s dan taal. Maar ze doen het toch.

Dit weekend probeerden vloerenleggers de olympische wedstrijdvloer van de handbalvrouwen ‘zo optimaal mogelijk na te bootsen’, aldus een bijschrift in het maandagse sportkatern. Het viel meerdere lezers op. ‘Miskenning van de betekenis van een woord’, schrijft Frank Berkhout. ‘Dit soort onzin moet zo snel mogelijk uitgebannen worden’, aldus Pieter Wolff.

Onze Taal kent naar eigen zeggen de bezwaren, maar, zo zegt men daar, ‘aan de andere kant staat optimaal al zo’n twintig jaar in de woordenboeken in de verzwakte betekenis ‘goed’.’ En inderdaad zeg – sterker nog, de Van Dale weet er uitgerekend het voorbeeldzinnetje zo optimaal mogelijk aan te hangen. Verre van optimaal.

De gemiddelde klokkenluider in onze postbus is aartsconservatief als het op taal aankomt – maar in dit geval geven we hem graag maximaal gelijk, zo maximaal mogelijk zelfs, kan ons het schelen. Want: optimum, optimaal – je hoeft toch geen Latijn te hebben gehad om aan te voelen dat het superlatief ervan afspat, dat het méér is dan goed? Meer dan beter ook. Best dus, maar dan mooier.

‘Het is niet duidelijk of we zo optimaal mogelijk wel of niet tot de standaardtaal kunnen rekenen’, aarzelt de Taalunie nog. Voor de Volkskrant is dat wel duidelijk: dat gaan we dus niet doen. Want godzijdank spreekt het Stijlboek zijn fatwa uit over deze taalkronkel: ‘Optimaal (...) kan niet in de vergrotende trap (‘optimaler’) of overtreffende trap (‘het optimaalst’) worden gebruikt. Ook niet: ‘zo optimaal mogelijk’.’

Optimaler hadden we het niet kunnen verwoorden.

De klemtoon valt buiten onze actieradius

Afgelopen week eindigde Heleen Mees haar column met de zin: ‘Alleen zo kan een opwaartse cirkel ontstaan waarbij de investeringen van bedrijven tot een hogere levensstandaard leiden, die weer nieuwe bedrijfsinvesteringen uitlokt.’

Wat is een ‘opwaartse cirkel’?, vroegen sommige lezers zich af. Technisch gezien is het inderdaad een ingewikkeld geval: een cirkel kan dan voor de helft opwaarts zijn, de andere helft is onvermijdelijk neerwaarts. ‘Als je een cirkel volgt, kom je telkens weer op het startpunt uit’, schrijft Pieter Markus.

Of gaat het om een cirkel die in zijn geheel een opwaartse beweging maakt? Chris op de Hoek vraagt zich af hoe hij zich dat moet voorstellen: ‘Is hier sprake van een vliegende schotel, of de opgaande zon?’

Hier had, kortom, niet ‘cirkel’ moeten staan, maar ‘spiraal’. Markus: ‘Als je een opwaartse spiraal volgt, kom je steeds hoger uit.’ Een cirkel is rond, en dat schiet in dit geval niet op.

Dan is het nu tijd voor ernstiger zaken. ‘De laatste tijd hoor ik steeds meer mensen paprika en Canada uitspreken als papprika en Cannada. Waar komt dat toch vandaan?’, vraagt Ethel Scheltena.

De actieradius van deze rubriek blijft verwarrend. ‘Vindt u ook iets van ons taalgebruik?’, vragen we hieronder. Daarmee doelen we op de taal van de Volkskrant – en die is geschreven, niet gesproken. Toch blijven sommige lezers hun zorgen uiten over grote maatschappelijke ontwikkelingen, zoals de kennelijke opmars van de korte a. Of de toenemende nadruk op de eerste lettergreep: ‘Wat dacht u van de eigenaardige eigentijdse klemtoon-verspringingen zoals in fávoriet?’, schrijft Theo van der Burg. Volgens Hans de Cock zijn die ‘de laatste jaren, m.n. onder politici, journalisten en correspondenten, in de mode geraakt’. Als voorbeeld noemt hij ‘een pólitieke beslissing’.

‘Omdat de taalpagina als kop ‘taalgebruik’ heeft, neem ik aan dat hier niet alleen het geschreven, maar ook het gesproken woord aan de orde kan komen’, schrijft Herman Verheij. Kan inderdaad, maar we doen er alleen niets mee. Vragen, klachten en opmerkingen over zaken waaraan eigenlijk niets te doen is – hadden we daar geen speciale rubriek voor? Jawel, en daarom lenen we voor één keer het pakje van de Ombudsclown. Scheltena, Van der Burg, De Cock en Verheij krijgen het boek De eeuw van de Volkskrant, opdat ze nooit meer vergeten dat deze rubriek alleen draait om het taalgebruik van deze krant.

Klerenherrie is een broek die lawaai maakt

Af en toe mag er best eens een oude koe uit de sloot. Dat onze lezers toch niet allemaal wekelijks de taalpagina lezen, blijkt wel uit sommige vragen in onze taalpostbus. Dus we gaan het hebben over de tussen-n. Als u vindt dat u dit onderwerp al kent, mag u nu wat anders gaan doen.

Die tussen-n hoor je vaak niet, dus het is wat ongelukkig dat juist daarvoor zulke verwarrende en soms veranderende regels bestaan. Het komt in het kort hierop neer, aldus een editie van Lezerspost uit 2018: ‘De tussen-n kent een lange geschiedenis in spellingherzieningen door de Nederlandse Taalunie, die verantwoordelijk is voor het Groene Boekje (de Woordenlijst Nederlandse Taal). Spellingwijzigingen van 1995 en 2006, die gepaard gingen met ingewikkelde regels voor die tussen-n, waren voor onder meer het Genootschap Onze Taal, de NOS en de Volkskrant aanleiding een alternatieve spelling in het leven te roepen. Dat werd in 2006 de zogeheten Witte Spelling.’

Door die spellingwijzigingen waren sommige woorden er wat ongelukkig uit komen te zien, zoals de beroemde ‘pannenkoek’. De Witte Spelling liet de vraag ‘gaat het om het enkelvoud of meervoud?’ weer wat meer meespelen en kwam met (optionele) alternatieve vormen, zodat wij nu ‘pannekoek’ schrijven, en ‘ruggegraat’ en ‘paddestoel’ en ‘vlaggeschip’, maar ook ‘koekenpan’ en ‘gedachtengoed’. Om het ook weer niet niet ál te overzichtelijk te maken, zijn in de Witte Spelling beide vormen mogelijk als er sprake is van een betekenisverschil, zoals tussen ‘grenzeloos’ (in hoge mate) en ‘grenzenloos’ (zonder grenzen), of tussen ‘vlekkeloos’ (feilloos) en ‘vlekkenloos’ (zonder vlekken).

Hoe opvallend was het dan ook niet, vonden twee lezers, dat in het artikel over oud-Top of Flop-presentator Herman Stok tot twee keer toe sprake was van ‘klerenherrie’, waarmee dat woord geheel onnodig de tussen-n-discussie in werd gezogen. Daar heeft ‘klereherrie’ (juiste spelling) natuurlijk helemaal niets mee te maken: het gaat hier niet om enkelvoud of meervoud, en al helemaal niet om kleding, maar om het voorvoegsel ‘klere-’, een afgeleide van ‘cholera’. Een fijne krachtterm dus, waarvoor we in het Nederlands bij voorkeur een ernstige ziekte uit de kast trekken. Stok had ook ‘tyfusherrie’ kunnen zeggen, al past dat niet echt bij zijn leeftijd, of zelfs ‘kankerherrie’ – maar dan had de eindredactie het voorvoegsel waarschijnlijk preventief verwijderd en er iets als ‘pokkeherrie’ van gemaakt, zonder -n, conform de Witte Spelling.

Naschrift: kort na het verschijnen van dit artikel werd bekend dat Herman Stok op 93-jarige leeftijd is overleden.

Sommige mensen krijgen er geen genoeg van

In een artikel van (gastauteur) Connie Palmen las Frits Booy deze constructie: ‘...ik krijg er al meer dan 45 jaar geen genoeg van hem op te zoeken...’. ‘Dat moet natuurlijk zijn: ‘niet genoeg van hem op te zoeken’’, schrijft Booy. ‘‘Geen genoeg’ is fout.’

De stelligheid waarmee sommige lezers dingen beweren is bewonderenswaardig. Ze laten hun leven schijnbaar niet verpesten door twijfel of andere hinderlijke emoties. Maar wie deze rubriek een beetje bijhoudt, weet dat we de vaste taalautoriteiten er nog weleens op naslaan en dat dan zelfs de meest zelfverzekerd gebrachte bewering soms wel wat nuancering blijkt te verdienen.

Booy lijkt daarop voorbereid en slaat de eerste aanval alvast af: ‘De Taalunie mag dan beweren dat ‘geen genoeg’ goed is, omdat anderen dat ook zo formuleren, maar daardoor is het niet minder een taalfout. Genoeg is hier immers een telwoord en geen zelfstandig naamwoord. We schrijven toch ook niet: ‘Ik kan er geen veel van krijgen’?’

Inhoudelijk juist, maar dit neigt wat ons betreft wel een beetje naar een aloude denkfout: dat taal onwrikbaar en logisch zou zijn. Taal is dynamisch en vaak onlogisch, het Nederlands voorop. Aan vastgestelde regels blijven in de loop der jaren nu eenmaal afwijkingen en uitzonderingen hangen, die er soms van lieverlee bij gaan horen.

De Taalunie lijkt overigens nergens iets over deze kwestie te vinden, maar gelukkig is er nog Onze Taal. Het genootschap geeft allereerst de lezer gelijk, en op zich terecht: omdat ‘genoeg’ geen zelfstandig naamwoord is, ligt het gebruik van ‘geen’ inderdaad niet voor de hand. Maar vervolgens constateert het dat ergens geen genoeg van hebben/krijgen in de loop der tijd domweg een vaste uitdrukking is geworden.

Van oorsprong taalkundig onjuist? Zeker. Daardoor voor altijd onjuist? Als je dat als stelregel zou aanhouden, zou je uit het huidige Nederlands wel heel veel moeten wegstrepen. En denk niet dat het hier om iets nieuwerwets gaat: Onze Taal citeert krantenartikelen uit 1905 en 1912 waarin mensen al ‘geen genoeg’ krijgen.

‘Wilt u dit doorgeven aan Connie Palmen?’, besluit Booy. Dat zouden wij best willen, maar die werkt hier niet, dus dat wordt lastig. Dus mocht u Connie Palmen zijn, bij dezen. En mocht u Connie Palmen kennen, geeft u dit dan alstublieft even aan haar door. Maar verwijs haar voor de nodige nuancering gelijk óók even door naar de website van Onze Taal.

Is een dodelijk slachtoffer een gevaar voor zijn omgeving?

De araneus noxeus taeter geldt, ondanks zijn bescheiden formaat, als een van de gevaarlijkste spinnen ter wereld. Het beestje heeft een dodelijke beet, wat heet: je botten smelten waar je bij staat, zodat van staan al snel geen sprake meer is. Jaarlijks is de kleine smeerlap, die alleen nog in Australië voorkomt, goed voor zeven à acht dodelijke slachtoffers.

Allemaal onzin, maar het brengt ons bij de vraag die lezers eens in de zoveel tijd stellen: kan een slachtoffer wel dodelijk zijn? Of eigenlijk stellen zij die vraag helemaal niet, ze vinden dat het niet kan: een ‘dodelijk slachtoffer’ zou geen correct Nederlands zijn. ‘Dodelijk veronderstelt enige actie’, schrijft een lezer. ‘Een dodelijk slachtoffer zou dan een gevaar voor zijn omgeving betekenen.’ En dat terwijl slachtoffers juist het slachtoffer zijn, legt een ander uit.

Als je kijkt welke betekenissen de Van Dale toekent aan ‘dodelijk’, kun je inderdaad concluderen dat geen van alle daarvan goed aansluit op ‘slachtoffer’: ‘de dood veroorzakend’ (dodelijk gif), ‘met de dood gepaard gaand’ (dodelijke afloop), ‘zeer hevig’ (dodelijk vermoeid), ‘als van de dood’ (dodelijke bleekheid).

En toch is een ‘dodelijk slachtoffer’ taalkundig ook mogelijk. De Taalunie weet het mooi uit te leggen: ‘Het bijvoeglijk naamwoord dodelijk wordt hier op een bijzondere manier, en wel metonymisch gebruikt. Het zegt niet – zoals gebruikelijk – iets over het bijbehorende zelfstandig naamwoord, maar deelt iets mee over iets anders; meestal gaat het daarbij om een levend wezen dat met dit bijvoeglijk naamwoord in verband kan worden gebracht.’

Het valt daarmee, aldus de Taalunie, in een rijtje met een ‘bijzondere betekenisverhouding tussen bijvoeglijk en zelfstandig naamwoord’, waarin we ook combinaties vinden als ‘lopend buffet’ en ‘luie stoel’ (dat buffet loopt natuurlijk zelf niet, en die stoel – nou ja, u begrijpt het wel).

Zo’n bijzondere combinatie van een bijvoeglijk naamwoord en een zelfstandig naamwoord noemen we een ‘hypallage’, weet Onze Taal te melden. Handen omhoog wie daar ooit van had gehoord. ‘In zo’n combinatie verschuift er iets in de relatie tussen deze woorden: het bijvoeglijk naamwoord staat weliswaar voor zijn kern, maar het verwijst naar iets of iemand anders, bijvoorbeeld de waarnemer.’

Zo ook bij het dodelijke slachtoffer: ‘dodelijk’ verwijst daarbij niet naar de persoon die het leven laat, maar naar (de afloop van) het ongeluk waarin hij verwikkeld is geraakt. Of naar de beet van de araneus noxeus taeter natuurlijk.

‘Hen heeft’: persoonlijke kwestie of onzinonderwerp?

Toch nog even terugkomen op een heikel punt: het gebruik van voornaamwoorden die verwijzen naar non-binaire personen, mensen die zich niet identificeren als man of vrouw. Dus geen ‘hij’ en ‘zij’, maar wat wel? In november schreven we dat de Volkskrant zich beraadde ‘hoe we daarmee als krant moeten omgaan’.

De reacties lieten zien hoe goed dit thema zich leent voor polarisatie. Een lezer verweet ons het gebruik van ‘verkeerde voornaamwoorden’. ‘Hoe iemand aangesproken wil worden is een persoonlijke kwestie, pronouns dienen gerespecteerd te worden’, schreef een ander. Alsof er geen sprake is van een complex taalkundig fenomeen waarover je van gedachten kunt wisselen, maar van een in beton gegoten waarheid die eenzijdig kan worden afgedwongen. Aan de andere kant waren er de lezers die elk beetje aandacht voor dit thema al te veel vonden: ‘Laten we dit soort onzinonderwerpen achter ons laten.’

Afgelopen zaterdag stond er een interview in de krant met een Duitse columnist die zich niet als man of vrouw identificeert, waarbij nu ook de Volkskrant, zoals onlangs besloten, gebruikmaakte van de genderneutrale persoonlijke voornaamwoorden ‘hen’ en ‘hun’. Dit was, heel slim, alvast zichtbaar gemaakt in de kop: ‘Hen houdt Duitsland een spiegel voor’.

De krant verklaart de keuze in het Stijlboek: ‘Nu hen door non-binaire mensen zelf het meest wordt gebezigd en als genderneutraal voornaamwoord het gangbaarst is, zal de Volkskrant deze term – indien gewenst – gebruiken.’

Sommige lezers voelden zich geroepen met een alternatief te komen – nij/nijn, xij/xer/xaan, zhij/zhijn, trij/trijn – waarmee ze (ongewild) illustreerden hoe lastig het is om geschikte woorden te bedenken. Ook vonden sommige lezers het leuk om te melden dat ze bij ‘hen’ aan een kip moeten denken.

‘Zolang de term nog niet is ingeburgerd (…), is het van belang de lezer context te geven’, schrijft het Stijlboek voor. Dat deed het artikel over de Duitse columnist, direct na de eerste zin waarin het niet om het woord ‘hun’ heen kon. En dat zal voorlopig nog wel even nodig zijn. Er staat immers niet dagelijks een interview met een non-binaire persoon in de krant, dus van snelle gewenning zal geen sprake zijn.

Het grootste nadeel aan de huidige oplossing blijft dat ‘hen’ niet lekker aansluit op een werkwoord in het enkelvoud. Nog één keer het Stijlboek: ‘Wanneer de Taalunie met een voorstel komt dat taalkundig minder ongelukkig is (...), zal de Volkskrant mogelijk een nieuwe afweging maken.’

Kijk naar dit – nee, kijk liever hiernaar

‘Steeds vaker hoor ik ‘voor dit’ i.p.v. ‘hiervoor’ (for this?) en ‘van dit’ i.p.v. ‘hiervan’ (of/from this?)’, schrijft Quiny Voorn. ‘Zo kan ik nog even door gaan. Hierna, hierin en hierop: waar zijn ze gebleven?’

Strikt genomen geen thema voor Lezerspost, de lezer is dit immers niet – geprezen zij de Heere – in de Volkskrant tegengekomen. Wel een fijn excuus om dit lelijke anglicisme eens als zodanig te benoemen. Want dat je hier het Engels door het Nederlands heen hoort, lijkt toch wel duidelijk – en ook Voorn suggereert dit.

Wie Nederlands als tweede taal leert, krijgt op een dag te maken met rekensommen als aan + het = eraan. Zodra er een voorzetsel bij komt kijken, verandert ‘het’ in ‘er’: niet ‘ik denk aan het’ maar ‘ik denk eraan’. Een voornaamwoordelijk bijwoord, superingewikkeld voor tweedetalers, een automatisme voor moedertaalsprekers – althans, dat was het.

Ook ‘dit’, ‘dat’ en ‘wat’ veranderen in combinatie met een voorzetsel in een lid van de er-familie: ‘aan dit’ wordt hieraan, ‘aan dat’ daaraan en ‘aan wat’ waaraan. Engelstaligen doen hier niet aan, oftewel: die doen niet aan dit. Die praten over dat en zijn ziek van het.

Je zou zeggen dat dit een van de laatste dingen is die je zou moeten willen overnemen. Maar toch gebeurt het, in elk geval in de spreektaal. Kijk naar dit. Aan wat denk je? Alleen zinnen als ‘ik denk aan het’ lijken zelfs de meest Engels angehauchte Nederlander vooralsnog te ver te gaan.

Er zijn nog meer varianten. Ook ‘iets’, ‘niets’ en ‘alles’ veranderen: ‘aan iets’ wordt ergens aan, ‘aan niets’ nergens aan en ‘aan alles’ overal aan. Hoewel... een zin als ‘ik denk aan iets’ klinkt eigenlijk niet verkeerd. Hoe zit dat?

De Algemene Nederlandse Spraakkunst* bevestigt dat bij iets/niets/alles beide opties mogelijk zijn: ‘Jij denkt nooit ergens aan’ is juist, maar ‘Jij denkt nooit aan iets’ dus ook.

Daar is dan wel weer één uitzondering op, want, aldus de niet zo jip-en-janneketaal van de ANS, ‘wanneer voornaamwoorden met een nabepaling zijn verbonden, kan geen voornaamwoordelijk bijwoord in de plaats van een voorzetselconstituent komen’. Oftewel: ‘Ik denk aan iets leuks’ kun je vanwege de nabepaling ‘leuks’ niet vervangen door ‘Ik denk ergens leuks aan’.

*) Er zijn vast lezers die na de #taalophef van deze week denken: ik weet het beter als de ANS. Maar die ophef bleek achteraf een storm in een glas water.

Bijna goed, maar toch (helemaal) fout

Welkom bij de onregelmatig terugkerende subrubriek ‘woorden die op elkaar lijken maar heel iets anders betekenen’. Daar kun je als krant hard mee onderuit gaan, bijvoorbeeld als je schrijft dat een Ajax-in-vorm ‘op drift’ is, zoals Judith Eijkel-Koorn in maart las ‘in een vette kop in de sportbijlage’. Ze noemt het ‘een (onbedoelde) belediging aan het adres van dit voetbalteam’. In het artikel stond het nog eens: ‘Nu is Ajax op drift. Bekerfinale bereikt. Op naar de titel...’

Wie ‘op drift’ is, drijft stuurloos rond. En je kunt veel over Ajax beweren, maar niet dat ze in maart stuurloos ronddreven, beker en titel waren immers in zicht. ‘Op dreef’ dus, of eventueel ‘op stoom’, dat waren ze.

‘Zijn we kleinzieliger? Vroeger hoorde het erbij, nu is het goed voor code rood’, stond half februari boven een onlineartikel over het weeralarm dat de KNMI had afgekondigd vanwege verwacht winterweer. ‘Dat moet denk ik ‘kleinzeriger’ zijn’, schrijft Nancy Slemmer. ‘Kleinzielig betekent immers bekrompen, benepen. Als je kleinzerig bent, houdt dat in dat je overdreven gevoelig bent, gauw pijn voelt, bang bent voor pijn. Ik ben benieuwd hoe jullie hierover denken.’

Wij denken dat daar maar weinig aan toe te voegen is. Wie kleinzielig is, heeft gewoon een heel klein zieltje – of een heel eng geestje, zie het Vlaamse synoniem ‘enggeestig’. En wie kleinzerig is, is een klein zeurzakje, voor wie het kleinste (of de gedachte daaraan) al zeer doet – zoals het vooruitzicht van een laagje sneeuw in februari.

Bij sommige woordcombinaties ligt het iets genuanceerder. Neem voortijdig en vroegtijdig: niet helemaal hetzelfde, wel vaak enthousiast door elkaar gehaald. Hans Boom wijst ons op een terugblik op het begin van de coronacrisis, waarin stond: ‘Drie weken later zaten we in lockdown, de Tefaf werd uiteindelijk vroegtijdig afgebroken.’ Grofweg betekent vroegtijdig ‘vroeg’ en voortijdig ‘te vroeg’; in dit geval sloot de Tefaf eerder dan de bedoeling was, voortijdig dus.

Wie goed oplet, ziet hoe de krant met deze woorden worstelt, soms zelfs binnen één artikel. In een terugblik op het leven van de Britse prins Philip ging het zowel over de ‘vroegtijdige dood’ als over de ‘voortijdige dood’ van zijn schoonvader, koning George VI. Die laatste zal geen afspraken hebben gemaakt over zijn sterfdatum, dus ‘voortijdig’ klinkt dan wat raar. Vroegtijdig sterven deed hij wel: op zijn 56ste kreeg hij een hartaanval.

Waar ligt de regio eigenlijk?

‘Vooral in de regio krijgen veel kinderen een te laag schooladvies’, las Gaby Paulissen uit Maastricht zaterdag. ‘Welke regio, Volkskrant?’, vraagt ze. ‘De regio is namelijk niet gelijk aan het platteland; er bestaat ook zoiets als de regio Amsterdam en de regio Zuid-Nederland. Dit is wel met een heel Randstedelijke visie geschreven, naar mijn mening.’

Randstedelijke navelstaarderij en arrogantie: lezers slaan ons er zo nu en dan graag mee om de oren. Niet geheel onterecht: de redactie bevindt zich in Amsterdam, dus logischerwijs wonen de meeste medewerkers daar niet al te ver vandaan. En zoiets komt een brede kijk op het land nu eenmaal niet altijd ten goede. De Tweede Kamer schijnt hetzelfde probleem te hebben.

Het kan tot uiting komen in de keuze aan onderwerpen. Zo schreef Ward Lotstra (‘uut Nimwegge’) al eens: ‘Geachte redactie, lieve Amsterdammers, zijn jullie soms vergeten dat de Volkskrant een landelijk dagblad is? Vandaag was het hele V-katern gewijd aan het Amsterdamse.’

Dat was schromelijk overdreven (we hebben het nageteld), maar het is natuurlijk wel een aandachtspunt voor de krant. Al moet gezegd dat je met een cultureel katern als V het risico loopt dat voorstellingen en exposities die aan bod komen ook (eerst) de hoofdstad aandoen.

Soms probeer je het goed te doen, maar gaat het alsnog mis, zoals bij een artikel over ‘het Rijksmuseum’. Omdat we er niet zomaar van uit mogen gaan dat de lezer daarbij automatisch Amsterdam voor zich ziet, voegde de eindredactie de locatie toe: ‘het Amsterdamse Rijksmuseum’. Maar wie zoekt, vindt meestal wel wat, dus ook dit leverde een bozige reactie op. Wederom Lotstra: ‘Deze bizarre juxtapositie impliceert een criminele daad: het zich toe-eigenen van gemeenschappelijk bezit!’ Misschien was ‘het Rijksmuseum in Amsterdam’ hier beter geweest.

Maar hoe zit het nu met die term ‘in de regio’? Volgens Van Dale kan dat ook ‘in de omliggende streek, in de provincie’ betekenen. En van het woord ‘provincie’ luidt de laatste betekenis: ‘het platteland in tegenstelling tot de hoofdstad’. Op basis hiervan zou je wel degelijk kunnen stellen dat ‘de regio’ gelijkstaat aan ‘(het platteland) buiten de hoofdstad’. Maar of je dit als landelijke krant moet willen, is een tweede.

Er is hoop. Over een paar jaar verhuist de redactie enigszins nao ’t zuuje: tot net buiten de Amsterdamse ring, volgens sommigen de grens van onze belevingswereld. Wie weet heeft die nieuwe locatie een heilzame werking op de visie van de krant.

Dichtbij of dicht bij?

‘New York dicht bij legaliseren van cannabisgebruik’, luidde maandag de kop boven een berichtje op pagina 9.

Het zorgde bij Marie Boschman in eerste instantie voor verwarring: ‘Fracties van een seconde zag ik New York voor me in totale lockdown, met op alle straathoeken open coffeeshops, en alle toegangswegen afgesloten voor verkeer. Tot de andere betekenis van ‘dicht bij’ tot me doordrong.’

Ook bij Anne-Marie Spruyt duurde het even: ‘Het gebeurt niet vaak dat ik het artikel moet lezen om de kop te begrijpen. Ik weet niet of het in dit geval ‘dichtbij’ had moeten zijn?’

Had dat inderdaad één woord moeten zijn, om dubbelzinnigheid te voorkomen?

Nee, want het betrof hier niet het bijwoord ‘dichtbij’, maar het voorzetsel ‘bij’, voorafgegaan door het bijwoord ‘dicht’. Je schrijft ‘dicht bij’ los als er iets op volgt: ‘Ik ben dicht bij mijn huis.’ Volgt er niets, dan schrijf je het aaneen: ‘Ik ben dichtbij.’

Hetzelfde zie je bij bijwoorden als ‘boven’, ‘onder’, ‘achter’ en ‘voor’, die je kunt combineren met een voorzetsel: ‘Het dorp ligt onder in de vallei’, ‘Haar foto staat achter op het boek’. Ook die woorden kun je aaneenschrijven: ‘Het dorp ligt onderin’, ‘Haar foto staat achterop’, maar dan komt er dus geen zogeheten zelfstandignaamwoordgroep meer achteraan.

Opvallend is dat woorden als ‘bovenaan’ en ‘onderaan’ hier niet aan meedoen: je schrijft namelijk weer wel: ‘Hij staat bovenaan de lijst.’ De reden daarvoor is dat je het eerste deel van dat woord niet kunt weglaten: iemand staat niet ‘aan de lijst’. Dat dorp daarentegen, dat lag wel ‘in de vallei’ (waar in de vallei? Onder in de vallei) en haar foto vind je wel degelijk ‘op het boek’ – achter op het boek weliswaar, maar toch.

Om terug te komen op de verwarrende kop: met het oog op ondubbelzinnigheid had de eindredactie die beter anders kunnen formuleren. Een nieuwskop moet eenduidig zijn, de lezer moet in één oogopslag zien en begrijpen waar het over gaat – al is dat met de nieuwe huisstijl, met soms vier- of zelfs vijfregelige koppen, niet altijd even eenvoudig.

Verandert een woord van betekenis zodra je er een spatie in zet, dan is het oppassen. De Engelse spatieziekte kan leiden tot klassiekers als ‘konijnen bouten in pruimensaus’, maar ook een terecht geplaatste spatie kan dus voor consternatie zorgen. Al dwingt ze lezers dan wel het hele artikel te lezen.

Aan voedselmakers beginnen we niet

Hebben de jonge mensen het weer gedaan. Lezer E. Straathof stoort zich aan het gebruik van het woord ‘melkboeren’ in een kop boven een stuk over boeren die dit jaar geen bonus van FrieslandCampina krijgen. Straathof schrijft: ‘Voor alle jonge journalisten die de tijd van de melkboer niet hebben meegemaakt: een melkboer was een middenstander die met melk en andere zuivelproducten langs de deuren ging. Een melkveehouder is een boer met melkvee.’

Ze heeft natuurlijk gelijk. Van Dale schrijft onder het lemma ‘boer’ dat dit in samenstellingen ook verwijst naar ‘handelaar of leverancier’ en noemt daarbij een heel rijtje (bijna) uitgestorven beroepen. Denk: schillenboer, voddenboer, petroleumboer. Een visser noemen we geen ‘visboer’ en iemand die zijn kassen vol heeft staan met Tasty Toms noemen we geen groenteboer maar een tuinder. Landbouwverslaggever van de Volkskrant Pieter Hotse Smit: ‘Een melkboer is voor mij niemand minder dan de SRV-man van vroeger. Ik doe ook niet aan termen als ‘aardappelboer’.’ Smit kiest voor het preciezere ‘akkerbouwer’ en gebruikt voor de variatie dan het liefst ‘telers’: aardappeltelers, aspergetelers.

Toch zie je dat de hedendaagse agrariër met gevoel voor marketing over zichzelf spreekt in die samenstellingen met -boer. Smit: ‘Twee jonge melkveehouders verbouwen op een deel van hun land soja voor sojamelk. En noemen zichzelf, jawel: ‘De Nieuwe Melkboer’.’ Het is ook nog de vraag hoe we omgaan met boeren die er moderne hobby’s als zeewierteelt of energieopwekking op na houden. Verslaggever Mac van Dinther: ‘Ik heb weleens een ‘voedselbosboer’ opgevoerd voor iemand die landbouw bedrijft met voedselbossen.’ Boeren met windmolens op hun land noemen we ondertussen rustig ‘windboeren’.

Mevrouw Straathof zal blij zijn dat de krant niet de taallijn van de nieuwe Kamerfractie van BoerBurgerBeweging volgt. Zij hebben het niet over die onbegrijpelijke akkerbouwers, melkveehouders en pluimveehouders, maar over onze ‘voedsel- en bloemenmakers’. Lijsttrekker Caroline van der Plas moet hebben gedacht dat je de veelbesproken kloof tussen boer en burger ook met taalvernieuwing kunt dichten. Wie een akkerbouwer een voedselmaker noemt, maakt direct duidelijk wie er precies verantwoordelijk is voor dat eten op je bord. Denk aan de borden langs de snelweg: ‘Lekker gegeten? Bedank de boer.’ Pardon, aardappelmaker.

Lijsttrekker van Bij1 Sylvana Simons, met wie Caroline van der Plas het al gelijk aan de stok kreeg, wijdde er een snedig tweetje aan. ‘Ben al wel sinds gisteravond benieuwd naar de definities van ‘voedselmakers’ en ‘bloemenmakers’. Als het net zoiets inhoudt als ‘nieuwsmakers’ hou ik m’n hart vast.’

Waarom de Volkskrant exotische leestekens negeert

‘Het is regelmatig een ergernis als u Slavische namen niet correct weergeeft’, schrijft Jan Achten. ‘Vandaag weer met Ajax: Dusan Tadic, in plaats van Dušan Tadić.’

De werkwijze van de Volkskrant is simpel: wat met een eenvoudige combinatie van leesteken en letter uit het toetsenbord tevoorschijn komt, gebruiken we: à, é, ü, ô, ç, ñ et cetera. Daarmee kun je onder meer correct Frans, Duits en Spaans schrijven. Zo goed als alle overige diakritische tekens, want zo heten die accenten, negeren we.

Een nadeel hiervan is dus wel dat we bijvoorbeeld in het Servisch de c, de ć en de č over één kam scheren, terwijl die natuurlijk elk voor een andere klank staan.

Een ander slachtoffer is het Turks; dat heeft de ğ, een g zo zacht dat je hem niet hoort (denk Erdoğan), maar ook de i-zonder-punt (een soort sjwa, de ‘e’ van ‘de’). Vorige week nog ging een albumrecensie over de band Altin Gün en het nummer Yüce Dag Basinda. Lees je dat hardop voor, dan zal geen Turk je verstaan – het ging immers om Yüce Dağ Başında, van Altın Gün.

Kijk, het kan dus wel, denkt u nu. Je zou inderdaad een lijstje met alt-codes bij de hand kunnen houden, of dit soort letters in een tekstbestandje kunnen plakken, zoals sommige lezers voorstellen. Maar de vraag is: waar leg je dán de grens, als je die überhaupt ergens legt? Bij ‘Europese’ talen? In de krant komt immers de hele wereld voorbij. Neem het Vietnamees: daarin zweven op de gekste plekken stipjes en kommaatjes. De taal presteert het zelfs om op één letter meerdere tekens te plaatsen, zoals in de naam van het alfabet: quốc ngữ.

In Word kun je deze letters eenvoudig correct weergeven, schrijft Achten. Dat klopt, maar de krant wordt niet in Word opgemaakt. En het probleem is: niet elk diakritisch teken is beschikbaar in de vele fonten die de krant gebruikt. Daardoor komt het weleens voor dat een exotische letter ineens in een ander font van de pagina knalt, zoals ook in dit artikel is te zien.

Nog een goede reden dus om het eenvoudig te houden. En daarom sneuvelen ook Baltische strepen, Maltese stippen, IJslandse dwarsbalkjes, Hongaarse schuine trema’s en de doorgestreepte l uit het Pools.

De Volkskrant legt de grens bij het qwerty-toetsenbord. Noem het lui, of respectloos, maar het is gewoon een praktische keuze.

Is het nu verdrietig, triest, treurig, sneu of droevig?

Melvin Werkhoven mailde ons over het gebruik van ‘het is verdrietig’ in plaats van ‘het is triest/sneu’. ‘Verdrietig’ is volgens hem voorbehouden aan ‘Ik ben verdrietig’. ‘Is het een anglicisme?’, vraagt hij. ‘In het Engels kun je sad volgens mij wel op beide wijzen gebruiken.’

Kan in plaats van iemand ook iets verdrietig zijn, is dus eigenlijk de vraag. Dat kan: het woordenboek zegt dat ‘verdrietig’ behalve ‘verdriet hebbend’ (iemand) ook ‘van verdriet getuigend’ of verdriet veroorzakend’ (iets) kan betekenen. Een anglicisme-alarm is dus misschien wat voorbarig – al valt de eventuele invloed van het Engels natuurlijk nooit uit te sluiten.

Door te variëren met woorden als ‘verdrietig’, ‘triest’ en ‘sneu’ (Ronald Koeman vond de dingen in het verleden vaak ‘spijtig’, wat met zijn neuzelstem extra spijtig klonk) kun je wel een bepaalde nuance aanbrengen: ‘het is verdrietig’ klinkt iets plechtiger (denk Hugo de Jonge) dan bijvoorbeeld ‘het is triest’ en iets berustender dan ‘het is treurig’, waaruit moedeloosheid of zelfs woede kan spreken. In ‘het is sneu’ klinkt dan weer medelijden door.

Taalkundige Jan Renkema had zich ook al eens over dit opbeurende rijtje woorden gebogen en constateerde eveneens dat er verschil bestaat ‘in de ‘kleur’ van de betekenis’. Hij wist bovendien te melden dat ‘verdrietig’ eerder wijst op een emotie dan op een stemming, en dat ‘treurig’ vaak iets langer duurt dan ‘droevig’.

Bijzonder droevig was de bijdrage van Madonna in het nummer Sorry uit 2006, waarvoor ze het Engelse zinnetje ‘I’m sorry’ door een vertaalmachine had gehaald (en niet de moeite had gedaan het resultaat voor te leggen aan een moedertaalspreker), met als treurig resultaat voor wat betreft het Nederlands: ‘ik ben droevig’ – of drovik, zoals ze het zelf zegt, met een keiharde k, want ook de uitspraak even nagaan was blijkbaar te veel gevraagd. Het berouwvol uitgesproken intro, tegen een achtergrond van onheilspellende synthesizerviolen, luidt nu voor altijd: je suis désolée, lo siento, ik ben drovik, sono spiacente, perdóname.

Verderop in het nummer doet ze dit rijtje overigens nog eens dunnetjes over in het Japans, Hindi, Pools en Hebreeuws. Haar Pools schijnt volstrekt onverstaanbaar te zijn en zou eerder Litouws aandoen; in het Hebreeuws zou ze iets zeggen wat neerkomt op het ‘pardon’ wanneer je een vreemde aanspreekt.

Er bestaan vertaalbureaus die bereid zijn zulke zinnetjes correct om te zetten in de gekste talen, maar dat vond team-Madonna blijkbaar niet nodig. Het is verdrietig.

Wie wordt er nu eigenlijk naar wie vernoemd?

‘Megakrater op Pluto vernoemd naar Nederlandse wetenschapper’, kopte de Volkskrant op 8 februari, tot ongenoegen van lezer S.K. van der Pol: ‘Hoe vaak moet ik nog uitleggen waarom dit niet alleen incorrect, maar vooral nodeloos verwarrend is? Wie is er hier eigenlijk vernoemd?’

Van der Pol had het inderdaad al eens uitgelegd. Toen hij in mei 2020 las over ‘een plat sterrenstelsel, vernoemd naar de Amerikaanse astronoom Arthur M. Wolfe’, schreef hij: ‘Volgens mij is Wolfe vernoemd. De astronomen hebben het sterrenstelsel genoemd naar Wolfe.’

De lezer meent dus dat niet de ontvanger maar de naamgever wordt vernoemd: diens naam wordt overgedragen op iemand (of iets) anders. Die ander, de ontvanger, is dan naar hem genoemd.

Wat zou het woordenboek ervan denken, vragen we ons in dit soort gevallen af. Maar dat had Van der Pol al voor ons uitgezocht: ‘Ik heb twee verschillende drukken van de Van Dale geraadpleegd om erachter te komen hoe ‘noemen’ en ‘vernoemen’ in respectievelijk in 1970 en 2005 gebruikt werden.’

Het woordenboek blijkt hem aanvankelijk nog te steunen: ‘In 1970 luidt de omschrijving van ‘vernoemen’: ‘een kind naar iemand vernoemen, het dezelfde naam geven; - (ook) iem. vernoemen, de naam van die persoon aan een kind geven’. Maar in 2005 staat die tweede betekenis er niet meer bij.

Die is dus ergens tussen 1970 en 2005 komen te overlijden. Van der Pol betreurt dit: ‘Juist op een moment waarop we zo hard een ondubbelzinnige formulering nodig hebben, kunnen wij geen beroep doen op de Van Dale.’

Ook een beroep op Onze Taal heeft geen zin, want dat komt met de voorbeeldzin ‘Sofie is vernoemd’ en stelt dat dit ‘in de praktijk meestal betekent dat Sofie zelf naar iemand anders vernoemd is’.

Incorrect kun je de Volkskrant-kop dus niet noemen. Voor ‘nodeloos verwarrend’ is wat te zeggen: Van der Pol heeft alle recht rouwig te zijn om het feit dat een mooie nuance is teloorgegaan.

Maar bestond er dan ooit wél een strikt onderscheid tussen ‘genoemd’ en ‘vernoemd’? Was ‘naar iemand vernoemd zijn’ pakweg een eeuw geleden daadwerkelijk onjuist? Volgens Onze Taal niet. Dat zegt: ‘Vernoemen komt al zeker sinds de 17de eeuw voor in deze betekenis. Een van de voorbeelden die het Woordenboek der Nederlandsche Taal geeft, is een citaat uit 1714: ‘Ze vernoemen het kint naer het eerste dat hun buiten de tent ontmoet, mensch, beest, of vogel.’’

De bijt wordt een vreemde eend

Zo vaak gebeurt het niet (meer) dat sloten en plassen bevriezen, en ijskundige taalkwesties zijn dan ook een zeldzaamheid aan ons loket, maar afgelopen week was het zover. Een lezer las een artikel waarin ‘sprake was van het hakken van een wak’. Maar, zegt hij terecht, ‘een wak is een gat in het ijs, dat door een of andere oorzaak niet bevroren is. Wat in het ijs gehakt wordt, is een bijt’. (U weet wel, de open plek in het ijs waar eenden hun vreemde soortgenoot vuil aankijken.)

Het lijkt helaas een uitstervend onderscheid, zelfs onder specialisten. In een artikel over ijsduiken uit 2009 schrijft de goed geïnformeerde auteur nog wel dat er ‘een bijt in het ijs is gezaagd’, maar daarna zegt nota bene de voorzitter van de lokale duikvereniging dat je onder water ‘het wak’ niet kunt zien.

Wat zich ook als de dooi eenmaal heeft ingezet blijft aandienen, zijn contaminaties. En die blijven leuk: je kunt eindeloos woorden in elkaar knutselen en als je het goed doet, trapt de eindredactie erin en staat het de volgende dag in de krant. Zoals in een reportage over Wuhan, zag Hein Jongbloed: daarin ‘schalmt muziek uit luidsprekers’. Een exotische uitspatting van onze Vlaamse correspondent in China, vroegen wij ons nog af. Nee helaas, hier werd gewoon ‘schallen’ of ‘galmen’ bedoeld. Galmend schallen.

Schalmen bestaat overigens wel, maar betekent iets volstrekt anders: onder meer ‘aanbikken’ of ‘sjappen’. Nu weet u natuurlijk nog niks, tenzij u weleens een boom hebt verkocht.

Soms is het minder duidelijk of een contaminatie daadwerkelijk een taalfout oplevert. K. van den Berg viel over ‘de polen waartussen het publieke debat over corona heen en weer pendelt’. Vermoedelijk (want de klacht werd verder niet uitgelegd) vindt Van den Berg dit dubbelop, omdat ‘pendelen’ automatisch al de eigenschap ‘heen en weer’ in zich heeft.

Een contaminatie is vaak overtuigender als twee termen zijn samengesmolten tot één, zoals bij schalmen dus. Maar dan nog is het soms de vraag of het een taalfout betreft. ‘Bij het doorbladeren van het Magazine viel mijn oog op ‘verexcuseerde’’, schrijft C. Alberts. ‘Is die contaminatie ook al toegestaan?’

In de volkstaal wel, ja, en dat vermelden woordenboeken (die het woord dus hebben opgenomen) er dan ook bij. Onze Taal concludeert ‘dat verexcuseren in de praktijk vrij vaak voorkomt, maar nog steeds niet door iedereen wordt goedgekeurd’.

We overleggen nog wat we zullen overleggen

‘Dit komt bovenop de negatieve PCR-test die nu al moet worden overlegd’, schreef de Volkskrant in een artikel over aangescherpte coronamaatregelen. ‘Dit doet echt pijn aan de ogen’, meent een lezer. ‘Kan de redacteur wellicht nog eens duiken in het verschil tussen overlegd en overgelegd?’

Een ander lezer zegt het ‘bedroevend en bevreemdend’ te vinden ‘dat schrijvers en sprekers het onderscheid niet aanvoelen tussen óverleggen en overléggen’.

Misschien is het inderdaad goed om nog eens in deze zaak te duiken, want het zou zomaar tot schokkende nieuwe inzichten kunnen leiden.

Van Dale heeft er een flink, tweeledig lemma aan gewijd, met handige onderstreping: 1overleggen (legde over, overgelegd) / 2overleggen (overlegde, overlegd). Dit lemma lijkt onze lezers aanvankelijk gelijk te geven, maar het venijn zit ’m in de staart. Na zes betekenissen van overleggen (o.a. ‘laten zien’) en drie van overleggen (o.a. ‘over iets beraadslagen’) volgt iets wat lijkt op een wiskundige puzzel: ‘4 overleggen1 (4)’.

Wat het woordenboek hiermee op zijn woordenboeks wil zeggen, is dat overleggen-variant-2 een vierde betekenis heeft die overeenkomt met overleggen-variant-1, betekenis 4: ‘laten zien’.

Dat betekent dus dat je, als je een negatieve test hebt overgelegd, óók kunt zeggen dat je die test hebt overlegd.

De Taalunie legt het als volgt uit: ‘overleggen’ in de zin van ‘laten zien’ is van huis uit een scheidbaar werkwoord (dat zie je bijvoorbeeld aan de vervoeging ‘ik leg over’ en het voltooid deelwoord ‘overgelegd’), met de klemtoon op over dus. Maar ‘tegenwoordig wordt overleggen [in diezelfde betekenis] in Nederland ook als onscheidbaar werkwoord gebruikt’, ‘de klemtoon ligt dan op leggen’.

Opvallend is dat het Stijlboek van de Volkskrant hiervan nog niet op de hoogte lijkt (we zullen het doorgeven), want daarin staat onder het lemma ‘overleggen’ nog braaf: ‘Let op de werkwoordsvormen’, waarna de uitleg wordt afgesloten met de allesverhelderende voorbeeldzin: ‘We hebben over het rapport langdurig overlegd, waarna we het aan de direct betrokkenen hebben overgelegd.’

Maar ook Onze Taal rept in zijn lemma (uit 2011) over dit werkwoord met geen woord over de overlappende betekenis van de twee varianten. Heel breed geaccepteerd kun je dit fenomeen nu dus ook weer niet noemen.

En toch doet de zin ‘Dit komt bovenop de negatieve PCR-test die nu al moet worden overlegd’ een klein beetje pijn aan de ogen – ‘bovenop’ had hier immers twee losse woorden moeten zijn.

Is de Volkskrant voor of tegen een fittie?

Een lezer kende fittie niet, maar of daarom de krant het woord niet meer moet gebruiken?

De Volkskrantlezer is doorgaans niet van de straat. En soms is dat best een gemis, want op die straat ontstaan nieuwe woorden, waarvan sommige uiteindelijk weer diezelfde Volkskrant binnendruppelen. Daar zit je dan met je klassieke opleiding. Moratorium, oratorium, pars pro toto: allemaal geen enkel probleem – maar, zoals een lezer ons schrijft, ‘wat is in vredesnaam een fittie?’

Nu willen we niet beweren dat je onder een steen hebt gelegen als je dat woord nog nooit hebt gehoord, maar erop neerkijken is ook weer niet nodig. Wie zegt overigens dat al die Latijnse woorden ook niet ooit op straat zijn ontstaan – ergens rond het forum, weet u veel?

Een fittie (ontleend aan het Sranantongo: feti, van het Engelse fight) is een ruzie, een relletje, veelal in de media en vaak wat onnozel van aard, net als het woord zelf. Een zeer ernstige fittie zul je niet zo snel tegenkomen.

Het Volkskrant-archief laat aardig zien welke ontwikkeling het woord de afgelopen jaren heeft doorgemaakt. Een korte reconstructie:

- In 2007 duikt het voor het eerst op. Aanvankelijk in teksten over straattaal, maar al snel gaat het de mediakant op: ‘Zo werden vele twitteraars ongevraagd deelgenoot van een ordinaire ruzie, op Twitter een fittie genoemd’ (2010).

- Het woord slaat breder aan. Uit ‘Alles wat we in 2012 niet meer kunnen horen of zien’ (2011): ‘Zullen we afspreken om zo’n ruzie nooit, maar dan ook nooit meer fittie te noemen?’

- Dat is er niet van gekomen. In 2013 schrijft Aaf Brandt Corstius: ‘Over ruzies hebben we het niet meer, in sterrenland. Alles is een fittie.’

- Dat het woord niet meer van de straat is, blijkt wel in 2019, als Robert ten Brink (63) in een interview zegt: ‘Ik heb weleens een – zoals je dat tegenwoordig noemt – fittie met iemand gehad.’

Maar dat Ten Brink het zegt, is nog iets anders dan dat de Volkskrant het schrijft, denken sommige lezers, die ons dan ook verzoeken direct op te houden met deze onzin. ‘Graag in het vervolg Nederlandse standaardtaal’, aldus Peter van der Schaft.

Maar misschien is het wat ironische ‘fittie’ juist een leuke toevoeging op die standaardtaal. In de nieuwste Van Dale (2015) is het woord al te vinden, zij het nog met het label ‘straattaal’. Nu het de straat definitief lijkt te zijn ontgroeid, is het tijd voor een warm welkom in onze standaardtaal.

Schuilen onder een reclamezuil

Al wat aan de oude kant inmiddels, dit nieuws, maar het gebeurde vorige week in het tv-programma De slimste mens dat kandidaat Tijl Beckand met stelligheid beweerde dat 'abri' een ander woord is voor 'reclamezuil'. Hij had ongelijk.

Niet per se voer voor deze rubriek, ware het niet dat de Volkskrant het presteerde een dag later een foto van een reclamezuil te plaatsen met daaronder een bijschrift waarin het ding een 'abri' werd genoemd.

'Een prachtig voorbeeld van een pars pro toto!', schrijft Hetty Reiling. Want inderdaad, een bushokje zou je kunnen zien als twee reclamezuilen met een dak ertussen. Ben Bolscher is kritischer: 'Een abri is een plek waar je kunt schuilen. Inderdaad vaak met reclame op de ruit. Maar dat maakt de reclameruit nog geen abri.'

Beckand kreeg dan ook weerwoord van presentator Philip Freriks, die vijftig jaar Parijs achter de hand heeft en zodoende weet dat het Franse abri 'beschutting' betekent en in het verlengde daarvan kan wijzen op een (bus)huisje.

Het woord komt van het Latijnse apricus, met het accent op de tweede lettergreep, 'blootgesteld aan de zon'. Nu lijkt dat wat anders dan 'beschut', maar, zo verklaart het etymologisch woordenboek, wat is blootgesteld aan de zon is in zekere zin beschut tegen kou en regen.

Alice Jansen dook naar aanleiding van deze kwestie diep in de zoekmachines en ontdekte dat een reclamezuil 'op abri-formaat' ook wel een 'mupi' wordt genoemd.

Dat hoor je alleen haast nooit iemand zeggen. Misschien kent Philip Freriks het wel, want ook dit woord komt uit het Frans: het blijkt een afkorting van mobilier urbain pour l'information. Een leuk feitje wellicht voor een van de volgende afleveringen van De slimste mens.

Een tijdje geleden zagen we in een context van ziekenhuizen, coronadoden en koelcontainers al eens het woord 'moratorium' opduiken waar 'mortuarium' werd bedoeld. Dat het lastige woorden blijven, bleek afgelopen week, toen in een artikel over de eerste maatregelen van president Biden wél moratorium werd bedoeld, maar er alsnog iets anders stond: 'Een afgekondigd oratorium op deportaties van illegalen.'

'Als muziekliefhebber kan ik niet wachten', schrijft Jeroen Warner.

Een weggevallen letter: het mag niet, maar het kan gebeuren. Vermoedelijk leunde iemand ter redactie na de laatste correctieronde per ongeluk op backspace en was hij vervolgens zijn cursor kwijt. En de spellingcontrole sloeg geen alarm, want die doet niet aan context.

We komen er nog even op terug


'Herhaaldelijk lees ik, ook in de Volkskrant, dat er wordt teruggekomen op een beslissing, terwijl duidelijk bedoeld is dat er wordt teruggekomen van een eerder besluit', schrijft Fer von der Assen.

Hij is niet de enige. Vorig jaar wees Peter Taal deze rubriek er al eens op. In de betreffende aflevering schreven wij: 'maar na raadpleging (...) kwam hij terug op zijn aanvankelijke oordeel'. Mis, meende Taal: 'Ergens op terugkomen = het er nog eens over hebben. Ergens van terugkomen = een oordeel of standpunt herzien.'

Dat is waar, maar niet de volledige waarheid. Want die blijkt, zoals we hier wel vaker constateren, iets minder zwart-wit. Naast de bovengenoemde betekenissen maakt de Van Dale melding van een tweede betekenis van 'terugkomen op': 'herzien, op zijn verklaringen terugkomen'.

Het blijkt een soort compromisvorm, die de betekenis van beide constructies in zich draagt. Onze Taal (niet de genoemde lezer, maar het Genootschap) legt uit: 'Terugkomen van een besluit ligt het meest voor de hand als bedoeld wordt dat er van een besluit wordt afgezien. Terugkomen op een besluit kan gebruikt worden in de betekenissen 'weer beginnen te spreken over een besluit' (neutraal) en 'weer beginnen te spreken over een besluit omdat men het ongedaan wil maken'.' Erop terugkomen om ervan terug te komen dus.

Lezer Von der Assen had nog iets. Hij zag 'een mooi stijlbloempje' in een artikel over het verbod op mondkapjes voor gedetineerden. Daarin zei Kamerlid Madeleine van Toorenburg: 'Het slaat nergens op dat het kunnen lezen van gezichtsuitdrukking wordt geprevaleerd boven gezondheid.' Von der Assen: 'Dat slaat grammaticaal inderdaad nergens op, omdat 'prevaleren' een onovergankelijk werkwoord is, dat je niet moet verwarren met 'prefereren'.'

Vermoedelijk gebruikte Van Toorenburg bewust 'prevaleren' (de voorrang behouden) en niet 'prefereren' (de voorkeur geven aan), maar dat terzijde, want Von der Assen heeft gelijk dat deze constructie niet klopt. Prevaleren is geen overgankelijk werkwoord: iets prevaleert, je kunt niet 'iets prevaleren', en dus kan iets ook niet 'worden geprevaleerd'. Ter vergelijking: iets kan als belangrijk gelden, niet als belangrijk worden gegolden.

Wel kun je iets 'laten prevaleren'. Om te tonen dat het initiatief bij de gevangenissen ligt, was dat hier wellicht de beste optie geweest - al moet je dat onderwerp er dan bij noemen: '(...) dat gevangenissen het kunnen lezen van gezichtsuitdrukking laten prevaleren boven gezondheid'.

Duizelen met getallen en cijfers

Theo Kuilboer beklaagt zich over 'de cijfers' die dagelijks in het nieuws zijn. Hij stoort zich daarbij niet zozeer aan die cijfers zelf, het gaat hem om het woord: dat zou volgens hem 'getallen' moeten zijn, of 'aantallen'. Is dat ook zo?

Een cijfer is allereerst een teken om een aantal mee aan te geven: 0, 1, 2 (...) 7, 8, 9 dus. Een getal is de 'uitdrukking van een veelheid' (die overigens ook uit één cijfer kan bestaan). Vertaald naar taal: zoals je met letters een woord kunt vormen, kun je met cijfers een getal vormen.

Maar een 'cijfer' kan daarnaast ook duiden op een 'uitgedrukt getal', denk bijvoorbeeld aan het geboortecijfer, of aan de dagelijkse coronacijfers. Als er op een dag 6.782 besmettingen bij zijn gekomen, zijn de cijfers van de dag niet 6, 7, 8 en 2, maar is het dagcijfer 6.782.

Maar dat cijfers voer kunnen zijn voor discussie, is duidelijk. Piet van der Vlugt schrijft: 'In de krant van 3 december is sprake van 'elke drie jaar' de helft van de Eerste Kamer verversen, maar ook 'om de drie jaar'. Dit laatste is m.i. foutief taalgebruik: om de drie jaar is iedere zes jaar.'

Zou het echt? Waar ik drie zeg, bedoel ik zes - dat klinkt een beetje als dat kaartspel uit Jiskefet.

Als we de Taalunie mogen geloven, is 'om de [aantal] jaar' wel degelijk een synoniem van 'elke [aantal] jaar', als dat aantal twee of hoger is tenminste: de Olympische Spelen vinden om de vier jaar plaats (ja nee, dit keer niet inderdaad, maar daar gaat het nu niet om). Onder de twee geldt de verdubbelende redenering van Van der Vlugt wel: 'om het jaar' betekent 'elke twee jaar': de Biënnale van Venetië vindt om het jaar plaats (ja nee, die nu dus ook niet).

Kees Hiddinga klaagde eerder al eens over het in zijn ogen onterechte gebruik van de term 'dubbele cijfers', als een getal van 10 of hoger wordt bedoeld. 'Tot voor kort weermannenjargon', volgens hem, al jaren vaste prik bij erg hoge voetbaluitslagen volgens ons, en vermoedelijk geïnspireerd op het Engelse double digits.

Wie op internet naar de term op zoek gaat, komt al snel in het esoterische hoekje terecht: 'Zie jij altijd dubbele cijfers op de klok? Daar zit een betekenis achter.' Gelul natuurlijk, maar taalkundig niets mis mee, zal ook Hiddinga beamen.

Handvaten vereeuwigen

Alom afkeuring en bestraffende woorden van onze lezers naar aanleiding van deze kop in de krant van 16 december: 'Hoog tijd voor betere handvaten om YouTube en Facebook te beteugelen'. De auteur 'moet toch weten dat je het woord 'handvatten' met twee t's spelt en niet met één t', schrijft Pim van Doesburg. Nu is de auteur in de meeste gevallen niet degene die de kop boven een artikel verzint, dat doet doorgaans de eindredactie. En die weet (of zoekt het even op en leest dan) dat het aantal t's in het meervoud van 'handvat' wel degelijk mag variëren.

Neem het advies van Onze Taal: 'Handvaten en handvatten zijn allebei correct. Handvatten is de oudste vorm; daarom krijgt dit meervoud nog steeds vaak de voorkeur. Alle recente naslagwerken, ook de officiële, vermelden echter beide meervouden.'

De klagers deden klaarblijkelijk geen moeite om hun klacht eerst even te verifiëren, maar klommen direct in het toetsenbord. Of ze moeten Wolters' Ster Woordenboek Nederlands Kleine Koenen (lange naam trouwens, voor zo'n dun boekje) uit 1983 in de kast hebben staan, dat maakt inderdaad alleen melding van 'handvatten' als meervoud. Maar dat kun je inmiddels ook niet meer als 'recent naslagwerk' beschouwen.

Joost van Leeuwen wijst ons op een opvallende zin in de necrologie van Bram van der Vlugt (19 december), de acteur die onder meer jarenlang de rol van Sinterklaas voor zijn rekening nam: 'Van der Vlugt heeft als serieus acteur nooit last gehad van zijn vereeuwiging met onze nationale kindervriend.'

Het gaat mis bij die vereeuwiging: 'vereeuwigen' betekent 'voor het nageslacht vastleggen', zegt Van Leeuwen terecht. Als je een foto maakt van een acteur met een golvende snor-baard-haarcombinatie en een rode mijter, kun je spreken van het vereeuwigen van onze kindervriend. Maar dat werd hier niet bedoeld. Bovendien klinkt het door het voorzetsel 'met' alsof Van der Vlugt met Sinterklaas op de foto is gegaan (en daar nooit last van heeft gehad).

Waar de zin in het artikel op doelt, is het kennelijk uitgebleven swiebertje-effect, het verschijnsel waarbij, aldus Wikipedia, 'een acteur met één specifiek personage vereenzelvigd wordt'. Vereenzelviging, dat had er dus moeten staan, concludeert ook Van Leeuwen. En dan valt het ongelukkige voorzetsel 'met' ook ineens op zijn plaats: de acteur heeft nooit last gehad van de vereenzelviging met zijn kindvriendelijke alter ego.

Niet iedere criticus is een zeikerd

'Al geruime tijd erger ik me aan het gebruik van 'criticaster' waar gewoon 'criticus' beter op zijn plaats is', schrijft Monica Meijsing. 'Ik vermoed dat ik een achterhoedegevecht voer, maar iedere keer als ik het woord tegenkom, stoort me dat. Ik moet me dan bewust realiseren dat er niets lelijks over de kritiek-uitoefenaar gezegd wordt en er gewoon 'criticus' mee bedoeld wordt.'

Mocht het inderdaad een achterhoedegevecht zijn, dan is het in die achterhoede in elk geval nog best gezellig: Meijsing is namelijk al de vierde in relatief korte tijd die over deze kwestie aan de bel trekt bij ons taalloket, verzamelplaats voor critici, criticasters en andere vrienden van de taalpagina.

Iemand die 'kritiek' (een beoordeling) produceert, is een 'criticus'. Dat woord is vrij letterlijk ontleend aan het Latijnse criticus, 'beoordelaar', dat op zijn beurt is ontleend aan het Griekse kritikos, dat weer verwant is aan het werkwoord krinein, 'onderscheiden'. Deze neutrale achtergrond ten spijt heeft het woord in het Nederlands een iets negatievere connotatie gekregen. Het woordenboek noemt als eerste betekenis 'iem. die iets of iem. (streng of ongunstig) beoordeelt', en als tweede pas de neutralere betekenis, die van een recensent die zijn mening geeft.

Maar als het gaat om iemand die het ergens grondig mee oneens is, is 'criticus' voor sommigen blijkbaar niet negatief genoeg. Of niet overtuigend genoeg. Of, zoals Piet van Thiel zegt: 'Soms verdenk ik gebruikers van 'criticaster' ervan dat ze dat woord gewichtiger vinden klinken dan 'criticus'.'

Wij steunen Van Thiel van harte in deze verdenking. Want dat is dus precies waar het misgaat: 'criticaster' is niet zozeer een gewichtiger woord als wel een ander woord.

'Ik associeer 'criticaster' meer met begrippen als 'zeurpiet'', schrijft Arjen Markus. Daarin heeft hij groot gelijk. Volgens de Van Dale is een criticaster gewoon een enorme zeikerd, of, zoals het woordenboek het zelf liever verwoordt: 'iem. die iets of iem. streng, vooral ongunstig of kleingeestig, beoordeelt, syn. muggenzifter, vitter'. En dat was natuurlijk niet wat bijvoorbeeld de redacteur die Nancy Pelosi een 'Trump-criticaster' noemde in zijn achterhoofd had.

'Ik wil niet uitsluiten dat het woord 'criticaster' inmiddels de betekenis van 'criticus' heeft gekregen', zegt Markus er nog bij. Maar vooralsnog lijken we dat wel te kunnen uitsluiten - totdat deze trend zich zo hardnekkig blijkt door te zetten dat het woordenboek het nodig vindt er melding van te maken.

Een lockdown in Bavaria

Sinds hij met pensioen is, wordt hij vaak aangeduid met 'pensionado', aldus, vorige week in deze rubriek, Herman Vogt, die eraan toevoegde dat hij niet van plan was in Spanje te overwinteren. Alida Mooy reageert: 'Toen ik een paar jaar geleden weer eens in Spanje was, kwam ik erachter dat het woord pensionado daar helemaal niet zo vaak wordt gebruikt. Een gepensioneerde wordt daar een pensionista genoemd.'

Of een retirado, schrijft Agnes Nobel. Ja, zegt Egbert Odijk, of een jubilado. 'Pensionado's vinden we op de Antillen.' (Kent u nóg meer Spaanse woorden voor 'gepensioneerde'? Laat het ons weten!)

Diezelfde Antillen worden overigens ook als voorbeeld genoemd in Van Dale, dat de 'pensionado' bovendien een zweem van belastingontwijking meegeeft: ze zouden hun toevlucht zoeken tot 'een warm en meestal fiscaal vriendelijk land'.

Zo, nu eerst een flinke mispeer uit de krant van afgelopen dinsdag. Toen buitelden de lezers aan ons taalloket over elkaar heen van opwinding (wel keurig op anderhalve meter uiteraard), nadat een artikel in de kolom met wereldwijde corona-statistieken melding had gemaakt van een 'lockdown in Bavaria'.

'Wordt de brouwerij gesloten?', schreef Garmt de Vries geschrokken.

Fraai gebruik van de klassieke, Latijnse naam van Beieren, hoopten we nog. Maar nee, helaas, gewoon iets te klakkeloos overgenomen uit een Engelstalig persbericht en vervolgens, opvallend genoeg, door iedereen over het hoofd gezien. Net als eSwatini trouwens, oftewel Swaziland, dat een een paar maanden geleden in de krant opdook.

Misschien doordat het een wat on-Engels woord is, Bavaria - het zou maar zo kunnen dat de redacteur er niet eens de naam van de Duitse deelstaat in herkende.

Puck van der Meer vraagt: 'Ben ik nou de enige die zich ergert aan taalgebruik als 'een paar weken terug' of 'een tijdje terug'?' Nee, waarschijnlijk niet, want een paar weken terug mailde Anny van Diggelen ons ook al over deze kwestie: 'Het valt mij op dat de meeste mensen tegenwoordig 'twee weken terug' zeggen, terwijl ik dacht dat het 'twee weken geleden' moet zijn. Ik wil heel graag weten of dit in de Van Dale staat, of dat het slechts spreektaal is.'

Deze kwestie kunnen wij vrij kort schriftelijk afdoen. 'Terug' heeft volgens Van Dale als betekenis nr. 6: 'geleden'. Dus het mag. Ook de altijd handige website taaltelefoon.be (met taaladvies van de Vlaamse Overheid) is er duidelijk over: 'In een tijdsbepaling is zowel geleden als terug correct. Er is geen betekenisverschil.'

Op zoek naar valabele gallicismen

‘U heeft nood aan gallicismen’, constateert Aad van den Enden, waarmee hij de teller alvast op één zet. Hij wijst op een Vlaams onderzoek naar gallicismen in dagbladen, waarvoor ook de Volkskrant werd uitgeplozen. Dat leidde tot woorden als ‘aankomstlijn’ (eindstreep, van ligne d’arrivée) en ‘rondpunt’ (rotonde, van rond-point). De onderzoeker constateert ‘dat gallicismen veel vaker voorkomen in Vlaamse dagbladen’.

Dat dachten wij al. Voor het betere gallicisme moet je niet meer in Nederland zijn; dat haalt zijn inspiratie nu immers voornamelijk uit westelijke richting, terwijl in Vlaanderen de Franse invloeden nog altijd omnipresent zijn.

Zo wijst Jan Julia Zurné ons op een column van haar Vlaamse vriend, die drie jaar geleden naar Nederland verhuisde. Die schreef: ‘Niet enkel gebruiken we in het Vlaams vaak Franse woorden zoals chauffage (verwarming) of camion (vrachtwagen). Nog vaker sluipen er leenvertalingen uit het Frans in mijn, euh, vocabulaire.’ Zo liet hij eens iemand ‘iets op punt zetten’, een letterlijke vertaling van mettre à point (op orde brengen).

Maar als het aankomt op de invloed op het Nederlands, haalt het Engels het dus op het Frans. (Die was voor gevorderden.) Die dominantie gaat zelfs zover dat ordinaire gallicismen soms voor anglicismen worden aangezien. Zo vreest M.L.A. van Asperen de Boer-Eichholtz ‘dat veel mensen het werkwoord ‘adresseren’, in plaats van ‘zich richten tot’, tot de anglicismen rekenen’. Dat doen ze dan wel om enigszins valabele reden, want hoewel to address ooit via het Frans het Engels is binnengekomen (zoals veel meer woorden van Latijnse origine), was het recentelijk het Engelse woord dat het Nederlands een zetje gaf, niet het Franse.

En Gerard de Bot is niet akkoord met ‘de verhaspeling van woorden uit de maritieme sector’ tot termen als ‘marien onderzoek’ en ‘mariene biologie’. Volgens hem ‘een gedrocht van een gallicisme/anglicisme, dat een Nederlands poldermodel opgeleverd heeft’.

Er kwamen maar weinig barbarismen binnen uit het overige Romaanse taalgebied, maar wat wilt u. ‘Sinds ik met pensioen ben, word ik vaak aangeduid met ‘pensionado’, aldus Herman Vogt. ‘Ik ben toch echt niet van plan om in Spanje te gaan overwinteren.’

En Ruurd Okkerse valt over de ‘panini met mozzarella’. ‘Waarom niet gewoon een ‘broodje’?’ Hij wijst erop dat het Italiaanse panini bovendien de meervoudsvorm is. Van Dale spreekt inderdaad braaf van één ‘panino’ – maar dat gaat geen hond hier meer zeggen, durven wij wel te beweren.

Luisteren, beluisteren of luisteren naar?

José Hurkmans mailt: ‘In de column van Eva Posthuma de Boer las ik het weer: mijn man luistert een programma. Het moet toch zijn ‘luisteren naar’? Of mag het allebei?’ En Max van Leeuwen zag in de Volkskrant ‘een kleine annonce’ met de tekst: ‘Luister de driedelige podcast over drillrap’. En ook hij zegt: ‘Volgens mij moet hier staan ‘beluister’ of ‘luister naar’.

Kijken en luisteren zijn allereerst inderdaad onovergankelijke werkwoorden: ze vereisen geen lijdend voorwerp; pas als je er ‘naar’ aan toevoegt, kan er een lijdend voorwerp achter. Ook het prefix ‘be-’ kan (sommige) onovergankelijke werkwoorden overgankelijk maken: ‘ik tast in het duister’ > ‘ik betast jou in het duister’. En in het geval van kijken/luisteren: ik bekijk de stad, ik beluister de opname.

Maar ‘kijken’ bestaat ook in overgankelijke vorm, en dan vooral in combinatie met woorden als ‘tv’ en ‘film’: ‘ik kijk tv.’ (Een tv bekijken/naar een tv kijken doe je in de winkel.) In die context is ‘luisteren’ blijkbaar dezelfde route gaan bewandelen, vandaar de hierboven betwijfelde vorm ‘ik luister een programma/podcast’. Overigens is hier de optie met ‘naar’ ook nog steeds prima: ‘ik luister naar de radio.’

Henk Meeuwsen las over een ‘koude temperatuur’ en schrijft: ‘Ik heb altijd begrepen dat temperaturen ‘hoog’ of ‘laag’ zijn en hoop dat dit nog steeds zo is.’

Dit is inderdaad een contaminatie; misschien iets subtieler dan ‘duur kosten’ (de liefdesbaby van ‘duur zijn’ en ‘veel kosten’), maar er worden wel degelijk twee constructies – grofweg ‘het is koud’ en ‘de temperatuur is laag’ – onheus gecombineerd. De ‘koude temperatuur’ kun je vergelijken met de eveneens foutieve ‘dure prijs’ en ‘oude leeftijd’. Die laatste is trouwens een rare: ‘op jonge leeftijd’ mag wel, maar de tegenhanger is ‘op hoge/latere leeftijd’.

Rob Metz komt met een ingewikkelder variant. Volgens hem is het ‘onjuist om te spreken van een ‘snelste’ tijd, en spreek je van een goede of slechte tijd’.

Zoals in ‘koud’ al een zekere temperatuur verscholen zit, en in ‘duur’ een prijsniveau, duidt ‘snel’ inderdaad al op iets tijdgerelateerds. Toch is de ‘snelle tijd’ in sportverslagen algemeen aanvaard, waarschijnlijk omdat ‘tijd’ daarbij niet duidt op ‘de tijd’ in het algemeen, maar op het resultaat van een wedstrijd: een hoge score, een verre sprong, een snelle tijd.

(Blijf overigens vooral uw gallicismen insturen – de oogst tot dusver is van het niveau hongersnood.)

Germanismen

U stoort zich aan luie leenvertalingen uit het Duits. Hoe erg is zo’n germanisme?

Het punt met barbarismen is: naarmate ze meer voorkomen, leiden ze vaker tot ergernis. Het Engels is overal, daar komen anglicismen van, en die gaan irriteren – zie hiernaast. Maar zodra (de kennis van) een vreemde taal zeldzamer wordt, zoals hier het geval is met het Frans, ga je barbarismen juist eerder koesteren. (Epateren, mooi toch?)

Ergernis om germanismen is vooral een generatiekwestie, zo blijkt wel uit onze lezerspost. Woorden die door oudere lezers worden aangestipt als storend, zullen door mensen van na 1970 vaak niet eens worden herkend als Duitsig.

‘Zo’n 55 jaar geleden leerde ik van mijn leraar Nederlands, dat meerdere een germanisme is. In het Nederlands gebruik je ‘verschillende’ of ‘verscheidene’’, schrijft A.M. ten Hoonte-Claus.

(Weet u wat trouwens ook een germanisme is? Een komma voor ‘dat’.) Maar daar heb je het dus al: zo’n 55 jaar geleden. Voor wie het nog niet wist: taal staat niet stil. Het gemiddelde woordenboek doet inmiddels al niet eens meer moeite om de Duitse oorsprong van ‘meerdere’ te benoemen. En toch stipten, eh, verscheidene lezers dit woord aan. ‘Meerdere heeft bovendien in het Nederlands een eigen betekenis: iemand van hogere rang’, voegt Boy Bruijninckx toe. Dat klopt, maar dat is het zelfstandig naamwoord, en we hadden het hier over het onbepaald telwoord (of onbepaald voornaamwoord, zo u wilt).

Ook meermaals genoemd: grootmacht. ‘Op de hbs mochten wij dat woord absoluut niet gebruiken, schrijft Jacques Smits. ‘Het moest zijn: grote mogendheid.’ Maar op de hbs opgedane taalkennis biedt geen garantie voor de toekomst; ook daar is inmiddels alweer een halve eeuw ontwikkeling overheen gegaan. Smits voegt nog toe: ‘Volgens de Van Dale zal het wel weer goed zijn, maar sinds dit woordenboek ‘im Frage’ verkiest boven ‘in Frage’, kan ik dat niet meer serieus nemen.’ Daar heeft hij dan wel weer een punt.

Andere genoemde germanismen die bij lezers vanaf de patatgeneratie voor een glazige blik zullen zorgen:

– regerend wereldkampioen: ‘Wij hebben toch het volkomen toereikende ‘huidige’?’, meent Jos Odekerken.

– in gang zetten: Gerard de Bot hoort liever ‘op gang brengen’.

– kiezen voor: ‘Men kiest iets, en niet voor iets’, leerde Pea Aupers vroeger.

Over rottig Romaans horen we u bijna nooit. Stuur ons daarom eens uw meest odieuze gallicisme. Een hinderlijk hispanisme mag natuurlijk ook.

Genderneutrale voornaamwoorden

Merel van Kessel beklaagt zich over de recensie van het nieuwe album van zanger Sam Smith. ‘Hierin wordt consequent verwezen met ‘zijn’ en ‘hem’. Dit terwijl Sam Smith heeft aangegeven met genderneutrale voornaamwoorden aangesproken te willen worden.’ Ook Lucas Vermeer reageert: ‘Ik word er erg verdrietig van en verwacht een excuus.’

In diverse landen roepen belangenbewegingen op tot het gebruik van genderneutrale voornaamwoorden voor mensen die zich niet (meer) identificeren met de binaire gendercategorieën man of vrouw. In het Engels zijn dergelijke vormen al enige tijd vrij gebruikelijk; daar is gekozen voor they, them en their. In 2016 hield Transgender Netwerk Nederland (TNN) een verkiezing, waarbij hen (voor hij/zij en hem/haar) en hun (bezittelijke vorm) als winnaars uit de bus kwamen.

In zowel het Nederlands als het Engels is er dus voor gekozen bestaande voornaamwoorden een nieuwe, extra betekenis te geven. Maar waar they are in het Engels nog grammaticaal vertrouwd klinkt (onderwerp en persoonsvorm in meervoud), is dat in het Nederlands niet het geval: ‘Op Instagram schrijft de zanger dat hen heeft besloten zichzelf te accepteren zoals hen is’, aldus Linda.nl over Sam Smith.

Het probleem is dat je van they, dat waarschijnlijk de keuze voor het Nederlandse equivalent heeft beïnvloed, moeilijk ‘zij’ kunt maken, omdat dat woord al in gebruik is als vrouwelijke enkelvoudsvorm – precies een van de vormen waar voorstanders van non-binaire taal van af willen.

‘Heeft de Volkskrant een richtlijn voor het gebruik van voornaamwoorden voor mensen met een non-binaire genderidentiteit?’, vroeg een van onze muziekrecensenten zich af.

Vooralsnog niet. ‘Het gebruik van de in zwang zijnde woorden kan tot verwarring leiden (‘de kunstenaar en hun vader’), omdat het bestaande woorden zijn die een nieuwe betekenis (erbij) krijgen’, zegt de Stijlgroep op navraag. ‘Daarom is de Volkskrant daarmee terughoudend; als je ze gebruikt, moet je vooralsnog de context duiden. Op dit moment beraden we ons erover hoe we daarmee als krant moeten omgaan. Overigens moet je natuurlijk recht doen aan de wens van non-binaire mensen om op herkenbare wijze te worden aangeduid.’

Volgens TNN mag naast ‘hen’ overigens ook ‘die’ worden gebruikt. Dat zou vermoedelijk een grotere kans van slagen kunnen hebben, want dan klopt het grammaticaal tenminste weer.

Inburgering van een woord kun je proberen te bevorderen, maar niet afdwingen; het blijft afwachten of een woord breed aanslaat. Wat dat betreft lijkt het verstandig om woorden te kiezen die daartoe zo veel mogelijk kans maken.

Zaken buiten de invloedssfeer

‘Al jaren is mij niet duidelijk wanneer je een -n gebruikt achter woorden als ‘vele’’, schrijft Peter Visser. Hij las de kop ‘Overname Hema door Jumbo is voor beide een win-winsituatie’ en dacht: ‘Voor mijn gevoel is dat fout.’

Maar dat is het niet, want Hema en Jumbo zijn bedrijven en alleen als het om personen gaat, krijgen woorden als ‘vele’ en ‘beide’ een -n (tenzij er een zelfstandig naamwoord op volgt, zoals in ‘beide personen’). Dus de kop klopt.

Nee, die klopt niet, zegt Marijke von Bergh, want ‘voor beide een win-winsituatie’ is een pleonasme. ‘‘Win-win’ betekent dat beide er beter van worden; ‘voor beide’ had er dus uit gemoeten.’ Ook Marco Maes was dit opgevallen: ‘Typisch een gevalletje ‘dubbel openslaande porte-briséedeuren’, zoals wij dat thuis noemen.’

Dick Geeraths klaagt over een ‘verkeerd gebruik van ‘mikken’ door voetbalverslaggevers. Regelmatig hebben die het over ‘naast’ of ‘over’ mikken. Heren commentatoren, ‘mikken’ betekent dat je iets probeert te raken. Geen voetballer probeert naast te schieten.’

Geeraths lijkt het vooral te hebben over commentatoren op radio en tv. Nu draait het in deze rubriek om de taal van de Volkskrant. Dat neemt niet weg dat er wel vaker klachten binnenkomen over zaken die deels of geheel buiten onze invloedssfeer liggen. Over ‘het schreeuwerige taalgebruik van onze media en hun vertegenwoordigers’ bijvoorbeeld.

Of over taalfouten in de Regiobode, het huis-aan-huisblad voor de Oost-Veluwezoom.

Of over de verloedering van het taalonderwijs.

Of over de ‘storende’ uitspraak van woorden die met ‘wr’ beginnen: ‘Vrak in plaats van Wrak.’

Of over ‘de verkeerde uitspraak van het woord ‘normaliter’’.

Of over woorden als ‘gewoon’, ‘hoofd’ en ‘lopen’, die in ‘de gesproken nieuwsberichten’ worden uitgesproken als gewaun, haufd en laupen.

Of over ‘de uitgangs-n, die door steeds minder mensen op tv en radio wordt uitgesproken’. (‘Wat vindt u? En wat vinden mijn mede Nederlandse taalliefhebbers? En wat vindt Frits Spits hiervan?’)

Ook wij vinden dit allemaal heel erg, en Frits Spits vast ook, maar voor andermans taalgebruik kunnen wij nu eenmaal niet verantwoordelijk worden gehouden.

Maar om nog even terug te komen op dat ‘mikken’, ook de Volkskrant bezondigt zich hier af en toe aan, zoals in januari, in een verslag van de wedstrijd Spurs-Liverpool: ‘De onvermoeibare Moura speelde de bal naar Son, die hoog over mikte.’ Onze Heung-min schoot er vorig seizoen 18 in, dus met dat mikken zit het wel goed. Maar missen kan hij blijkbaar ook.

Techniek of technologie?

Frans Jan Huizer klaagt over ‘het verkeerde gebruik van ‘technologie’ waar ‘techniek’ bedoeld wordt’. Technologie, zegt hij, is een beschrijving van een techniek. ‘Als Fiat reclame maakt met ‘de nieuwste technologie onder de motorkap’, zou men daar een stapel papier moeten vinden die de nieuwe motortechniek beschrijft.’

Nu liggen weinig zaken zo ver uit elkaar als kennis van taal en kennis van techniek of technologie. Dat bewijst het taalgebruik op menige techsite, maar ook Lezerspost begeeft zich met dit onderwerp stevig buiten de eigen comfortzone.

We verschuilen ons daarom graag achter deskundige bronnen. Zo zegt expertisecentrum SLO, leerplanontwikkelaar voor het onderwijs: ‘Alles wat mensen hebben gemaakt (satellieten, kaas) hoort bij techniek. Technologie is ‘de wetenschap van techniek’, gericht op een specifiek doel (zoals het produceren van nieuwe dingen).’ Ook het woordenboek maakt dit onderscheid; binnen het lemma ‘technologie’ vinden we niets dat erop duidt dat dit óók een synoniem van ‘techniek’ kan zijn.

Dit alles lijkt er, kortom, op te duiden dat Huizer gelijk heeft.

Maar SLO zegt ook: ‘Technologie wordt in het dagelijks spraakgebruik ook vaak gebruikt voor een cluster van verschillende moderne technieken, bijvoorbeeld de ruimtevaarttechnologie.’

En dat is nu precies het punt. Waar het woordenboek stil lijkt te staan, heeft zich in de praktijk wel degelijk een verschuiving voorgedaan.

In de Volkskrant stond recentelijk dat sommige ‘aanbieders van mobiele technologie’ standaard Google installeren als zoekmachine. En dat Nasa miljoenen uittrekt voor bedrijven die ‘technologie kunnen leveren’ voor hun maanlandingsprogramma. Iedereen begrijpt dat het in deze gevallen gaat om apparatuur, en niet puur om de beschrijving daarvan.

We halen graag even een stokpaardje van stal: ook het Engels speelt in deze kwestie ongetwijfeld een rol. Technology betekent allereerst hetzelfde als ‘technologie’ (beschrijving van techniek), maar wordt daarnaast óók gebruikt als het gaat om de toepassing daarvan, waarmee het dus opschuift van de beschrijving naar de techniek zelf. Mede onder invloed van het Engels, de wereldwijde voertaal in de wetenschap, lijkt ook het Nederlandse woord ‘technologie’ in die richting te zijn opgeschoven.

In Van Dale vind je ‘ruimtevaarttechniek’, maar ook ‘ruimtevaarttechnologie’. Wie denkt daarbij daadwerkelijk aan twee verschillende dingen? Op navraag zegt de chef Wetenschap van de Volkskrant dat hij, nota bene als ‘afgestudeerd ingenieur lucht- en ruimtevaarttechniek’, nooit echt bij dit vermeende verschil heeft stilgestaan. Naar zijn weten is deze vraag hem in al die jaren ook niet eerder gesteld.

Daar moesten de lezers van de taalpagina aan te pas komen.

Een onsje te veel ‘wel’ en ‘weer’

De Volkskrant lijdt onder het wel-virus’, vindt Geert Bruinooge. ‘6 oktober: ‘Russische gaspijp gaat Europa misschien wel niet halen’, 8 oktober: ‘Is de beurs wel al immuun voor het virus?’ Mag het een onsje minder?’

De aanwezigheid van ‘wel’ is vaak te verklaren, maar soms is het woord inderdaad overbodig. In de eerste zin heeft het wel degelijk een functie: het drukt een vermoeden uit en brengt daarmee een nuance aan in de kans op waarheid die het woord ‘misschien’ biedt. Alleen is de combinatie met ‘niet’ ongelukkig; ‘wel’ had daarom ook best weg gemogen.

De tweede zin was de kop boven een artikel waarin stond: ‘Het volk is nog lang niet immuun voor het virus, de beurzen wel.’ Wel als contrast met niet: zonder meer functioneel. Alleen die vreemde woordvolgorde... ‘Is de beurs al wel immuun voor het virus?’ was hier mooier geweest.

Dik Smolders ergert zich aan een ander w-woord: ‘In de Volkskrant zie ik regelmatig dat ‘weer’ overbodig of foutief wordt gebruikt. Voorbeeld: ‘Die verklaring trekt hij later schielijk weer in.’ Hoezo ‘weer’? Had hij die verklaring al eerder ingetrokken? Nee, dus er had moeten staan: ‘Die verklaring trekt hij later schielijk in. En: ‘Sommige patiënten kunnen we dan weer direct met beleid terugverwijzen.’ Waren die patiënten al eens terugverwezen? Vast niet.’

De klacht is op zich begrijpelijk, maar Smolders maakt een denkfout: dat ‘weer’ in alle gevallen de betekenis ‘opnieuw’ in zich draagt. Dat is namelijk niet het geval. Van Dale onderscheidt allerlei nuances in de betekenis van dit bijwoord; zo fungeert het onder meer als ‘uitdrukking van irritatie’ (wat nu weer?), ‘om voortzetting aan te duiden’ (we gaan maar weer) en bij een ‘terugkeer naar vroegere toestand’ (hij is weer beter). In die laatste categorie past ook Smolders’ eerste voorbeeldzin, en met een beetje goede wil ook de zin over ‘sommige patiënten’; daarin hoort ‘weer’ immers bij ‘terug(verwijzen)’.

Tot slot: Hanny van Geleuken stuurde een interessante aanvulling op de kwestie van afgelopen week. Daarin waren we het eens met een lezer die vond dat in de zin ‘de hoge woningprijzen zijn te danken aan de hoge huren’ eigenlijk ‘te wijten’ had moeten staan. Maar volgens Van Geleuken hangt dat af van het perspectief van de schrijver: ‘Als ik een leuk huis heb verkocht, voor veel geld, dan is het danken en als ik graag iets wil kopen en het niet kan betalen, dan is het wijten.’

Debet of credit, wijten of danken?

Tijdens de Tour de France las Wouter Looman een Volkskrant-artikel waarin Jumbo-rijder Roglic (knap 2de in het eindklassement) de vraag kreeg ‘of het gebruik van ketonen debet is aan het sterke optreden in Frankrijk’. ‘Debet is toch negatief?’, schrijft Looman. ‘Maar kun je dan zeggen: credit is?’

Nee, ‘credit zijn aan’ bestaat niet (waarom eigenlijk niet?), maar ‘debet aan’ klopt hier inderdaad ook niet, want dat betekent ‘schuldig aan’. Misschien heeft de lichte geur van doping rondom ketonen onbewust meegespeeld bij de keuze voor ‘debet’, als zou de energiebron op oneigenlijke wijze hebben bijgedragen aan het sterke optreden. Hoe dan ook, beter was iets geweest als: ‘...of het gebruik van ketonen heeft bijgedragen aan...’

Een min of meer verwante taalkwestie betreft het gebruik van ‘te danken aan’ waar ‘te wijten aan’ zou moeten staan en, in het verlengde daarvan, het gebruik van ‘dankzij’ in situaties waarin weinig te danken valt. Zo noemt Minne Dijkstra een zin uit de Volkskrant van 4 september: ‘De hoge woningprijzen in de hoofdstad zijn te danken aan de hoge huren en de lage rentestand.’ Dat had ‘zijn te wijten aan’ moeten zijn, of ‘worden veroorzaakt door’, aldus Dijkstra.

Onze conclusie is nu eens niet: ‘de lezer zou vroeger gelijk hebben gehad, maar inmiddels is dit volstrekt geaccepteerd Nederlands’. Dijkstra heeft gewoon gelijk: als iemand of iets ergens schuldig aan is, krijgt ‘te wijten aan’ in de standaardtaal de voorkeur.

Toch kun je ook in deze zaak een klein voorbehoud maken. Neem een zin als ‘De Hongkongse autoriteiten hebben de escalatie deels aan zichzelf te danken’, waarop Gert-Jan van Leem ons vorig jaar wees. Die voelt al een stuk minder ‘fout’ aan. Dat zit zo, legt de Taalunie uit: ‘In twee gevallen is het wel correct om danken in een negatieve betekenis te gebruiken: in een ironische betekenis of als het betekenisaspect ‘door eigen toedoen’ aanwezig is.’ En dat laatste is in de zin over Hongkong het geval.

De vrijstelling wegens ironie (of sarcasme of cynisme) geldt, afhankelijk van de context, ook voor ‘dankzij’. Jacques de Jong stuurde ons twee jaar geleden al eens wat zinnen uit de Volkskrant waarin dat woord volgens hem ten onrechte werd gebruikt. Een daarvan komt echter in aanmerking voor dispensatie: ‘Dankzij de buitenlanders mogen we dus onze eigen hunebedden niet meer op.’ Als hier een chagrijnige Drent aan het woord is, dan spat dankzij ‘dankzij’ het cynisme van de boodschap af.

Brij en brei

Vorige week ging het over woorden die op elkaar lijken, schijnbaar iets anders betekenen, maar uiteindelijk toch óók synoniemen blijken (zoals ‘bevattelijk’ en ‘vatbaar’). De gedachte aan het Nederlands als ‘één grote brij van woorden die min of meer hetzelfde betekenen’ drong zich op. Godzijdank hadden we ‘brij’ in die zin correct gespeld, want dat blijkt in de Volkskrant allerminst een zekerheid.

In maart werd er al eens ‘om de hete brei heen’ gedanst, signaleerde Ineke Merkus. En nu stuitte Gert Stuve in een artikel over de kosten van de Olympische Spelen op het woord ‘cijferbrei’. ‘De korte en de lange ei zijn bleikbaar niet eenvoudig’, kopt Stuve in.

Over brij gesproken: er ging afgelopen week iets niet helemaal goed in het artikel van Teun van de Keuken, die een veganistisch dieet uitprobeerde. ‘Op een gegeven moment raak ik uitgekeken op weer humus, weer baba ganoush en weer pindakaas’, schreef hij. ‘Logisch’, schrijft Rien Wisse, ‘tuinaarde is ook niet om te eten. Probeer hummus: kikkererwtenpuree.’

Een paar dagen later meldt Wisse zich opnieuw. De Volkskrant blijkt nog steeds aan het breien, nu in het Magazine, waarin uitgelichte details van een schilderij worden omschreven als respectievelijk ‘spaghettibrei’ en ‘een explosieve brei’. ‘De auteur had even geen (taalkundig) Oog voor detail’, aldus Wisse.

Een woord dat u hopelijk nooit met ‘ei’ geschreven zult zien, is ‘tijd’ – maar in een samenstelling met -slot ontstaan weer geheel nieuwe uitdagingen. Anetta de Jong schrijft: ‘Het inmiddels in de museumwereld ingeburgerde ‘tijdslot’ wordt in het meervoud vaak ‘tijdsloten’. Maar wat hier wordt bedoeld is toch een Engels slot, met als meervoud slots?’

Klopt, het gaat in deze context niet om een ketting- of hangslot, maar om, aldus Van Dale, een ‘plaats (in programma)’. Het woord ‘tijdslot’ – een vaste begin- en soms eindtijd aan een toegangskaartje – is dus half Engels. Er zijn wel nog pogingen ondernomen om er een volledige vertaling van te maken; dat werd dan bijvoorbeeld ‘tijdvenster’, maar dat woord is dit jaar in coronatempo gesneuveld.

En inderdaad, het meervoud is dan dus niet ‘tijdsloten’ (en ook niet ‘tijdslotten’) maar, conform het Engels, tijdslots. Dat woord druist alleen wel een beetje in tegen het taalgevoel, wellicht verklaart dat het gebruik van de Nederlandse meervoudsvorm. En wat natuurlijk ook niet meehelpt, is dat er wel degelijk ‘tijdsloten’ bestaan: van die afsluitmechanismen die bijvoorbeeld een kluis pas na een tijdje laten opengaan.

Vatbaar en bevattelijk

‘Taal is dynamisch’, mailt Peter Sloep ons, ‘en uiteindelijk is de taalgebruiker (collectief) de baas over de ontwikkeling van een taal en niet de taalpurist. Maar een uitzondering moet je maken voor taalgebruik dat tot verwarring leidt. Het duo ‘vatbaar’-‘bevattelijk’ is daar een voorbeeld van. Iets (een situatie) is bevattelijk, namelijk al of niet begrijpelijk voor de aanschouwer ervan. Een mens (of dier) is vatbaar, meestal voor een infectieziekte. En wat schrijft de Volkskrant vandaag (15 augustus): ‘Omdat dit een nieuw virus is, zijn extreem veel mensen er bevattelijk voor.’’

Nu wil het geval dat Van Dale bij het woord ‘bevattelijk’ óók als betekenis ‘vatbaar’ vermeldt, en vice versa (naast, uiteraard, de betekenissen die Sloep noemt, want een beetje woordenboek komt niet met één betekenis, maar met twee of drie, of elf). Dus formeel gezien – en wij zijn graag formeel – is de geciteerde zin juist. Maar Sloep heeft natuurlijk wel degelijk een punt: de taal wordt er niet helderder op als het best nuttige onderscheid tussen dit soort woorden vervaagt of verdwijnt.

Een soortgelijk niet-strikt maar potentieel nuttig onderscheid bestaat tussen ‘zorgelijk’ en ‘zorgwekkend’. R.T. de Boer las op 14 augustus de kop: ‘Hoe zorgelijk is met corona besmet kippenvlees?’ De Boer: ‘Mijn oma was een zorgelijk type. Maar nu lijken niet alleen kippen, maar zelfs hun vlees zorgen te kunnen hebben.’

Nee, niet helemaal waar, want, zo zegt Onze Taal: ‘zorgelijk en zorgwekkend hebben de betekenis ‘verontrustend’ gemeen. Dat zorgelijk ook andere betekenissen heeft, is nog geen reden om het in de betekenis ‘verontrustend’ af te keuren.’

Waar gaat dit heen, vraagt u zich af – wordt de Nederlandse taal langzaamaan één grote brij van woorden die allemaal min of meer hetzelfde betekenen? (Nee, natuurlijk niet.) Tot die tijd heeft deze taalrubriek in ieder geval bestaansrecht. Want als het gaat om woorden die op elkaar lijken, kunnen er nog steeds dingen écht misgaan. Vooral woorden die radicaal van betekenis veranderen zodra je ze minimaal wijzigt (de categorie katheder-katheter) zijn een aandachtspuntje. Voilà de krant van 11 september, met daarin de volgende parel: ‘...de schrik bij [de ziekenhuisdirecteur] als hij ziet dat het moratorium extra koelcontainers bijplaatst’.

‘Mortuarium, moratorium; ach joh, dat scheelt maar een paar letters. Doen we niet moeilijk over in deze kwaliteitskrant’, schrijft Piet van der Vlugt. Online is de fout inmiddels aangepast; op papier wachten de containers voor eeuwig op de juiste bestemming.

Koningslied-achtige constructies

Op 4 september struikelde Piet Vermeer over de volgende zin in de krant: ‘Ze markeren een breuk in wat mensen denken dat politiek wel en niet mogelijk is.’

Is dit de constructie die je wist dat zou komen? De ellende spat er misschien niet zo van af als in de beruchte zin uit het nogal taalarme Koningslied (2013), maar toch lijkt hier iets soortgelijks mis te gaan.

Net als in ons muzikale cadeau voor de koning (‘de dag die je wist dat zou komen’) schuilt het probleem hier in de twee ogenschijnlijke betrekkelijk voornaamwoorden: ‘een breuk in wat mensen denken dat (...) mogelijk is’.

In een ideale wereld heeft een betrekkelijk voornaamwoord ergens betrekking op: ‘die’ op een de-woord, ‘dat’ op een het-woord en ‘wat’ op bijvoorbeeld een hele zin. Dus is het, zoals Vermeer terecht opmerkt, hier de vraag waar ‘dat’ op terugslaat. ‘Er is helemaal geen het-woord waarop het terug kan slaan!’

Bovendien blijkt dat ‘dat’ in beide zinnen eigenlijk ook helemaal niet als betrekkelijk voornaamwoord fungeert, maar als onderschikkend voegwoord, oftewel als woord dat een bijzin inleidt. En dat maakt de constructie er alleen maar onmogelijker op.

Na correctie zou de koningszin moeten luiden: ‘de dag waarvan je wist dat die zou komen’. Analoog hieraan zou de (complexere) zin uit de Volkskrant moeten luiden: ‘een breuk in dat(gene) waarvan mensen denken dat het politiek wel en niet mogelijk is’. Of, gewoon een stuk eenvoudiger: ‘een breuk in wat volgens mensen politiek wel en niet mogelijk is’.

De zin uit de Volkskrant betrof overigens een citaat uit een (oud) interview, en in spreektaal vallen dubieuze constructies doorgaans minder op dan in geschreven tekst. Dat betekent overigens niet dat de krant klakkeloos moet overnemen wat een geïnterviewde zegt; enig taalkundig oppoetsen is wel degelijk gewenst. De auteur of eindredacteur had er hier dus best iets mooiers van mogen maken.

Dan nog kort iets anders: een klacht die ons eens per twee weken bereikt is die over bijvoorbeeld een minister die ‘het vuur aan de schenen wordt gelegd’. Dat moet natuurlijk ‘na aan de schenen’ zijn, vertellen de klagers ons consequent.

Maar net zo consequent zijn de naslagwerken en taalinstanties, die geen enkele moeite hebben met de variant zonder ‘na’. Niet geheel onlogisch: dat woord betekent immers ‘dichtbij’. Dus inhoudelijk verandert er weinig als je het weglaat; ook zonder ‘na’ ligt het vuur de minister nog steeds ‘aan de schenen’.

Heb ik of ben ik getest?

Graag uw aandacht voor een onderbelicht thema. Tot nog toe hebben we deze pagina redelijk coronavrij weten te houden, maar Lezerspost staat nu dan toch geheel in het teken van Het Virus.

Want ook een pandemie kent haar eigen taalkwesties. Zo zijn er lezers die de Volkskrant verwijten ‘te hameren op angst’ door het woord ‘besmet’ te gebruiken, waar volgens hen het vriendelijker klinkende ‘positief getest’ beter zou zijn. Een dergelijke aanmerking is eigenlijk meer van inhoudelijke aard (Waarom de dingen benoemen zoals ze zijn? Gebruik liever een eufemisme!), maar er komt ook post binnen over de puur taalkundige kant van de corona.

Jos van Koppen begint ook over ‘positief getest’, maar hij vraagt zich af welk hulpwerkwoord daarbij hoort: ‘Ik ben een aantal keren tegengekomen: ‘heeft positief getest’. Volgens mij wordt een test bij iemand afgenomen en test die persoon niet zelf positief; ‘is positief getest’ lijkt mij de correcte weergave.’

Klopt helemaal. Het verschil tussen ‘getest hebben’ en ‘getest zijn’ is dat tussen een actieve en een passieve constructie. En uit ervaring kunnen we melden dat een coronatest een volstrekt passieve aangelegenheid is: verdachte krijgt het wattenstaafje niet in de hand, voor een actieve zelftest, maar rechtstreeks in keel, neus en hersenen geschoven. Je test dus niet, maar wordt getest. In voltooide tijd: je hebt niet getest, maar bent getest.

Maar dan mailt Van Koppen nog eens: ‘Aanvulling op onderstaande: ook ‘is positief getest’ vind ik niet mooi. ‘Heeft een positieve uitslag gekregen’ lijkt me beter.’

Hebben we het allemaal voor niets uitgelegd.

Nog zoiets: wat is nu eigenlijk de juiste meervoudsvorm: GGD’s of GGD’en? ‘Voor beide is wel iets te zeggen’, meent Jacques Folkerts.

Onze Taal besteedde hier al eens aandacht aan. Een #taaltip uit 2018 luidde: ‘Een afkorting krijgt in het meervoud meestal de uitgang -s, ook als het volledige woord een andere meervoudsuitgang heeft: bv’s (besloten vennootschappen), azc’s (asielzoekerscentra).’ Op zijn website voegt het Genootschap hieraan toe: ‘Een uitzonderlijk geval is de afkorting GGD (Gemeentelijke Geneeskundige Dienst): daarvan is zowel het meervoud GGD’s als GGD’en juist.’

Een recente ontwikkeling, zou je zeggen, dat GGD’en. Iets met corona, en dat het volk ermee aan de haal is gegaan. Maar wat blijkt: het is al jarenlang goed intern gebruik bij de Dienst zelf. Al in juli 2019 tweette Onze Taal: ‘Naast ‘GGD’s’ is ‘GGD’en’ ingeburgerd geraakt doordat de GGD-organisaties zelf consequent ‘GGD’en’ schrijven en die vorm breder ingang heeft gevonden.’

Richting

Omdat zelfs de vastere gasten van deze pagina vermoedelijk niet ál onze taallesjes hebben gelezen, laat staan onthouden, komt het voor dat lezers klagen over kwesties die hier al eens eerder aan bod zijn gekomen. Zo komt op gezette tijden een klacht binnen over het gebruik van ‘richting’ als voorzetsel, dus in de betekenis van ‘naar’: ‘Neil Armstrong en Buzz Aldrin waren begonnen aan de afdaling richting maanoppervlak.’

‘Is naar zo’n naar woord?’, vraagt Rob Witteveen zich af. ‘Iedere columnist misbruikt het, journalisten en schrijvers ook, maar het ergst zijn de weerberichten.’

Wim van der Lee beklaagde zich vorig jaar inderdaad ook al eens over overmatig gebruik van ‘richting’ in de weerberichten in de Volkskrant. ‘Vrijdag gaat de temperatuur in Frankrijk en Spanje richting de 40 graden’, las hij, en hij schreef: ‘Het woord ‘richting’ is een zelfstandig naamwoord, geen voorzetsel. Dus: ‘naar’ of ‘in de richting van’ 40 graden. Wat ben ik toch streng.’

Erg streng inderdaad. Maar heeft hij ook gelijk? Dan moeten we onze conclusie uit januari 2018 herhalen: ‘Eigenlijk niet. Of: niet meer.’

De Dikke Van Dale maakt weliswaar alleen melding van ‘richting’ als zelfstandig naamwoord, maar nummer 5 van de negen vermelde betekenissen luidt: ‘(pregnant) in de richting van – ; synoniem naar: de reis ging richting Kerkrade’. Kortom, ook volgens het woordenboek mag je het wel degelijk als voorzetsel gebruiken.

In de voorbeeldzin uit het woordenboek is daadwerkelijk sprake van ‘een richting’ (die naar Kerkrade); wellicht dat het gebruik van ‘richting’ als voorzetsel bij sommige mensen dan iets minder aanstoot geeft. Maar in zinnen over oplopende temperaturen wordt het al een stukje figuurlijker – en dan is het voor de minder flexibele lezer waarschijnlijk moeilijker te pruimen.

Volgens Onze Taal, dat een voorbeeld uit een krant uit 1879 citeert, gaat het om ‘een relatief nieuwe manier om het woord ‘richting’ te gebruiken’. Wel wordt deze vorm, zo meldt op haar beurt de Taalunie, ‘vaker in gesproken taal gebruikt dan in geschreven taal’.

‘Bijna iedereen zegt het, maar daarmee is het nog niet goed’, beklaagt Van der Lee zich nog. Op zich juist, maar zodra een woordenboek en/of de officiële taalinstanties ermee aan de haal gaan, is er geen houden meer aan. Zo ontwikkelt een taal zich nu eenmaal, altijd al zo geweest – u had de klachten in deze rubriek in 1879 eens moeten lezen.

Ik heb of ik ben verloren

‘Veel te vaak lees ik het in de krant en hoor ik het om me heen: iemand is iets verloren’, schrijft Veronique Schaaf. ‘Naslag bij Van Dale leert dat bij het werkwoord ‘verliezen’ het hulpwerkwoord ‘hebben’ hoort.’

In dat woordenboek staat inderdaad, opvallend genoeg, ‘verliezen (verloor, h. verloren)’ – geen spoor van het hulpwerkwoord ‘zijn’. Terwijl dat wel degelijk mogelijk is. ‘Verliezen kan zowel met hebben als met zijn worden vervoegd’, zegt de Taalunie. Wel wordt er traditioneel vaak een onderscheid gemaakt tussen twee betekenissen: ‘kwijt raken’ en ‘kwijt zijn’. Ligt de nadruk op het kwijt raken, dan zou het hulpwerkwoord ‘hebben’ gebruikelijker zijn: ‘Ik heb zojuist mijn portemonnee verloren.’ Maar, aldus de Unie, ‘als het gevolg van de gebeurtenis of handeling wordt benadrukt, is ook de vervoeging met ‘zijn’ mogelijk’: ‘Ik zit zonder kleingeld, want ik ben mijn portemonnee verloren.’

Dit ‘ietwat kunstmatige onderscheid’ wordt niet door iedereen aangevoeld, weet de Taalunie, die daarom maar vaststelt: ‘Beide mogelijkheden zijn correct.’

Het maakt, kortom, eigenlijk allemaal niks uit: hebben of zijn, doe maar wat. Waar hebben we het eigenlijk over? Maar toch opvallend dat het woordenboek er (nog) anders over denkt.

Een iets duidelijker verschil doet zich voor bij het werkwoord ‘vergeten’, waarbij de hulpwerkwoorden ‘hebben’ en ‘zijn’ weliswaar vaak allebei mogelijk zijn (‘ik heb/ben mijn huissleutels vergeten’) maar ‘zijn’ de enige optie is als het gaat om ‘iets niet meer weten’ (‘ik ben vergeten hoe laat hij zou komen’).

Maar er zijn meer taalsituaties waarbij de hebben/zijn-discussie oplaait. ‘Weet u wat ook zo’n taalgruwel is?’, vraagt Ruurd de Pont uit Weert. ‘Ik had er graag bij geweest. Dit is natuurlijk zinledige kletskoek. Deze fout hoor je steeds meer, overigens vooral door personen uit het westen van het land. Let er maar eens op.’

Dat laatste beaamt Onze Taal (uit Den Haag): ‘had geweest’ hoor je inderdaad ‘iets vaker in het westen dan in het oosten van het Nederlandse taalgebied’. Maar nieuw is het niet: uit een onderzoek uit de jaren twintig bleek ‘dat het gebruik van ‘had geweest’ in het Middelnederlands [ca. 1200-1500] een algemeen verschijnsel was’, dat in de loop der tijd steeds meer uit de standaardtaal is verdrongen. Sindsdien kwam het nog wel eens voor ‘in zogenaamde ‘irrealiszinnen’: zinnen die een onwerkelijkheid uitdrukken (iets wat níét gebeurd is)’. Zinnen als ‘Ik had er graag bij geweest’ dus.

Bakzeil halen

Twee mails, de afgelopen maand, van Derk HilleRisLambers, die zich beklaagt over onjuist gebruik van de uitdrukking ‘bakzeil halen’. Het zit hem blijkbaar hoog. In een eerdere aflevering van Lezerspost over dezelfde taalkwestie, zo’n twee jaar geleden, werd hij al eens in het gelijk gesteld. Maar op zijn lauweren rusten zit blijkbaar niet in zijn aard, zolang de Volkskrant recidiveert.

Na een artikel op 27 juli over een interne tasjesdief (en zijn buit ter waarde van 3 cent), wiens ontslag bij winkelketen Action door de rechter nietig werd verklaard, weet HilleRisLambers zich vergezeld door twee medeklagers. Een zin in dit artikel luidde namelijk: ‘Het is de derde keer op rij dat Action (...) bakzeil haalt bij de rechter.’

Het winnende commentaar komt van Ton ten Barge: ‘Je haalt baklava bij de bakker, je haalt bakstenen bij de bouwmarkt en je haalt bakvlees bij de slager, maar je haalt geen bakzeil bij de rechter.’ Want, zo legt Gerrit van Rijssen uit: ‘Action heeft geen bakzeil gehaald, Action heeft rechtszaken verloren. En dus niet toegegeven, zoals de uitdrukking weergeeft.’

Even terug naar ons artikel uit 2018. Daarin schreven we: ‘[Bakzeil halen] betekent: achteruitkrabbelen, een minder hoge toon aanslaan.’ De conclusie, destijds: als het om een verloren geschil gaat, is een uitdrukking als ‘bot vangen’ beter op zijn plaats.

Maar wat blijkt, de schrik van menig taalpurist is weer eens bewaarheid: woordenboekenmaker Van Dale heeft geconstateerd dat de term met regelmaat op een nieuwe manier wordt ingezet, en heeft het lemma daarop aangepast. Een (waarschijnlijk recente) toevoeging in het onlinewoordenboek luidt namelijk: ‘bij uitbreiding een nederlaag lijden, het niet redden’. (Let wel: een woordenboek schrijft niet voor, althans, niet op eigen initiatief, maar volgt ontwikkelingen in het taalgebruik – en constateert soms dat die van lieverlee acceptabel zijn geworden.)

Dat Action een nederlaag heeft geleden, is wel duidelijk: het tasje had 3 cent gekost, de uiteindelijk opgelegde schadevergoeding voor de medewerker bedroeg 7.200 euro.

Van Dale-baas Ton den Boon schreef al eens in Trouw: ‘De laatste tijd wordt ook van partijen die een (rechts)zaak verliezen weleens gezegd dat ze bakzeil halen. Deze betekenisuitbreiding – van terugkrabbelen naar verliezen – is blijkbaar zo vanzelfsprekend dat ze al volstrekt acceptabel wordt gevonden.’

We durven het haast niet hardop te schrijven, maar we moeten concluderen dat de klagers in dit geval toch een heel klein beetje bakzeil hebben gehaald.

Voor het weglaten van ‘er’ is soms wel iets te zeggen

‘Tachtig jaar geleden kwam een eind aan de Spaanse Burgeroorlog’, luidde de openingszin van een artikel. ‘Alsof je met een nagel over het schoolbord krast’, meent Tineke van den Hoogen. ‘Het woordje ‘er’ kan hier niet worden weggelaten.’

Deze er-kwestie is al eens aan bod gekomen in ‘Lezerspost’; destijds kwamen woorden als ‘smaak’ en ‘taalgevoel’ voorbij, en was de conclusie dat dat gevoel ons soms inderdaad opdraagt om ‘er’ te laten staan.

Niets mis met taalgevoel, maar het moet toch ook ergens op gebaseerd zijn, zou je zeggen. Laten we daarom even de grammatica in duiken om te kijken wanneer het nu precies schuurt.

Dit brengt ons bij de verschijningsvormen van ‘er’. Dat woord staat te boek als reuze-ingewikkeld om uit te leggen, maar als je de vijf functies ervan onderscheidt, wordt het al een stuk overzichtelijker:
1. plaatsbepaling: ik woon er;
2. met voorzetsel: eraan (= aan het);
3. met telwoord: ik heb er twee;
4. voorlopig onderwerp: er staat een paard in de gang;
5. ‘onderwerp’ in passieve zin: er wordt aangebeld.

Het weglaten van ‘er’ zie je vooral bij geval 4 en 5. Bij 1 is het onmogelijk, en aan het weglaten bij geval 2 en 3 herken je de niet-moedertaalspreker: een geboren Nederlander zou nooit ‘Ik heb hard aan gewerkt’ of ‘Ik heb twee’ zeggen – of we moeten een nieuwe trend in de straattaal hebben gemist; dat lezen we dan binnenkort wel in de rubriek hiernaast.

Maar ook ‘er’ als (voorlopig) onderwerp kun je niet zomaar weglaten: ‘Staat een paard in de gang’ – dat zou niemand zeggen. Wel kan het als er bijvoorbeeld een zinsdeel aan voorafgaat. Maar zet nu uw taalgevoel eens aan en ervaar het verschil tussen de volgende zinnen:
A. Bij buurvrouw Jansen staat een paard in de gang.
B. Vandaag (/Gelukkig/Daarom/...) staat een paard in de gang.

Vlotte conclusie: met een plaatsbepaling ervoor (A) klinkt het prima, maar in overige gevallen (B) kan het gaan wringen – vandaar de nagel en het schoolbord bij Van den Hoogen.

Dat zin A weinig tot geen rillingen veroorzaakt, komt vermoedelijk doordat ‘er’ soms dus ook fungeert als plaatsbepaling. Daardoor klinkt ‘Bij buurvrouw Jansen staat er een paard in de gang’ wellicht dubbelop, ook al duidt ‘er’ hier niet op de plaats, maar is het slechts het voorlopig onderwerp dat ‘een paard’ aankondigt.

Tot zover de grammatica. Vertrouwt u verder vooral op uw gevoel.

Verhaspelde uitdrukkingen

Aandacht nu voor de klok en de klepel, oftewel taalsituaties waarin de auteur, of de aangifte doende lezer aan ons taalloket, het bijna, maar net niet, bij het juiste eind heeft.

Willem den Hertog las op 10 juli een artikel waarin viroloog Louis Kroes stelt dat activiteiten in de buitenlucht in mei amper tot besmettingen hebben geleid, waarna er over deze Kroes te lezen stond: ‘Een armslag neemt hij wel: zo hadden ruim vierduizend geïnfecteerden geen flauw idee waar ze het virus hadden opgedaan.’

‘Zeg er eens wat van’, luidt Den Hertogs korte mail. Nou ja, niet best inderdaad. Maar goed gezien, want hier heeft blijkbaar iedereen ter redactie overheen gelezen, en ook aan ons loket was Den Hertog de enige klokkenluider.

Voor wie de verhaspeling niet direct opviel: de viroloog spreekt met een zeker voorbehoud, wat bij het toeschrijven van besmettingen waarschijnlijk niet onverstandig is; hij houdt, kortom, een slag om de arm. Dat kan ook korter, moet de auteur hebben gedacht. Alleen betekent armslag wel iets anders: bewegingsruimte, zowel letterlijk als figuurlijk.

Soms lijkt een lezer een contaminatie te pakken te hebben, maar blijkt de soep bij nader inzien toch wat minder heet. Sietske Knol wees ons op een artikel over een expositie in de Kunsthal; daarin stond ‘dat het de staat is die hier op de bres is gesprongen voor het beschermen van kunst en ambacht’.

‘Mijn taalgevoel zond een alarm uit bij het lezen’, aldus Knol, ‘en inderdaad: hier worden twee uitdrukkingen verhaspeld. Het is ‘op de bres staan’ (helpen) of ‘in de bres springen’ (verdedigen).’

Hoogstwaarschijnlijk weet Knol zich bevestigd door een woordenboek; zo maakt Van Dale inderdaad melding van twee aparte uitdrukkingen. Maar de diverse taaladviesdiensten zijn coulanter: dit onderscheid hoeven we niet per se aan te houden, zeggen bijvoorbeeld Onze Taal en het Vlaamse Taaltelefoon. De staat mag hier dus ook best op de bres springen voor de kunst.

(Die bres in kwestie duidt overigens op een gat dat in een vestingmuur is geschoten. ‘De dappersten sprongen/stonden dan in het gat, of op de overblijfselen van de muur, om het als eersten tegen de vijand op te nemen’, herinnert Onze Taal zich.)

Toch nog vals alarm, dus. Een taalartikel uit 2014 in Trouw vatte het al kort en bondig samen in de veelzeggende kop: ‘In en op de bres kun je zowel staan als springen.’

Hutjemutje

Gerda en Louis Weltens lazen op 19 juni een artikel over arbeidsmigranten die ‘hutjemutje in een busje’ zaten. ‘Huh, denken wij, het is toch hutje bij mutje?’, schrijven ze. ‘Niet voor het eerst zien we deze uitdrukking op deze manier gebruikt worden. Het is stilaan strijk aan zet in de media. Verklaar u nader, Volkskrant.’

Gaan we doen – maar wacht even, wat stond daar nu precies? Stilaan strijk aan zet in de media. Dat klinkt poëtisch, met die herhaling van ‘aan’, maar er had eigenlijk strijk-en-zet moeten staan: schering en inslag. (Over de herkomst van deze term bestaan vele sagen en legenden, uiteenlopend van verhalen over het opstrijken van geld bij het dobbelen tot iets met het strijken van een zeil.)

Maar goed, hutje dus, en mutje. En of die los zitten of vast. Dat kan allebei, want het blijkt een vruchtbaar duo, als we de Van Dale erop naslaan: hutje bij mutje leggen ‘gezamenlijk de kosten dragen’, hutje en mutje ‘de hele boel’, met hutje en mutje ‘met pak en zak’ (oftewel: met zijn hele hebben en houden). En dan nog het aparte lemma hutjemutje: ‘heel dicht op of bij elkaar’.

Meerdere opties dus, met verschillende betekenissen, maar met de overkoepelende gedachte dat ergens veel van zich relatief dicht bij elkaar bevindt, of gaat bevinden. Maar opvallend genoeg kun je, afgaande op deze definities, ‘hutje bij mutje’ niet gebruiken als synoniem van ‘hutjemutje’, zoals de Weltensjes lijken te suggereren. Dat de variant met ‘bij’ hun vertrouwder in de oren klinkt, is echter niet zo vreemd; ‘hutjemutje’ als één woord lijkt namelijk een relatief nieuw verschijnsel. Zo is de uitdrukking ‘hutjemutje zitten’ volgens Onze Taal pas in de afgelopen twintig jaar in de verschillende woordenboeken verschenen.

Overmatig gebruik kan bovendien op de zenuwen werken. ‘Sinds de coronacrisis kan ik geen krant meer openslaan of er wordt geschreven dat mensen hutjemutje bijeenzitten’, schrijft Kees Versteeg. ‘Het wordt bijna irritant, dat hutjemutje.’

Dat het gebruik van de term in een context van corona schijnbaar is toegenomen, laat ook zien dat het woord vaak een negatieve connotatie heeft: die arbeidsmigranten zaten niet dicht op elkaar, maar té dicht, luidt het oordeel. Wie hutjemutje bijeenstaat, had eigenlijk anderhalve meter moeten betrachten.

De term lijkt, kortom, te gedijen bij een pandemie. Interessant om te kijken of een toekomstig vaccin de verdere verspreiding van het woord ook weet tegen te gaan.

Swaziland

In een overzichtje van het aantal coronabesmettingen in Afrika, op vrijdag 3 juli, stond tussen de getroffen naties het land ‘eSwatini*’, waarbij de asterisk verwees naar de mededeling ‘Voorheen Swaziland’. ‘Onzin’, schrijft Piet Vermeer, ‘het land heet nog steeds Swaziland.’

Er is hier inderdaad sprake van flauwekul. Het overzicht van Buitenlandse Aardrijkskundige Namen van de Taalunie vermeldt gewoon ‘Swaziland’ als Nederlandse naam. (Onder ‘officiële landsnaam’ staat weliswaar ‘Koninkrijk Eswatini’, maar als we officiële namen gaan aanhouden, moeten we het voortaan ook hebben over het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland – daar zou de krant onnodig dik van worden.)

De verklaring voor de opvallende mededeling zit ’m hoogstwaarschijnlijk in de bronvermelding: het staatje is afkomstig van de Johns Hopkins-universiteit in de VS en is blijkbaar niet al te kritisch vertaald. Het Engels is namelijk meegegaan in de officiële naamsverandering van Swaziland naar eSwatini die koning Mswati III in 2018 doorvoerde, maar het Nederlands niet.

Vermeer legt uit: ‘Als Duitsland zich opeens Gross-Preussen zou noemen, zit er voor Nederlanders niks anders op dan het land voortaan met Groot-Pruisen te betitelen. Zou Duitsland voorschrijven dat het Deutschland wil heten, dan mogen we dat rustig negeren. Echte naamswijzigingen moeten we honoreren, maar andere landen kunnen niet ingrijpen in onze taal. En Swaziland heette in het Swazi altijd eSwatini en in de westerse talen Swaziland.’

Zou dit principe niet gelden, zegt Vermeer, die nu goed op stoom begint te komen, dan ‘lopen we het risico het voortaan te moeten hebben over Norge, Suomi, Srbija, Crna Gora, Bharat, Zhongguo, Pukchoson, Hanguk, Al-Maghrib, Côte d’Ivoire en zo kan ik nog wel even doorgaan’ (deed hij ook, maar gezien de beschikbare ruimte hebben we het lijstje wat ingekort).

Vermeer, tot slot: ‘Nu ik toch bezig ben: hou eens op met dat gruwelijke Beijing! De hoofdstad van Zhongguo is Peking!’

Maar hier overspeelt hij zijn hand – althans, wat de Volkskrant betreft. Peking is weliswaar nog steeds de door de Taalunie aanbevolen vorm (omdat het, zoals Parijs en Praag, nu eenmaal ‘een algemeen gangbare naam’ is), maar de Volkskrant heeft, zoals vele andere media, inmiddels gekozen voor Beijing. Het Stijlboek zegt hierover: ‘De spelling Peking, conform het Wade-Giles-systeem, geldt als verouderd. Dit transcriptiesysteem dateert uit de 19de eeuw. In China is het al decennia geleden vervangen door het Hanyu Pinyin [dat ‘Beijing’ oplevert], en ook buiten China wordt het niet meer gebruikt.’

Over de Swazische hoofdstad Mbabane zijn vooralsnog geen klachten binnengekomen.

Werkeloos is vaak ook werkloos

‘Ik zie het de laatste tijd steeds vaker in de Volkskrant’, schrijft Marijke Dohmen, ‘werkeloosheid’, waar werkloosheid wordt bedoeld.’ Ook andere lezers hadden dit al eens opgemerkt. ‘De betekenissen zijn toch echt verschillend’, aldus Dohmen.

Het betekenisverschil waar ze op doelt, is dat tussen ‘niet in bezit van een baan’ (werkloos) en ‘niets om handen hebbend’ (werkeloos). In de praktijk blijken de twee nogal inwisselbaar – althans, mensen, ook die van de Volkskrant, blijken ze nog weleens door elkaar te gebruiken. Maar over de vraag of dat wel mag, verschillen dus de meningen – en gelukkig maar, anders zouden wij van Lezerspost weinig om handen hebben.

De ergernis begint doorgaans wanneer ‘werkeloos’ wordt gebruikt in een context van werkgelegenheid: ‘Werkeloosheid in VS blijft stijgen’, kopte de krant in mei. Het omgekeerde, het gebruik van ‘werkloos’ in een context van ledigheid, zoals in ‘werkloos toekijken’, komt ofwel veel minder voor, of werkt gewoon niet zo op de taalspieren van onze lezers. De klachten gaan in elk geval steevast over optie 1.

‘Probeert u eens allen die in uw krant schrijven te doordringen van het verschil tussen werkloos en werkeloos. Dat verschil moet blijven!’, riep een activistische lezer ooit al eens. Maar ja, er is wel meer dat volgens sommige mensen moet blijven. Bovendien kun je je in dit geval afvragen of er daadwerkelijk sprake is van een verschil, en of het überhaupt gaat om een recente ontwikkeling, zoals meerdere lezers beweren.

Diverse taalautoriteiten vinden ‘werkeloos’ een acceptabel woord om een gebrek aan baan mee aan te duiden – als ‘informeel’ synoniem van ‘werkloos’ dus, zoals Van Dale het verwoordt. De Taalunie signaleert dat ‘werkloos en werkeloos (...) allebei in de betekenis ‘zonder (betaald) werk’’ worden gebruikt, en doet daarnaast een feitelijke constatering: ‘De vorm werkloos is het gebruikelijkst in deze betekenis.’ Onze Taal benadrukt bovendien dat de discussie niet iets van de laatste tijd is: ook oudere woordenboeken wisten al te melden dat het verschil eigenlijk ‘alleen op papier’ bestaat.

Niet onjuist, wel minder gebruikelijk en wat informeler – dat lijkt dus de conclusie voor wat betreft ‘werkeloos’. Maar dat het woord lezers tegen de borst blijft stuiten, is wel duidelijk. Anton Overboom stuurt, wellicht tegen beter weten in, aan op een compromis: ‘Laten we, met ons allen, ‘niets doende’ voor ‘werkeloos’ bewaren en ‘geen baan hebbende’ voor ‘werkloos’ – en laat ‘Koos Werkeloos’ de enige uitzondering zijn op deze taalafspraak.’

Handenwringend en verzoeking

Laten we het nog eens hebben over woorden die heel erg op elkaar lijken, maar heel erg iets anders betekenen. Daar zijn leuke duo’s van, en lezers laten niet na ons in te lichten wanneer een auteur zich aan de verkeerde kant van de woordkeuze bevindt.

In een artikel over de gevolgen van de coronacrisis zag Kees Kamp de volgende zin: ‘Dat ondernemers niet handenwringend naar de toekomst kijken, is ook weer niet zo verwonderlijk.’ Maar, zegt Kamp, ze wrongen niet, ze wreven. ‘Handenwringend betekent wanhopig of radeloos, en dat is juist wat ondernemers wél zijn, gezien het sterk dalende producentenvertrouwen. Volgens mij is ongeveer het tegenovergestelde bedoeld, namelijk handenwrijvend, wat betekent dat er vergenoegd naar uitgekeken wordt.’

En zo is het. Handenwrijvend en handenwringend betekenen zo goed als het omgekeerde: blij versus bang, lachen versus huilen. De omkering door het woord ‘niet’ maakt het in de gewraakte zin alleen net iets lastiger om in één oogopslag te zien hoe de ondernemers in kwestie zich dan wél voelen.

Het blijkt sowieso een instinker. In de Volkskrant werd ‘handenwringend’ het afgelopen jaar grofweg in de helft van de gevallen foutief gebruikt, zo leert het archief.

Nog zo’n stel valsige vrienden: bezoeking en verzoeking. ‘Eten is een verzoeking, naar het toilet gaan ook’, las Hein Jongbloed in een artikel over een patiënt met de ziekte van Crohn. ‘Een verzoeking is in mijn begrip een verleiding om slechte dingen te doen’, aldus Jongbloed. ‘In de context van een Crohn-patiënt lijkt mij dat eten veeleer een bezoeking is, een plaag. Egypte werd ‘bezocht’ door de zeven plagen immers. Als ik het mis heb, hoor ik het graag. Nooit te oud om te leren.’

Nee hoor, ook dit is helemaal raak. Volgens Van Dale betekent verzoeking ‘het verzoeken of verzocht worden’ – met ‘verzoeken’ in de bijbelse zin van ‘op de proef stellen’. Een synoniem van verleiding, inderdaad. Bezoeking daarentegen wordt gedefinieerd als ‘1 beproeving; 2 ongeluk, ramp’. Eten en toiletbezoek hadden hier dus een bezoeking moeten heten.

Ook deze verwarring rond ‘verzoeking’ komt vaker voor in de Volkskrant. Waar het woord correct wordt gebruikt, gaat het veelal om religieuze constructies als ‘leid ons in niet in verzoeking’. Maar wordt de Heer erbuiten gelaten, dan gaat het vaker fout dan goed en blijkt de auteur meestal eigenlijk ‘bezoeking’ te bedoelen – waarna de eerste lezers zich handenwrijvend melden aan ons loket.

Sterven de voltooide tijden een stille dood?

Ferry Erdmann beklaagt zich over ‘de radicale vermindering in het gebruik van werkwoordstijden: ik ‘doe’ of ‘deed’ iets, maar nooit meer ‘ik heb iets gedaan’.’ Het dominante gebruik van de onvoltooid verleden tijd (o.v.t.) viel ook Liesbeth van Agt op. Bijvoorbeeld in een citaat op de site van De Vlinderstichting: ‘We maakten een overzichtje van alle zomervlinders in Nederland.’ ‘Het druist tegen mijn gevoel in’, aldus Van Agt. ‘Ik zou zeggen: we hebben een overzichtje gemaakt.’

We maakten een overzichtje. Onder het genot van een kopje thee, denk je dan, en het kostte een uurtje. Kortom, de nadruk op het maakproces, terwijl juist het resultaat interessant is voor de lezer. Daar zit Van Agts ongemak. Met We hebben een overzichtje gemaakt druk je uit dat het werk voltooid is en we ons nu op het resultaat richten.

En toch is die o.v.t. grammaticaal niet onjuist. ‘De verschillen tussen de o.v.t. [maakten] en de v.t.t. [hebben gemaakt] lijken steeds minder een rol te gaan spelen’, stelt de Schrijfwijzer. ‘Daarom zijn veelal beide formuleringen goed.’

Waar komt die ‘trend’ dan vandaan? Erdmann noemt de invloed van e-mail en WhatsApp. De korte vorm klinkt wellicht vlotter, er zit meer actie in. Maar ook – daar zijn we weer – het Engels zou van invloed kunnen zijn: we made an overview en we’ve made an overview zijn immers allebei correct. Datzelfde geldt overigens niet voor het Frans, waar de o.v.t. in deze zin uitgesloten zou zijn – maar die taal maakt dan ook al tijden geen indruk meer op het Nederlands.

Ook de ‘uitgeklede’ vorm van de voorwaardelijke wijs stoort Erdmann. ‘Als ik hier woonde, ging ik elke dag naar de markt’, in plaats van bijvoorbeeld ‘Als ik hier zou wonen, zou ik elke dag naar de markt gaan.’ Maar ook hier is de ‘kortere’ versie niet onjuist. Vergeleken met veel andere talen is het Nederlands qua conditionalis eigenlijk een oase: Als ik hier woonde/zou wonen, ging ik elke dag naar de markt/zou ik (…) gaan – alle combinaties zijn toegestaan. Of ze ook allemaal even mooi zijn, is een tweede.

En laten we ook de constructie-Frank Snoeks niet vergeten, naar de voetbalcommentator die zinnen maakt als: ‘Kwam de bal voor zijn rechter, hij had hem er pardoes ingeschoten.’ Vertaald naar onze voorbeeldzin: ‘Woonde ik hier, ik ging elke dag naar de markt.’ Maar nu er geen voetbal op tv is, hoor je die constructie een stuk minder.

Zij en zij, pollen en een rails

Henk Knapen las op 19 april dat de coronabeperkingen tot discussies leiden ‘tussen zij die de regels strikt naleven en zij die ze wat rekkelijker opvatten’. Het is een fout die volgens Knapen wel vaker opduikt in de Volkskrant, en die hem pijn aan de ogen doet. ‘Misschien helpt het als u hierover eens een vermanend vingertje opsteekt.’

Niet iedereen ziet misschien direct dat hier tweemaal ‘hen’ had moeten staan, maar als je de zin wat simpeler maakt, wordt het algauw duidelijk. Discussies tussen zij en zij? Nee, tussen hen en hen. Het is immers ook geen discussie tussen jij en ik, maar tussen jou en mij.

In taaltermen volgt, kortom, na een voorzetsel – zoals tussen – niet de onderwerpsvorm (ik, jij, hij) maar de voorwerpsvorm (mij, jou, hem) van het persoonlijk voornaamwoord, in feite een soort samenraapsel van 3de en 4de naamval. En aangezien ‘tussen’ om twee voornaamwoorden vraagt, gaat dit voor beide op: discussies ‘tussen hen die (…) en hen die (…)’ dus.

Dan twee meervoudskwesties. Op 28 mei las Wim Hilbrants over koeien die ‘aan een rails’ door de slachterij werden gesleurd. ‘Als ‘rails’ enkelvoud is, dan is het meervoud zeker ‘railzen’’, schrijft Hilbrants. ‘Nou, dat dacht ik toch niet.’

Nou, wij ook niet, alhoewel... rails lijkt toch enigszins de kant van biels op te gaan – ooit was het één biel, twee biels, later werd dat één biels, twee bielzen. Het meervoud ‘railzen’ (of ‘railsen’) is weliswaar nog erg ongebruikelijk, maar ‘de rails’ als enkelvoudsvorm lijkt zich al ergens halverwege inburgering te bevinden. De Taalunie geeft deze vorm voorlopig de status ‘onduidelijk’, ‘voor taalvarianten die wel frequent gebruikt worden, maar toch door een niet te verwaarlozen groep taalgebruikers afgekeurd worden’.

Nog zo een. ‘Door de neerslag zijn veel pollen neergeslagen’, aldus het weerbericht op 30 april. ‘Stilistisch geen fraaie zin’, schrijft A. van Oudvorst, ‘maar het gaat me om het foutieve meervoud. ‘Pollen’ (van het Latijnse pollen, stuifmeel) kan alleen in het enkelvoud gebruikt worden, net als verzamelbegrippen als ‘rijst’.’

Toch blijkt ook dit weer zo’n geval te zijn waarbij een oorspronkelijk onjuist gebruik in de loop der tijd geaccepteerd is geraakt – en daarmee juist is geworden. ‘Pollen is historisch gezien een enkelvoudig onzijdig woord: het pollen’, beaamt de Taalunie. Maar ‘tegenwoordig wordt het vaak als een meervoudsvorm gebruikt. Daar is geen bezwaar tegen.’

Dat maken we zelf wel uit, horen wij u denken.

Ledigen, leningen en vet

S.K. van der Pol en Marijke von Bergh lazen het op 25 mei allebei, in een artikel over de Europese luchtvaart: ‘Overheidshulp is nu welkom, om de acute nood te ledigen.’ ‘Is ledigen het nieuwe lenigen?’, vraagt Van der Pol.

Nieuw is deze vergissing niet, het gaat elk jaar wel een paar keer mis. En zo nu en dan doet een lezer daarvan aangifte bij dit loket. Enig zoekwerk wijst overigens uit dat het gelukkig veel vaker wél goed gaat.

Onze Taal besteedde in 2014 al eens aandacht aan de kwestie, in de digitale rubriek ‘Woordpost’: ‘Lenigen betekent van oorsprong ‘lenig, buigzaam, zacht maken’. (...) Daarnaast betekent het ‘verlichten’. In die betekenis komt het vooral voor in de combinatie de (ergste) nood lenigen: ‘de (ernstigste) ellende verlichten’. In de praktijk wordt lenigen vaak verward met ledigen, maar dat betekent ‘legen’ en past niet in de uitdrukking met nood.’

Kortom: ledigen, dat doe je maar met je blaas. Om hoge nood te lenigen.

Op 16 mei las Henk Sikkema over beginnende dj’s die ‘nog geen spek op de botten hebben’. Maar, schrijft hij, ‘de uitdrukking is toch: ‘geen spek op de ribben hebben’?’

‘Op de ribben’, zegt inderdaad ook Van Dale. Misschien dacht de auteur wel aan vet, een belangrijk bestanddeel van spek. Want ‘vet op de botten hebben’ – dat was toch ook een uitdrukking?

Enter Frank Hoedelmans. Als e-mails geluid konden maken, hadden wij oordopjes ingedaan. ‘In de Volkskrant van vandaag: ‘KLM heeft meer vet op de botten’. Stop hiermee! VLEES op de botten! VLEES!’, aldus Hoedelmans.

Zijn wanhoop is enigszins te begrijpen. Vier dagen eerder had hij het in een iets minder luide e-mail nog helemaal uitgelegd: ‘Vet op de botten. Ergerlijk. Het komt uit het Engels, meat on the bones. Iemand heeft ooit ‘vlees op de botten’ verhaspeld tot ‘vet op de botten’. Anatomisch slaat het ook nergens op. Op botten zit vlees. En daarop vet. Taalredactie, doe iets!’

Aan overtuiging geen gebrek, maar klopt het ook? Op onze zoektocht naar de waarheid vinden we nergens echt uitsluitsel. Het Algemeen Nederlands Woordenboek maakt inderdaad melding van ‘vlees op de botten hebben’, en niet van vet op de botten. Maar in een artikel over ‘broodmager zijn’ omschrijft Onze Taal dat als ‘helemaal geen vet op de botten hebben’.

De taalredactie heeft iets gedaan. Maar of het voor Hoedelmans voldoende is, is de vraag.

Loodsen en lozen

Er ging het een en ander mis in koppen en onderkoppen, de afgelopen tijd. Harold Ansink had ‘natuurlijk weer erg gelachen’ om een zin in de intro bij het artikel van afgelopen maandag over Emmanuel Macron, de Franse president die zelfs in tijden van crisis maar niet populair wil worden: ‘Desondanks heeft hij Frankrijk door de crisis geloodsd.’

Een pluim voor diegene die in één oogopslag ziet wat hier loos is. Het woordbeeld is verraderlijk, waarschijnlijk door de gelijkenis met het woord ‘geloosd’, van het werkwoord ‘lozen’ – met een z dus. Maar hier is het werkwoord natuurlijk niet ‘loodzen’ maar ‘loodsen’, dus dat vraagt om een -t in het voltooid deelwoord: geloodst. (Iets met een kofschip, voor jongere lezers ook wel ’t ex-kofschip – of ’t fokschaap, zo u wilt. Of soft ketchup, als Nederlands ooit een nieuwe taal voor u was.)

Lozen, loodsen: het leidde eerder al eens tot verwarring. In een artikel, begin maart, over aangetaste rails, die het zwaar te verduren zouden hebben van de doorgetrokken toiletinhoud uit oudere treinen, las Henk de Moei: ‘Dat wordt op het spoor geloodst en tast de bevestigingsmiddelen aan.’ Keurig gespeld dit keer, maar helaas net het verkeerde werkwoord. Want het was natuurlijk lozen, wat die treinen deden met hun toiletinhoud. Ook een soort loodsen, maar dan net wat directer.

‘Astrologen ontdekken zwart gat met recordnabijheid tot de aarde’, kopte de krant op 7 mei. Ook hier zal de fout niet iedereen direct zijn opgevallen, maar de auteur van het stuk (die zelf niet verantwoordelijk was voor de kop) zal vermoedelijk het liefst in dat zwarte gat zijn verdwenen. De betreffende sterrenkundigen, dat waren natuurlijk astronomen en niet -logen – want dat zijn de mensen die uw wekelijkse horoscoop verzorgen.

Tot slot storen lezers zich met enige regelmaat aan, nou ja, deze zin bijvoorbeeld. Namelijk aan de constructie ‘zich storen aan’, vorige week liefst tweemaal te bewonderen op de taalpagina, onder meer in een onderkop. ‘Is onjuist, iets stoort je of je ergert je aan iets. Ik ben deze fout al meerdere malen tegengekomen. Even opletten!’, schrijft Sjoukje Blaakmeer-Stolk.

Is onjuist, Sjoukje, want in tegenstelling tot wat meerdere mensen blijkbaar denken, is er met ‘zich storen aan’ helemaal niets mis, zo bevestigen ook Onze Taal, de Taalunie en het woordenboek bij u in de kast. Vermoedelijk leidt het wél onjuiste ‘zich irriteren aan’, hier eerder al eens behandeld, tot verwarring.

Datagebruik in de media

Of het is puur toeval, of twee lezers besloten vorige week hun krachten te verenen om zo een vermelding in deze rubriek af te dwingen. Hoe het ook zij, vrij kort na elkaar ploften er afgelopen donderdag twee berichten met een vrijwel identieke boodschap in onze taalpostbus.

Lezers Jan Heerdink en Hugo van den Berg storen zich aan een klassieke misser, die afgelopen week tot tweemaal toe werd begaan, namelijk dat ‘in een artikel het woord ‘data’ met een persoonsvorm in het enkelvoud werd gebruikt (de data is)’, aldus Heerdink. ‘Terwijl ‘data’ toch gewoon gegevens zijn en meervoud is: ‘de data zijn”, vult Van den Berg aan.

‘Data’ is zo’n woord dat de laatste tijd vermoedelijk net wat vaker voorbijkomt, en dat, zo wijst een duikje in het archief uit, in haast alle gevallen door de auteur of eindredacteur godzijdank wordt herkend én toegepast als meervoudsvorm. Maar het gaat dus ook weleens mis. Zo stond er in een artikel over ‘coronacijfers wereldwijd’, in een infoblokje: ‘De data wordt elke dag bijgewerkt.’ En in een opiniestuk op 28 april schreef de auteur ‘dat er vooral meer betrouwbare data nodig was’.

Van den Berg vertelt dat hij vroeger het Stijlboek van de Volkskrant op zijn bureau had staan (en wij nemen aan dat dit bij Heerdink thuis al niet anders was), ‘een goede richtlijn voor verantwoord taalgebruik’. Datzelfde Stijlboek, inmiddels openlijk en voor eenieder te raadplegen op internet, geeft de lezers groot gelijk: ‘In het Engels is data enkelvoud, in het Nederlands meervoud, dus The data is wordt De data zijn of De gegevens zijn, in elk geval niet: De data is.’

Beide lezers melden bovendien, zonder dit keer naar de Volkskrant te wijzen, dat ze in de media vaak een verwante fout tegenkomen: het gebruik van ‘media’ als enkelvoudsvorm (‘de media is aansprakelijk’, las Heerdink ergens), ‘terwijl het toch niets anders is dan het meervoud van medium’, aldus Van den Berg. Geen lemma in het Stijlboek in dit geval, maar ook hierin hebben ze gelijk: media is, net als data, een meervoudsvorm, punt uit.

‘Het moet niet gekker worden’, concludeert Heerdink. Van den Berg: ‘Ik hoop op beterschap van mijn krant.’ Die doet zijn best: de data-boodschap wordt – en dit is écht puur toeval – vandaag per interne taalmail onder redacteuren verspreid.

Verantwoording, verantwoordelijkheid, isolatie en isolement

Waarom, kan ze niet precies uitleggen, schrijft Bertine Hobbelman, maar ‘de veel voorkomende verwisseling van verantwoordelijkheid en verantwoording’ geeft haar de kriebels. ‘Het betekent toch echt heel iets anders! Zie ik dat nou verkeerd?’

Nee hoor, Hobbelman heeft volledig gelijk. Sterker nog, ze geeft zelf de juiste uitleg: ‘Verantwoordelijkheid neem je, voor iets of iemand. Verantwoording leg je af, bijvoorbeeld voor je gedrag. Of je wordt ter verantwoording geroepen.’

Kort onderzoek in het Volkskrant-archief wijst uit dat het vaak één kant op verkeerd gaat: waar ‘verantwoordelijkheid’ wordt bedoeld, wordt ‘verantwoording’ gebruikt. Zoals in een artikel op 15 april: ‘Zorgprofessionals en hun instellingen hebben in deze crisis kordaat hun verantwoording genomen.’ Het omgekeerde – dus ‘verantwoordelijkheid’ waar juist ‘verantwoording’ wordt bedoeld – zijn we niet tegengekomen.

Dat sommigen de woorden min of meer als inwisselbaar beschouwen, blijkt wel uit een artikel uit december 2019: ‘Of Evert van al die verantwoordelijkheid niet slecht slaapt? ‘Nee dat niet, maar aan het einde van een drukke week zijn we wel weer blij als alles weer goed verlopen is, het blijft toch een hele verantwoording.’’

Evert wil het woord uit de vraag overnemen, maar doet dat net niet helemaal goed.

*

Net nu de rubriek In goed Nederlands is gestopt, vliegen de kandidaatwoorden ons om de oren: lockdown, social distancing... Een ander coronawoord, isolatie, roept bij René Appel de vraag op: moet dat niet isolement zijn?

Appel verwijst naar de Dikke Van Dale. Die meldt: ‘isolatie 1 het isoleren 2 beschermd zijn tegen geleiding van geluiden, warmte (...) 3 stof of middel waarmee iets geïsoleerd is’. Isolement betekent volgens het woordenboek: ‘het afgezonderd zijn, het alleen staan’. En daar gaat het momenteel juist om, zegt Appel. ‘Bij ‘thuisisolatie’ lijkt er eerder sprake van dubbel glas in de thuissituatie.’

Maar in diezelfde Van Dale staat bij ‘isoleren’ als tweede betekenis: ‘(mbt personen, bv. lijders aan besmettelijke ziekten) afzonderen zodat er geen contact of verkeer met de omgeving mogelijk is’. Dus met een kleine omweg blijkt ook ‘isolatie’ van toepassing op de huidige situatie.

Opvallend: in de online-editie, waarin zo nu en dan nieuwe woorden verschijnen (die meedingen naar een plek in de volgende papieren versie) is bij ‘isolatie’ een aanvullende betekenis opgenomen:

‘gedwongen of zelf opgelegde tijdelijke afzondering van anderen
quarantaine in isolatie gaan

Een zeer recente toevoeging, of gewoon een vooruitziende blik? Misschien een goed idee om eens te kijken welke verborgen boodschappen het woordenboek nog meer bevat.

De juiste meervoudsvorm van test?

Paul Abell wijst ons op de volgens hem onjuiste meervoudsvorm ‘(corona)testen’: ‘Als selectiepsycholoog heeft het me altijd mateloos geïrriteerd als collega’s het hadden over ‘psychologische testen’. Immers, het meervoud van een Engels woord als test – want dat is het – is ‘tests’ en niet ‘testen’. We hebben het toch ook niet over ‘computeren’ maar zeggen ‘computers’, we zeggen ‘airbags’ en niet ‘airbaggen’.’

Laten we hier wat dieper op ingaan:

1. ‘Een Engels woord, want dat is het’ Nee, dat was het, in ons geval. Inmiddels is test ook een Nederlands woord. Een leenwoord uit het Engels weliswaar, maar wel een dat er helemaal bij hoort – net zoals je moeilijk kunt beweren dat ‘Confetti strooien op het trottoir mag überhaupt niet’ maar vijf Nederlandse woorden bevat.

2. ‘Het meervoud van een Engels woord als test is tests’ Dat klopt. Maar het is nu dus ook een Nederlands woord (zie 1), en dan treden de Nederlandse meervoudsregels in werking. Die komen grofweg neer op: ‘de meervoudsvorm is -en , tenzij’, gevolgd door enkele gevallen die liever op -s eindigen. En zo is het ‘testen’ geworden. De Engelse meervoudsvorm tests is overigens ook bewaard gebleven; test heeft in het Nederlands dus twee meervoudsvormen.

3. ‘We zeggen toch ook ‘computers’ en ‘airbags’ Klopt ook, maar dat zit zo: ‘computer’ valt qua meervoud in de categorie ‘tenzij’ (zie 2), namelijk in het rijtje ‘zelfst. nw. eindigend op -er, zonder klemtoon op laatste lettergreep’ (bekers, verlaters). ‘Bag’ is een geval apart, omdat de Engelse uitspraak behouden is gebleven en het woord daardoor fonetisch afwijkt van het Nederlands; zou het rijmen op ‘dag’, dan hadden we het ongetwijfeld wél over twee ‘airbaggen’ (of ‘airbagen’) gehad.

‘Terzijde:’, meldt Abell tot slot, verwijzend naar Wikipedia, ‘test is een ouderwetse benaming voor een schaal of kom, meestal gemaakt van aardewerk. Bekend zijn onder andere bier-, bloem- en vuurtesten.’

Van Dale weet daarbij te vertellen dat ‘test’ in de zin van ‘proef’ afkomstig is van deze andere betekenis: ‘kom voor het doen van proeven’. En de schaalvormige test stamt etymologisch dan weer af van het Latijnse testa, testum ‘(gebakken steen, kruik)’ – inderdaad, het woord waaruit ook diverse Romaanse woorden voor hoofd (tête, testa) zijn voortgevloeid. De hersenpan dus, eigenlijk ook een soort aardewerken kruik. Onmisbaar bij het testen.

Of hiermee een cirkel rond is, is niet helemaal duidelijk, maar leuk om te weten is het wel.

Bedoeling

Waar gaat het om? Even terug naar wat is geweest. Een scherpe lezer van de advertenties in de krant, Maria Ament, was opgevallen dat Albert Heijn in verschillende uitingen verschillend over de afgelopen christelijke feestdagen denkt. ‘Samen maken we er toch een fijne Pasen van’, schreef de kruidenier. Maar ook: ‘Wij wensen iedereen fijne Pasen.’

Wat is het probleem? Ach, probleem is een groot woord. De redactie zelf vergaloppeerde zich niet, leerde controle van ons archief. En inhoudelijk hebben we niets van doen met de bijdragen van adverteerders. Maar het is een saillant fenomeen. Ament: ‘Curieus, dat Pasen in die tweede zin als meervoudsvorm (van Paas?) wordt gezien en daarom geen lidwoord krijgt, toch?’ Daar lijkt wat voor te zeggen. Pasen is een woord dat geen meervoud kent maar wel klinkt als een meervoud. Vervang het door een ander enkelvoud en je mist direct het lidwoord: ‘We wensen iedereen schone hand.’ En gevoelsmatig is de zin ‘Wij wensen iedereen een fijne Pasen’ ook net iets correcter. Maar omdat Pasen klinkt als een meervoud, wordt de omissie van het lidwoord minder gevoeld dan bij de schone hand(en). En er is iets met die feestdagen, want je kunt iemand namelijk ook ‘fijne Kerst’ wensen zonder fronsend te worden aange - keken, en Kerst heeft niets meervouderigs.

Wat hier speelt, staat in de Algemene Nederlandse Spraakkunst: ‘Het lidwoord is dikwijls afwezig bij substantieven met zogenaamde unieke referentie.’ Zoals ook generaal MacArthur, tante Jeanne, bladzijde 23 en ondergetekende door het leven gaan zonder lidwoord.

Verder nog iets? Johan Schipper las in de Volkskrant van 9 april hoe iemand haar buurt in Singapore beschreef: ‘De supermarkten zijn nog open dus je ziet nog wel wat mensen op straat, maar het is een kalme bedoeling.’ Wat is daar mis mee? Het is een in de haast gemaakte typefout, óf een geval van klok en klepel. Bedoeld is hier namelijk bedoening. Dat woord heeft juist in deze zin twee zeer toepasselijke betekenissen: ‘gedoe, gang van zaken’, en: ‘bedrijf’. Zo kun je een aardige bedoening hebben waar het dan meestal een drukke bedoening is. Komt van het in onbruik geraakte werkwoord ‘bedoen’, dat ooit betekende: ‘voorzien (in), zich kunnen redden’. Het Etymologisch Woordenboek tekent aan dat die betekenissen zich later hebben ontwikkeld tot ‘druk bezig zijn, aan het redderen zijn’. Hoe dan ook, allemaal ver verwijderd van dat woord met maar één andere letter, ‘bedoeling’.

Grip of greep?

Grip of greep?

Joop Vermeulen uit Den Haag schrijft: ‘Nu (zelfs) Paulien Cornelisse het woordje ‘grip’ achteloos in haar 150-column werpt, is het een standaard Nederlands woord geworden. Niet langer een Engelse afgeleide van ‘greep’.’

Inderdaad, niet langer – en al best lang niet, om eerlijk te zijn. Zo plaatst Onze Taal het in de categorie ‘algemeen geaccepteerd’.

Ook andere taalautoriteiten zijn het erover eens: ‘grip’ en ‘greep’ zijn inmiddels zo goed als inwisselbaar. Ze worden dan ook naar hartelust tegen elkaar ingewisseld.

Toch is er ergens een gedeeltelijke verdeling van betekenissen ontstaan:

- ‘Ik krijg er geen greep op’ gebruik je (onder meer) als je ergens de controle over of verliest, over een situatie bijvoorbeeld.

- ‘Ik kan er geen grip op krijgen’ gebruik je (bijvoorbeeld) als je moeite hebt iets te begrijpen, Duitse grammatica bijvoorbeeld.

Maar dan nog blijkt dat ook in de eerstgenoemde situatie vaak het woord ‘grip’ wordt gebruikt.

En ja, grip is van oorsprong een Engels leenwoord. Maar iemand die nu nog zegt dat hij, met de g van goal, ergens geen grip op heeft, loopt ernstig risico te worden uitgelachen – behalve als hij het over zijn tennisracket heeft, natuurlijk.

Smaakvol of smakelijk?

Marreke Prins uit Amsterdam: ‘Ik lees in recepten in de Volkskrant dat een gerecht smaakvol is. Moet het niet zijn: smakelijk? Smaakvol doet me denken aan een mooi ingericht huis. Kunt u mij helpen?’

Bij noodkreten van lezers is het taalloket niet te beroerd om in actie te komen. En inderdaad, zowel in de Volkskeuken als in recensierubriek Uit eten kwamen we het dit jaar al eens tegen:

12 maart, Volkskeuken: ‘125 g smaakvolle trostomaatjes’.

3 januari, Uit eten: ‘een karig bordje nogal ongezellig bruine soep die (...) de stevige, smaakvolle vulling van een bouillabaisse mist’.

Weer zo’n geval van ‘vroeger betekende smaakvol alleen smaakvol, maar tegenwoordig betekent het ook smakelijk’? Niet als het aan Van Dale ligt:

smakelijk goed smakend, dat is smakelijk klaargemaakt

smaakvol met smaak (gekozen, gemaakt), getuigende van goede smaak: smaakvol gekleed

In een artikel over ‘slow cooking’ op 26 maart lazen we over ‘een prachtige, oerzachte en smaakvolle bout, die nu ineens nogal trendy geworden is’.

Misschien geldt dat laatste ook wel voor het woord ‘smaakvol’ zelf. En trendy en correct zijn als het om taal gaat nu eenmaal niet altijd de beste vrienden, dus laten we het voortaan maar gewoon op ‘smakelijk’ houden, als het over lekker gaat.

Epicentrum

Wat? Er zijn van die woorden die bij sommige lezers het bloed onder de nagels vandaan halen. ‘Impact’ is er een van, daar hadden we het eerder al eens over. Maar ook ‘epicentrum’ zorgt zo nu en dan voor lichte trillingen in de taalpostbus.

De laatste tijd lijkt dit woord extra populair. Zie deze greep uit de Volkskrant van de afgelopen weken – meteen ook een mooie samenvatting van wat er dit jaar zoal in het nieuws is geweest:

27 januari: ‘De provincie Hubei, het epicentrum van de uitbraak van het nieuwe coronavirus’

12 maart: ‘Europa is het nieuwe epicentrum van de coronaviruspandemie’

22 maart: ‘New York, het aankomende epicentrum van de coronapandemie’

In de coronacontext is de metafoor van de aardbeving nog best te verdedigen: met een beetje fantasie is er sprake van een punt vanwaar een soort schokgolf uitgaat. Maar het woord epicentrum prikkelt onze lezers toch vooral wanneer ze het aantreffen in situaties die met schaal noch Richter van doen hebben:

‘In de Gouden Eeuw werden de Hollandse steden het epicentrum van een heuse tulpenmanie’

‘Westminster, het epicentrum van de Britse politiek’

Lezer Sijmen Tol concludeert: ‘Nog even en de Dam ligt in het epicentrum van Amsterdam.’

Waarom dan steeds dat woord? ‘Het woord centrum geeft in de ogen van journalisten te weinig nadruk aan het middelpunt dat zij beschrijven’, schrijft Maarten van Doorn. ‘Nu is er geen middeler punt dan het middelpunt, dus moet centrum geaccentueerd worden en daar gebruiken ze dan het voorvoegsel epi- voor.’

Het probleem is alleen dat een écht epicentrum helemaal geen ‘middelpunt’ of ‘centrum’ is. Het Griekse voorvoegsel επι betekent namelijk niet ‘nog middeler dan middel’, maar ‘boven’, aldus Van Doorn. Het gaat bij een epicentrum dan ook om de plek aan het aardoppervlak boven het daadwerkelijke, ondergrondse centrum van de schok (het ‘hypocentrum’), dus daar waar die schok het eerst bovengrondse gevolgen heeft.

‘Alle overige epicentra zijn flauwekul, betekenisloze dikdoenerij’, schrijft Eduard van Hengel. ‘Interessantdoenerij’, ‘slecht en dom taalgebruik’, vinden ook andere lezers.

Conclusie? Als je wilt zeggen dat iets op een bepaald moment ergens even heel erg het centrum van is, kun je dat niet zomaar benadrukken door er ‘epi-’ voor te zetten. ‘Brabant als epicentrum van de xtc-productie’? Nee, Brabant gewoon als centrum van de xtc-productie.

‘Een schrale troost:’, besluit lezer Tiemen van der Worp, ‘de schrijfwijze ‘episch centrum’ (een klassieker) heb ik nog niet gezien in de krant.’

Soms is geen ‘zich’ geen gezicht

Wie René Appel.

Wat Op 4 maart las Appel in een artikel over corona dat onze bovenste luchtwegen voor het virus ‘een ideale plek om te vermenigvuldigen’ zijn. Hij schrijft: ‘De auteur volgt hiermee een trend die de laatste jaren steeds duidelijker wordt, namelijk het weglaten van het wederkerend voornaamwoord.’

Mag dat niet? Nee, ‘zich’ maakt onderdeel uit van een wederkerend werkwoord (in dit geval ‘zich vermenigvuldigen’), dus dan mag je het niet zomaar weglaten. Bovendien verandert dat in dit geval ook nog eens de betekenis. ‘Door het ontbreken van ‘zich’ staat er in feite dat de ‘ideale plek’ wordt vermenigvuldigd’, aldus Appel.

Eerder besteedden we in deze rubriek al eens aandacht aan het gebruik van het wederkerend voornaamwoord waar dit juist níét de bedoeling is, zoals in het incorrecte ‘zich beseffen’. Maar het omgekeerde komt dus ook voor.

Appel, zelfverklaard ‘voorzitter van de Stichting tot Behoud van het Wederkerend Voornaamwoord’, trok al vaker aan de bel, onder meer met de volgende voorbeelden, alle uit de Volkskrant:

November 2017, over de Franseminister Le Maire: ‘Hoewel pas minister sinds mei herinnert niemand meer zijn voorganger Sapin’. (In deze zin is bovendien sprake van een foutieve samentrekking.)

Begin september 2019, op de voorpagina: ‘Negatieve wetseffecten voor jeugd stapelen op’.

Een dag later, in het sportkatern: ‘Arsenal en Spurs vechten naar gelijkspel in derby’.

‘Gaat de Volkskrant bewust mee in deze vorm van taalverandering of is er sprake van een incidentele fout?’, wil Appel weten.

Dat laatste – en hopelijk is het woord ‘incidenteel’ nog op zijn plaats. Van bewust nieuw taalgebruik is in elk geval geen sprake.

De vraag is evenwel waar deze ‘trend’ vandaan komt. Wie weet speelt de invloed van het alomtegenwoordige Engels hierin een rol. Het wederkerend voornaamwoord komt in die taal veel minder voor; Nederlandse wederkerende werkwoorden hebben in het Engels dan ook vaak een niet-wederkerende pendant. Kijk maar eens naar de eerdergenoemde zinnen:

– een ideale plek om (zich) te vermenigvuldigen > an ideal place to multiply

– niemand herinnert (zich) Sapin > nobody remembers Sapin

– negatieve effecten stapelen (zich) op > negative effects pile up

Een ‘indirect’ anglicisme dus? Zou kunnen, al is het natuurlijk moeilijk hard te maken. Maar als je vaak Engels hoort en leest, dreigt het ritme van die taal onbewust door te sijpelen in je Nederlandse taalvaardigheid.

Extra opletten dus voor eindredacteuren en correctoren, want soms is geen ‘zich’ geen gezicht.

Weg streepje

Wat Meerdere lezers wezen ons op een koppeltekenkwestie. Frank Doolaard: ‘Ik heb een vraag over jullie keuze om geen koppelteken te gebruiken bij samentrekkingen waar een herhaald woord wordt weggelaten. In steeds meer artikelen zie ik dat jullie dit doen, zoals vandaag: ‘...bedrijven die waarschuwings dan wel bombrieven ontvingen’.’ Ook Pras Weijers struikelde over ‘het weglaten van het weglatingsstreepje’. ‘Voorbeeld in de krant van vandaag: ‘...bevinden zich genoeg productie en distributiemaatschappijen die...’ Nu is uw krant mijn voorbeeld als het gaat om mijn schrijfwijze, vandaar mijn vraag: zijn dit de nieuwe trends? En zo ja, zijn die ook al ergens geformaliseerd?’

En? Nee, dit zijn geen nieuwe trends, dit zijn slordigheden die allereerst de auteur en zo niet dan toch zeker de eindredacteur of corrector eruit had moeten halen. In deze zinnen had respectievelijk ‘waarschuwings- dan wel bombrieven’ en ‘productie- en distributiemaatschappijen’ moeten staan.

Nog andere zaken? Marijke Dohmen stuitte op een variatie op dit thema. In een intro las zij: ‘de sociale- en gezondheidsschade’. Een geval van hypercorrectie, want hier is een koppelteken juist níét op zijn plaats. Zoals Dohmen zelf al opmerkt: ‘Het is geen ‘socialegezondheidsschade’.’ Het gaat in dit geval om een samentrekking van een woordgroep (‘sociale schade’) en een samenstelling (‘gezondheidsschade’), waarbij ‘sociale’ een los woord is. Was de volgorde van de twee termen omgekeerd, dan was een koppelteken wel nodig geweest: ‘gezondheids- en sociale schade’. Onze Taal weet over deze constructie nog het volgende te melden: ‘Dit soort ‘ongelijkwaardige’ samentrekkingen werden vroeger weleens afgekeurd, maar zijn inmiddels geheel geaccepteerd.’ Prima, maar dan wel met de juiste interpunctie, graag.

Tot slot Nu we het toch over de streep en de juiste plaats hebben: Herman Ferdinandusse uit Papendrecht schreef: ‘Ik kom nogal eens in een ziekenhuis. Je moet je dan even melden bij de receptie en je wordt geacht de privacy van anderen te respecteren. In het ene ziekenhuis vraagt men te wachten voor de streep; in een ander achter de streep. De bedoeling is natuurlijk duidelijk: afstand houden tot je voorganger. Maar wat is nu juist? Of mag het allebei? Ik hoor het graag.’ Sorry Herman, maar dit gaat ons boven de pet. Hoe langer we over deze vraag nadenken, des te dieper we erin verstrikt raken.

Opwegen en onderschatten

1. Opwegen Jaap Blaakmeer las ‘in een artikel over de tarievenchaos in het ov dat staatssecretaris Van Veldhoven de vervoerders geen beter systeem gaat opleggen, want ‘ze vindt de ontwikkelingskosten en de uitgaven niet opwegen tegen de baten’’.

Klopt dat niet? Toegegeven, de fout knalt hier niet direct van de pagina. De formulering ‘opwegen tegen’ is een beruchte instinker, schrijft Blaakmeer, zonder uit te leggen wat er in dit geval niet klopt. Wij zijn immers van de taalrubriek.

‘Opwegen tegen’ betekent volgens Van Dale onder meer ‘er niet voor onderdoen’ en ‘goedmaken’: ‘dat weegt niet op tegen – valt in het niet bij’. De kosten vallen dus in het niet bij de baten. Hoera, zou je zeggen, maar Van Veldhoven wil er niet aan, want die bedoelt natuurlijk het omgekeerde.

De constructie werkt alleen als sprake is van iets positiefs dat ter compensatie dient van het negatieve, en niet andersom. De zin had dus moeten luiden: ‘... vindt de baten niet opwegen tegen de ontwikkelingskosten’ (of: ‘volgens haar staan de ontwikkelingskosten (...) in geen verhouding tot de baten’).

Maar het blijft een lastige. Zoals Blaakmeer zegt: ‘Ik durf de stelling aan dat het aantal keren dat de uitdrukking correct gebruikt wordt niet opweegt tegen de keren dat het misgaat.’

2. Onderschatten ‘De strafmaatregelen van Trump doen de Chinese economie pijn. Maar zijn tegenstander is niet te onderschatten.’ Hierin las Pieter Markus in eerste instantie dat China ‘zo nietig is dat elke schatting te groot uitvalt’. Volgens hem had er dan ook moeten staan: ‘is niet te overschatten’.

Heeft de lezer gelijk? Nee, maar na raadpleging van Onze Taal kwam hij dan ook terug op zijn aanvankelijke oordeel.

Het zit ’m erin hoe letterlijk je ‘is niet te onderschatten’ neemt. Lees je het als ‘onderschatten is niet mogelijk’, dan betekent het inderdaad: kleiner dan dit kan haast niet; maar lees je het als ‘dit moeten we niet onderschatten’, dan betekent het: ‘dit is groter dan we wellicht denken’.

Die laatste is de meestgebruikte en volgens Onze Taal ook meest voor de hand liggende vorm; het woordenboek bevestigt dit: ‘een niet te onderschatten factor, die van gewicht is’.

Maar, besluit Markus, ‘om alle verwarring te vermijden zou ik de voorkeur geven aan: ‘Maar zijn tegenstander moet/mag niet worden onderschat.’

Vaste recensenten en vrij taalgebruik

Wie? Anton Overboom uit Prinsenbeek.

Wat? Overboom struikelt over de vaste zin boven de tv-recensie in katern V: V’s recensententeam bestaat uit [naam], [naam], [naam], [naam] en, deze week, [naam]. Zijn regelmatige e-mails met op- en aanmerkingen op taalkundig gebied sluit hij sinds enkele maanden steevast af met dit onderwerp – een kleine duizend woorden heeft hij er inmiddels aan besteed. Bovendien heeft Overboom onderzoek gedaan in zijn directe omgeving. Daardoor weten we dat huisschilder Johan, collega-vrijwilliger Julia, zoon Jorrit in Nieuw-Zeeland en Rini & Ineke allemaal uit de betreffende zin opmaken dat er deze week een invalkracht of gastrecensent aan de beurt is, die geen deel uitmaakt van het vaste team van recensenten.

Heeft de lezer gelijk? Deze aanhouder wint (en bombarderen loont, want we hebben het er nu toch maar mooi over). En ja, Overboom heeft natuurlijk volledig gelijk dat er in taalkundig opzicht best een flinke speld tussen te krijgen is.

Vanwaar dan die onduidelijke zin? Katern V meent zich, in tegenstelling tot het nieuwskatern, hier en daar een wat vrijer taalgebruik te kunnen permitteren. Zie bijvoorbeeld de koppen met woordspelingen – iets wat in het eerste gedeelte van de krant uit den boze is. (Stijlboek: ‘Een kop bevat geen beeldspraak, dubbelzinnigheden, woordspelingen of andere geforceerde humor.’)

Dat sommige zinnen boven of onder rubrieken in V iets ‘losser’ worden geformuleerd, maakt hier deel van uit. Aan grammaticale correctheid wordt niet getornd (althans, niet opzettelijk), maar dat we met ons eigen taalgebruik soms (zeker bij puristen) vragen oproepen, is dan wel een van de consequenties. Hoewel de welwillende lezer uit de door Overboom betwiste zin zal begrijpen dat er een vast team van vijf tv-recensenten bestaat en dat de uitgelichte naam in kwestie deze week aan de beurt is.

Maar lezers die hun weg naar onze taalpostbus weten te vinden, zijn niet altijd even welwillend. Zo stoort Diddy Vos uit Middelburg zich aan de zin boven de foto op, nota bene, de taalpagina: Wat u op ons verzoek opvalt aan... ‘Is dit goed Nederlands?’, vraagt ze, licht verontwaardigd retorisch. ‘Kan iets op verzoek opvallen?’ Antwoord: ja, in V kan dat, want lezers met gevoel voor taal (lees: de doelgroep van deze pagina) kunnen dit soort zinnen wel waarderen, dachten we zo.

Mom, mantra en Irakees

Mom Marijke Heijloo uit Heemstede schrijft: ‘Voor de tweede keer in korte tijd stuitte ik op een merkwaardig gebruik van ‘onder het mom van’. In het artikel over Vogue Italia (6 januari) stond: ‘Onder het mom van ‘Vogue Values’ willen Vogues wereldwijd meer aandacht besteden aan ethische thema’s als duurzaamheid en inclusiviteit.’ ‘Mom’ betekent masker (denk ook aan ‘mombakkes’), dekmantel, voorwendsel, niet de ware gedaante. Als je iets doet ‘onder het mom van iets’, verberg je dus je echte motief. Dat lijkt me in bovenstaande zin niet het geval. Mijn vermoeden is dat de auteur eigenlijk ‘motto’ bedoelt.’

Heeft de lezer gelijk? Helemaal. ‘Onder het mom van’ betekent ‘onder de schijn van’; in de geciteerde zin had inderdaad ‘motto’ (of ‘devies’, of ‘leus’) moeten staan. Dat mom en motto vaker door elkaar worden gehaald, blijkt overigens ook uit het feit dat mensen het woord ‘van’ soms weglaten, in lelijke constructies als ‘onder het mom ‘ik heb niets te verbergen’’.

Irakees Leonard Toepoel uit Ede klaagt ‘dat ‘Irakese’ wordt gebruikt in plaats van het bijvoeglijk naamwoord ‘Iraakse’. Irakees/Irakese is iemand met de nationaliteit van Irak, terwijl Iraaks(e) het bijvoeglijk naamwoord is dat, volgens het woordenboek, iets zegt van, uit, of betreffende Irak.’

Heeft de lezer gelijk? Waar het de Volkskrant betreft wel: Toepoel weet zich gesteund door ons Stijlboek, dat zich baseert op de lijst met ‘Buitenlandse aardrijkskundige namen in het Nederlands’ van de Taalunie. De Dikke Van Dale wijkt hiervan af, door ‘Irakees’ óók als bijvoeglijk naamwoord aan te duiden, dus als synoniem voor ‘Iraaks’.

Mantra Een tijdje geleden alweer vroeg Peter Wesselink uit Maastricht zich af: ‘Is het staand beleid van de Volkskrant om eraan mee te werken dat het de-woord ‘mantra’ sluipenderwijs een het-woord wordt?’

En, staand beleid? Nee, dat niet, maar het lijkt inderdaad een gegeven dat in de Volkskrant, maar ook daarbuiten, steeds vaker sprake is van ‘het mantra’, daar waar het woordenboek dit vooralsnog enkel als mannelijk (en dus als de-woord) benoemt. Ton den Boon, hoofdredacteur van de Dikke Van Dale, voorspelde in 2014 in Trouw ‘dat mantra binnenkort ook ‘officieel’, in het woordenboek, als de- én het-woord wordt beschreven’. We wachten het af.

Het juiste momentum

Wie? Marijn Bleeker

Wat? Bleeker stoort zich aan het woord ‘momentum’, dat hij met regelmaat in de Volkskrant tegenkomt. ‘In het Nederlands hebben we de [natuurkundige] begrippen ‘moment’ en ‘impuls’. De Engelse vertaling van impuls is momentum. Ik stel het zeer op prijs als we met zijn allen het woord impuls gebruiken als we dat bedoelen, het liefst niet het Engelse woord momentum en al helemaal niet het Nederlandse woord momentum, want dat bestaat niet. Ik hoor graag hoe jullie hierover denken.’

Heeft de lezer gelijk? Deels wel, deels niet. Dat het woord in het Nederlands niet zou bestaan, is eenvoudig te weerleggen. Het is inmiddels gewoon te vinden in Van Dale – en dan bestaat het:

momentum (het; g.mv.) moment dat uitermate geschikt lijkt om iets te ondernemen, om iets door te zetten. Eng < Lat. (beslissend ogenblik)

Het komt dus uit het Engels, dat het op zijn beurt heeft ontleend uit het Latijn. Oorspronkelijk is het afgeleid van het werkwoord movere, dat ‘verplaatsen’ of ‘bewegen’ betekent.

In het archief van de Volkskrant komen we het woord meermaals in deze betekenis tegen: ‘Met gevoel voor politiek momentum legt Juncker met ongekende Europese snelheid plannen op tafel voor het bestrijden van de vluchtelingencrisis.’ Met gevoel voor het juiste moment om actie te ondernemen dus.

Laten we ook even kijken wat het Engelse woord momentum nu precies betekent. Opnieuw Van Dale, nu de variant Engels-Nederlands:

1 momentum (natuurkunde) impuls (massa maal snelheid)

2 momentum vaart (ook figuurlijk), (stuw)kracht (the struggle for independency loses momentum: de onafhankelijkheidsstrijd verliest aan kracht)

Lezer Bleeker noemde die eerste, natuurkundige betekenis, maar het is vooral de tweede, veelal figuurlijk gebruikte die je in het Nederlands vaak tegenkomt. Zo ook in de Volkskrant, bijvoorbeeld in een artikel over Zwarte Piet: ‘Zo verwierf een discussie die al vanaf de jaren zeventig wordt gevoerd langzaam maar zeker momentum.’ Oftewel: de discussie won aan kracht, kwam in een stroomversnelling terecht.

Let wel: het woordenboek noemt ‘momentum’ vooralsnog dus niet als mogelijke Nederlandse vertaling. In die zin kun je het woord dus als een (al dan niet ergerlijk) anglicisme beschouwen. Maar het zou ons niet verbazen als een volgende editie van het woordenboek daar een einde aan maakt.

Onuitstaanbare domheid bij gebruik ‘trits’

Wie?

Fer von der Assen uit Voorschoten.

Wat?

Von der Assen stoort zich aan het in zijn ogen foutieve gebruik van het woord ‘trits’ in de Volkskrant. Hij roept op tot lichte kastijding van de daders: ‘Wellicht wordt het tijd voor een vaderlijk vermaan in de vorm van een interne e-mail waarin alle redacteuren erop worden gewezen dat zij het woord ‘trits’ alleen mogen gebruiken als zij ook bedoelen wat het betekent, namelijk drietal.’

De oplettende lezer herinnert zich dat de Ombudsclown onlangs aandacht besteedde aan een identieke taalklacht. Een lezer vond het gebruik van ‘trits’ in de constructie ‘een hele trits’ getuigen van ‘onuitstaanbare domheid’.

De aankaarters lijken dus nogal zeker van hun zaak.

Maar hebben ze ook gelijk?

Een kijkje in de Van Dale wijst uit van niet:

trits (de; -en)

1. drietal, drie

2. reeks, serie: een hele trits deskundigen, voorstellen

(Dat het ook de naam was van een niet zo memorabele quiz van de EO in de jaren negentig, vermeldt het woordenboek er niet bij.)

We hebben het vaker gezien: het woordenboek constateert dat een woord op een nieuwe manier wordt gebruikt en neemt die nieuwe vorm na verloop van tijd op. Zo ontwikkelt een taal zich. Er zijn massa’s woorden waarvan de betekenis in beweging is; kijk maar eens bij ‘oubollig’.

Als we het Volkskrant-archief erop naslaan, valt op dat het woord tot begin deze eeuw voornamelijk werd gebruikt in de oorspronkelijke betekenis, die van ‘drietal’. Zo stond in een artikel uit 2002 over het Groot Dictee: ‘de trits cappuccino, carpaccio of chipolatapudding was menigeen ook te veel’. De laatste vijftien jaar lijkt het gebruik van deze vorm in de krant langzaam uit te sterven. In veruit de meeste gevallen wordt ‘een trits’ nu gebruikt in de zin van ‘een hoop’. Vaak gebeurt dit in de constructie ‘een hele trits’: ‘Kojima heeft een hele trits beroemde vrienden.’

Wellicht is dat laatste ontstaan onder invloed van het woord ‘rits’, zoals in ‘een hele rits verhalen’. In een tweet uit 2013 schreef Onze Taal in antwoord op een taalvraag hierover: ‘‘Rits’ en ‘trits’ kunnen allebei. Geen officiële voorkeur; wij zouden iets eerder ‘rits’ doen omdat ‘trits’ ook ‘drietal’ is.’

In de Volkskrant doen wij inmiddels meer trits dan rits. Niet uit onuitstaanbare domheid, maar gewoon omdat taal nooit stilstaat.

Op hol of op drift?

Wie?

Pieter Markus uit Geldrop (vaste bezoeker van onze postbus, en vaak met goede reden).

Wat?

In de (papieren) krant van 11 november las Markus de wat wonderlijke kop ‘Britse politici op hol door Brexit en leiders’. Het bijbehorende artikel ging over zwevende politici in het geplaagde Verenigd Koninkrijk, die hun partij (Labour dan wel Tories) niet langer trouw wensten te blijven en al dan niet aankondigden met een andere groepering in zee te gaan.

Markus struikelde over het gebruik van ‘op hol’, dat in het artikel verder overigens niet voorkwam. ‘Ik ken deze woordcombinatie alleen van op hol slaan. Oorspronkelijk heeft de uitdrukking betrekking op geschrokken, onbeheerst wegrennende (hollende) paarden. Ik denk dat de koppenmaker bedoeld heeft: op drift (raken). Die uitdrukking is afkomstig uit de scheepvaart. Een politicus die is losgeslagen van zijn anker (zijn eigen partij) is op drift geraakt.’

Heeft de lezer gelijk?

Helemaal; iets met ‘op drift’ was hier inderdaad beter geweest. ‘Op hol’ kent overigens nog wel wat meer mogelijkheden, bijvoorbeeld in combinatie met ‘het hoofd’. Zo zou je kunnen zeggen dat de huidige impasse deze Britse politici het hoofd op hol heeft gebracht – maar dan moet je dat hoofd er wel bij vermelden, wat hier niet het geval was.

De kop boven de onlineversie van het artikel luidde overigens ‘Prominente Britse parlementariërs doen aan politieke partnerruil’. Iets in die richting was wellicht ook voor de papieren krant geschikter geweest.

Nog zo een, graag

Van Johan Schipper (van taaladviesbureau ‘Vooral u taalfouten’ in Coevorden) ontvingen we de volgende boodschap: ‘‘Ondernemers maken zich hard voor handelsverdrag’, luidt een kop in de krant van vandaag. Dat lijkt me sterk.’

Sterk?

Sterk inderdaad, dat maken die ondernemers zich voor het genoemde handelsverdrag: ze willen graag dat het er komt en spannen zich daarvoor in. ‘Zich sterk maken’ en ‘zich hard maken’ lijken op het eerste gezicht synoniemen, maar het laatste betekent volgens Van Dale ‘onwrikbaar op zijn standpunt blijven’.

En waar ‘zich voor iets sterk maken’ correct Nederlands is, is ‘zich voor iets hard maken’ – hoewel met regelmaat gebruikt, in zowel spreek- als schrijftaal – dat (nog) niet. Althans, laten we het op z’n minst een twijfelgeval noemen; vooralsnog maakt het woordenboek er geen melding van.

Met uitsterven bedreigd leesteken?

Wat is de kwestie?

Terwijl de poolkappen smelten en boze burgers wereldwijd de straat op gaan om te protesteren tegen hun regering, zijn er godzijdank ook nog Volkskrantlezers die zich druk maken over de teloorgang van de puntkomma.

Een puntkomma ‘sluit een mededeling af, maar maakt tegelijkertijd duidelijk dat er een directe band is met de volgende mededeling’, aldus Onze Taal. Hij houdt daarmee, schrik niet, het midden tussen een punt en een komma.

Hans van Gerwen vraagt zich af of het leesteken ter ziele is; hij komt het in de Volkskrant haast niet meer tegen. Op zijn vraag zich of dit erg is, geeft hij zelf antwoord: ‘Wél als de puntkomma vervangen wordt door een zin die eindigt met een punt, waarop een nieuwe zin volgt die begint met ‘En...’ of ‘Of...’

Het lijkt inderdaad wel een tendensje: het opbreken, soms ten koste van de puntkomma, van lange zinnen in hapklare brokken. (Dus in zinnen als deze. Of deze.) De auteur vindt dat hij vlotter schrijft, door in de richting van de spreektaal te bewegen, maar dat is precies wat de liefhebber van klassieke krantentaal tegen de borst stuit.

En verder nog klachten?

Ook het gebruik van de komma houdt sommige lezers bezig. Frans van der Laan mailt: ‘Hoe zit het ook alweer? Voor het woordje ‘en’ is het gebruik van een komma toch niet juist?’ Hij verwijst naar de zin ‘Wettelijke verboden helpen de klant niet, en kunnen leiden tot gevaarlijke instabiliteit op de financiële markten’, in de krant van 27 augustus.

De komma is in die zin inderdaad volstrekt overbodig, omdat hij twee persoonsvormen (helpen en kunnen) van elkaar scheidt die bij hetzelfde onderwerp horen en vrij snel op elkaar volgen. Hooguit zou een adempauze hier een komma rechtvaardigen, maar dan was de betreffende auteur kennelijk wel erg kortademig. (Bovendien lopen over de adempauze als reden voor een komma de meningen uiteen.)

Maar toch, ‘als een komma de duidelijkheid of leesbaarheid van een zin vergroot, mag hij worden toegevoegd, óók voor en’, doceert Onze Taal. Sterker nog, er zijn situaties waarin een komma-voor-en misverstanden voorkomt. Neem de Oxford comma, die nuttig is in opsommingen: ‘Ik droomde vannacht over mijn ouders, Bach, en Pinkeltje.’ Haal deze komma na ‘Bach’ weg en mensen zouden zomaar kunnen denken dat je uit een heel bijzonder gezin komt.

Lessen Duits en Latijn

Als je je taalgebruik cachet wil geven door het hier en daar te voorzien van een (al dan niet chic) leenwoord, moet je dat natuurlijk wel foutloos doen, anders bereik je algauw het tegenovergestelde effect. Ook in de Volkskrant gaat dit weleens mis – of soms meent een lezer met kennis van talen althans dat het misgaat.

Les 1: Duits
Maria Rijsbergen las in de Volkskrant van 8 oktober de uitdrukking ‘ im Frage’. ‘Graag zou ik u erop willen attenderen dat dit niet juist is’, schrijft ze. ‘Frage is een vrouwelijk zelfstandig naamwoord en het woordje im (= in dem) kan alleen maar gelden voor mannelijke en onzijdige zelfstandig naamwoorden. Juist is: ‘nicht in Frage’.’

Heeft de lezer gelijk?
Waar het om het Duits gaat: zeker. Maar we hebben het in deze rubriek over correct Nederlands, inclusief leenwoorden. En blijkbaar hebben Nederlanders deze uitdrukking de afgelopen decennia zo consequent verbasterd tot ‘im Frage’, dat Van Dale dit uiteindelijk maar is gaan vermelden als juiste vorm. Wie naar ‘in Frage’ zoekt, wordt zelfs doorverwezen naar de vorm met ‘im’.

Les 2: Latijn
‘Gebruik geen Latijn als je niet weet hoe het echt zit!’, luidt de omineuze titel van de mail van Emmy van Stratum. In de krant van 12 september kwam zij ‘een verkeerd gebruikt Latijns woord’ tegen in een zin over Schotse rechters en ‘hun Engelse amices’. ‘Even een lesje Latijn’, aldus Van Stratum. ‘Daarin bestaat het woord amicus, vriend. Advocaten en artsen spreken hun collegae vaak aan met ‘Amice’: dat is de aanspreekvorm (vocativus) van amicus. Het meervoud van ‘amice’ is ‘amici’. ‘Amices’ bestaat in het Latijn helemaal niet.’

Heeft de lezer gelijk?
Aan de klassieketalenkennis van iemand die ondertekent met ‘classica’ (en die bovendien een Latijns woord in haar achternaam draagt) durven we niet te twijfelen. Maar ook hier heeft de lezer slechts deels gelijk. Wie zijn collegae aanspreekt met ‘amici’ zal de Romeinen aan zijn zijde vinden, maar wie er de verschillende boekjes op naslaat (wit, groen en woorden-), moet constateren dat er in het 21ste-eeuwse Nederlands maar van één meervoudsvorm melding wordt gemaakt: ‘amices’. In de hoedanigheid van Nederlands woord is ‘amice’ dus in de loop der tijd voorzien van een Nederlandse meervoudsvorm, waarmee het dezelfde weg heeft afgelegd als (leen)woorden als ‘baby’s’ en ‘cadeaus’.

Gordiaanse knoop

Een herhalingsoefening (2) Lezers blijven zich storen aan (de worsteling met) sekseneutraal taalgebruik in de Volkskrant. Deze rubriek wijdde er drie jaar geleden al eens een aflevering aan. ‘De bedoeling ervan is simpel: door slechts één vorm te gebruiken willen we bewerkstelligen dat de lezer niet automatisch aan een man of een vrouw denkt. Dat zal even duren, maar werkt uiteindelijk wel, is onze overtuiging’, schreven we destijds.

Dat het even zou duren, was juist opgemerkt.

‘In de Volkskrant van 24 september opent het artikel ‘Het witte goud van Bolivia’ met een curieuze zin: ‘Moedermelk en tranen die over het landschap spoelden, afkomstig van een reus wier kind werd afgepakt’’, schrijven Berty Zeyl en Jan Mets. Volgens hen heeft het ‘politieke-taalcorrectheidsregime’ van de krant hier ‘een ware gordiaanse knoop opgeleverd’.

Het is inderdaad niet heel erg fraai: een reus met moedermelk, en dan ook nog gevolgd door ‘wier’, om aan te geven dat het stiekem toch over een vrouwelijk exemplaar gaat.

Het Stijlboek schrijft voor: ‘Vermijd constructies waaruit de indruk kan ontstaan dat het mannelijke de norm is en het vrouwelijke de uitzondering.’ En even verderop: ‘Alleen als de neutrale variant potsierlijk is omdat die te veel verschilt van het gemiddelde taalgebruik, wordt gekozen voor een aparte mannelijke en vrouwelijke vorm.’

De gewraakte zin is een typisch voorbeeld van een constructie waarbij het potsierlijkheidscriterium in werking treedt.

Een ander voorbeeld Tom Godefrooij las op 31 augustus in het artikel ‘Wie is zaaddonor K34?’ de zin: ‘Maria zal zeker het laatste donorkind niet zijn dat zich tot de rechter wendt om meer over zijn afkomst te ontdekken.’ Taalkundig correct, omdat ‘zijn’ verwijst naar het onzijdige ‘kind’, beaamt Godefrooij. ‘Toch vind ik deze verwijzing potsierlijk, omdat de persoon overduidelijk een vrouw is.’

Ook hiermee kunnen we het alleen maar eens zijn. Ter illustratie: boven de dinsdagse interviews-met-kinderen in katern V staat ‘Portret van een kind in haar slaapkamer’ als het om een meisje gaat en ‘... in zijn slaapkamer’ als het een jongen betreft. Door puristen misschien te betwisten – maar wat ons betreft verdient het de voorkeur waar nodig flexibel om te gaan met taal en sekse, om kromme zinnen, gordiaanse knopen en verbijstering bij lezers te voorkomen.

Menslievende consumptie

Opnieuw aandacht voor het anglicisme, dat een bron van ergernis blijft voor de taalgevoelige lezer. Anglicismen komen in verschillende gedaanten tot ons, de ene keer beter herkenbaar dan de andere.

Een eerste variant betreft de foutieve vertaling. Maria Postema hoorde nagels over een schoolbord krassen toen ze op 6 augustus in de Volkskrant een (vertaald) citaat van een Amerikaanse econoom las: ‘President Trump wil twee vogels doden met dezelfde steen. Enerzijds wil hij China dwingen met zijn handelsvoorstellen akkoord te gaan en anderzijds de Fed om de rente te verlagen.’ Trump is trying to kill two birds with one stone, had die econoom gezegd, waarna de journalist aan het vertalen was geslagen – en dan gaat het weleens mis. Postema heeft op dat vlak meer expertise: ‘Ik prent het mijn vertaalstudenten altijd in: vraag je af hoe je iets in het Nederlands zegt. Dan was de auteur ongetwijfeld vrij snel op ‘twee vliegen in één klap slaan’ gekomen.’’

Een andere variant betreft het ‘klakkeloos omzetten van een Engels woord in een gelijkende Nederlandse vorm’, zoals Pieter Buisman het verwoordt. ‘Is het luiheid of onwetendheid?’, vraagt hij zich af. Zo wordt in een artikel (in de Volkskrant van 7 augustus) over de kathedraal van het Engelse Rochester tot twee keer toe gesproken van een ‘congregatie’, bijvoorbeeld in de zin: ‘...het middenschip van de kathedraal, waar normaal gesproken de congregatie zit.’ De congregation dus, maar dat woord laat zich niet in elke context letterlijk vertalen. Buisman: ‘De enige juiste vertaling lijkt me hier ‘gemeente’, een vooral in protestantse kring gebezigd woord voor de lokale geloofsgemeenschap.’

Onder invloed van het Engels lijkt de betekenis van sommige Nederlandse woorden te verschuiven. Zo heeft het Engelse serious ‘een breder toepassingsgebied’ dan het Nederlandse serieus, schrijft Robert de Wilde. ‘En dat sluipt nu ook het Nederlandse taaldomein binnen.’ Even zoeken in het Volkskrant-archief levert inderdaad al snel treffers op als ‘een serieuze diplomatieke ruzie’ en ‘het meest serieuze risico’.

Vaak bevinden dit soort woorden zich in een grijs gebied: onjuist kun je ze niet (meer) noemen, maar lekker in het gehoor liggen ze ook (nog) niet. Zo las Peter Boerman over de ‘globale ontwikkelingen’ die van invloed zijn op de olieprijs, en over de ‘humane consumptie’ van soja. Boerman: ‘Ik begrijp niet wat er zo menslievend is aan sojaconsumptie.’

Beducht of bedacht?

Wie?R. Bohlmeijer uit Brummen.

Wanneer?De krant van 31 augustus.

Wat?De kop boven een artikel over mannen die (soms tegen betaling) andermans kind erkennen zodat de moeder een verblijfsvergunning kan aanvragen, luidde: Ambtenaren beducht voor ‘schijnvaders’. Bohlmeijer: ‘Bij zo’n kop mag je verwachten dat die schijnvaders met een hoop bombarie en agressie van ambtenaren eisen dat de erkenning van een kind wordt geaccepteerd. In het hele artikel is daarover niets terug te vinden, wel dat ambtenaren alert moeten zijn dat zulks gevraagd kan worden. De kop had dus moeten luiden: Ambtenaren bedacht op ‘schijnvaders’.

Heeft de lezer gelijk?Volledig. De woorden ‘beducht’ en ‘bedacht’ schelen weliswaar maar één letter en worden soms ook nog eens in een soortgelijke context gebruikt, maar hun betekenis is volstrekt verschillend. ‘Beducht’ is een bijvoeglijk naamwoord dat Van Dale als volgt omschrijft: ‘bevreesd: voor iets of iem. beducht zijn, vrezen dat er wat mee gebeurt; van beduchten (vrezen)’. ‘Bedacht’, ook een bijvoeglijk naamwoord, gebruik je in de constructie ‘op iets bedacht zijn’, door Van Dale omschreven als: ‘1 het plan, voornemen daartoe hebben, eropuit zijn; 2 voorbereid op, met zorg denkende aan’.

In bovengenoemd voorbeeld gaat het om die tweede betekenis. De betreffende ambtenaren zijn, zo mogen we althans hopen, niet bang voor schijnerkennende ‘vaders’, wel zijn ze erop voorbereid dat ze met deze frauduleuze lieden te maken kunnen krijgen.

Dan nog iets andersGuido Verhagen stoort zich aan ‘politiek correct gedoe’ in de Volkskrant: ‘Kunt u eens stoppen met dat oneigenlijke gebruik van het woord ‘witte’. Je bent wit als je te weinig in de zon ligt. Anders gewoon blank.’

Een duik in het archief van de krant leert dat hierover bepaald geen nationale consensus bestaat. Interessant zijn wat dit betreft de uiteenlopende reacties op de vaste vraag ‘Wit of blank?’ in de rubriek ‘Land van afkomst’, waarin Robert Vuijsje Nederlanders interviewt over de rol die afkomst speelt in hun leven. Waar de een ‘blank’ een beladen term vindt, geldt dat bij de ander juist voor ‘wit’.

Feit is dat de Volkskrant, politiek correct of niet, hierin een bewuste keuze maakt. Uit het Stijlboek: ‘Als we bevolkingsgroepen langs lijnen van huidskleur indelen, verdient de indeling wit/zwart de voorkeur boven blank/zwart. Omdat het logischer is, maar ook omdat ‘blank’ de associatie met ‘onschuld’ in zich draagt.’

Een constructie om voor te waken

Wie? Jos. Biemans uit Aarle-Rixtel.

Wanneer? De krant van 12 augustus.

Wat? Biemans: ‘Zoals legio andere media kent ook de Volkskrant het verschil niet meer tussen ‘ergens voor zorgen’ en ‘ergens voor waken’. Een voorbeeld in ‘Het eeuwige leven’ over Bert Donia: ‘...moest KK ervoor waken dat het voordeel niet teniet zou worden gedaan door hogere prijzen.’ Niet moet hier weg, omdat anders het tegendeel betoogd wordt van hetgeen bedoeld wordt.’

Heeft de lezer gelijk? Net als bij eerdere kwesties moet ook hier de taalpurist het helaas afleggen tegen het voortschrijden der tijd (en taal). Een rondgang langs de verschillende taalautoriteiten leert ons dat je de constructie ‘ervoor waken dat’ inmiddels zowel met als zonder ‘niet’ kunt gebruiken, zonder dat daarbij sprake hoeft te zijn van betekenisverschil.

De Taalunie zegt hierover: ‘Ervoor waken dat is standaardtaal in Nederland. Het is een vrij formele en bovendien dubbelzinnige constructie, omdat ze op twee manieren geïnterpreteerd kan worden: ontkennend (‘ervoor zorgen dat niet’) of bevestigend (‘ervoor zorgen dat’).’ Ze heeft voor steeds meer taalgebruikers die laatste betekenis, voegt Onze Taal daaraan toe. ‘Dit maakt het gebruik ervan een beetje ‘gevaarlijk’: de lezer kan de zin anders opvatten dan je bedoelt.’

Kortom, we moeten ervoor waken dat we deze constructie gebruiken in situaties waarin ze voor verwarring zou kunnen zorgen. Bovendien zijn er voldoende alternatieven voorhanden waarbij geen twijfel mogelijk is: ervoor zorgen dat (niet), erop letten dat (niet), voorkomen dat, verhinderen dat, beletten dat...

Dan nog even dit Om terug te komen op de vraag van drie weken geleden of het niet ‘op vakantie’ maar ‘met vakantie’ zou moeten zijn (conclusie: dat mag tegenwoordig allebei): van meerdere kanten werden wij erop gewezen dat dit in tijden van verzuiling een manier was waarop je de katholiek kon onderscheiden van de protestant. Zoals een van de lezers het verwoordde: ‘Ik ben protestants opgevoed, wij gingen mét vakantie. Als iemand zei dat hij óp vakantie ging, dan wist je meteen dat hij katholiek was.’

Waar dit verschil in voorzetselgebruik nu precies vandaan komt, is niet helemaal duidelijk. Het zou natuurlijk ook gewoon iets geografisch bepaalds kunnen zijn: een nuance in taalgebruik tussen noordelijke en zuidelijke provincies. Ook bovengenoemde lezer betwijfelt of je de verklaring voor het verschil in de religieuze hoek moet zoeken: ‘Bij mijn weten was er in de Bijbel nooit sprake van vakantie.’

Iedereen op vakantie. Of met?

Was er nog post? Ja hoor, genoeg, met onder andere twee kwesties die op het eerste gezicht niet zo veel met elkaar te maken lijken te hebben:

1. ‘Misschien moet ik maar eens op vakantie’, las Frits Booy op 26 juli in de column van Sander Donkers. Mis, zegt Booy, dat moet ‘met vakantie’ zijn.

2. Op de foto van een reclameposter in een bushokje, enkele weken geleden op de taalpagina, kwam het werkwoord ‘verzenden’ voor. Niet juist, meent Maurice Verhaeg, ‘het is versturen of zenden. Verzenden is een contaminatie’.

Wat hebben deze twee met elkaar te maken? Bij sommige klachten die de Volkskrant ontvangt over het eigen taalgebruik, gaat het om kwesties waarbij de schrijver enkele decennia geleden wellicht een stuk sterker zou hebben gestaan dan nu. Ook in bovenstaande gevallen gaat het om beweringen die je in 2019 maar moeilijk kunt volhouden.

De eerste Is het, zoals Booy beweert, niet op maar alleen met vakantie? ‘Vroeger werd op vakantie weleens afgekeurd’, zegt Onze Taal hierover, ‘het zou een contaminatie (verhaspeling) zijn van op reis en met vakantie.’ Maar inmiddels moeten we constateren dat de constructie al een halve eeuw in de verschillende woordenboeken te vinden is, en dan is er domweg geen weg meer terug. Ingeburgerd. Correct Nederlands. Accepteren en weer verder.

De tweede Verzenden dan, is dat inderdaad onjuist? Opnieuw Onze Taal: ‘Sommige contaminaties verwerven bestaansrecht. Zo is bekritiseren een versmelting van beoordelen en kritiseren, en is verzenden ontstaan uit versturen en zenden. Oorspronkelijk ondervonden deze contaminaties afkeuring, maar inmiddels zijn ze volledig geaccepteerd.’ De poster had het dus (wat dit betreft althans) bij het rechte eind.

Ooit gold – analoog aan ‘de vrouw die’ en ‘het meisje dat’ – daar als correct betrekkelijk woord in constructies als ‘de plaats daar ik woon’. Langzaam maar zeker is dit in onbruik geraakt, ten faveure van waar. Daar hoor je niemand meer over.

De conclusie is – daar gaan we weer – dat taal verandert. En dus zit er voor de mens niets anders op dan maar mee te veranderen met die taal. Je weet toch.

‘zijn website, waar bezoekers wordt aangespoord bewuste keuzes te maken’

De eerste kwestie Onze trouwe geelmarkeerder Marijke Dohmen stuitte dit keer op de zin ‘zijn website, waar bezoekers wordt aan - gespoord bewuste keuzes te maken’, in de krant van woensdag 17 juli. Daar gaat inderdaad iets niet helemaal goed. De auteur (of eindredacteur) heeft vermoedelijk geprobeerd een taalkundige valstrik te omzeilen, maar is daarbij alsnog uitgegleden.

Leg uit Er zijn passieve zinnen – neem ‘Werklozen wordt een uitkering toegekend’ – waarin een woord dat op het eerste gezicht wellicht onderwerp lijkt (‘Werklozen’), indirect object blijkt te zijn: hunwordt een uitkering toegekend. Maar dat gaat voor bovengenoemde bijzin niet op. Daarin is ‘bezoekers’ namelijk wel degelijk het onderwerp. En die bezoekers worden aangespoord om... meervoud dus. De verwarring werd ongetwijfeld veroorzaakt door constructies als ‘Reizigers wordt verzocht de trein te verlaten’. Daarbij ligt het echter net iets anders: ‘hun wordt (iets) verzocht’ is immers correct Nederlands, maar ‘hun wordt (iets) aangespoord’, dat kan niet.

Verder nog? Een situatie waarin het indirect object opnieuw een rol speelt (zij het wat indirecter), werd aangestipt door Rob de Waal Malefijt. Hij las: ‘Het gaat onder je huid zitten.’ ‘Ik heb altijd geleerd dat alleen juist is: ‘opent je de ogen’, ‘is hem op het lijf geschreven’, enz.’, aldus deze lezer, die voor de zekerheid zijn geboortejaar (1943) erbij vermeldt. De Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS) er maar eens bij gepakt. ‘In de standaardtaal is het ‘possessieve lidwoord’ (al dan niet gecombineerd met een wederkerend of persoonlijk voornaamwoord) normaal als de zin figuurlijke betekenis heeft of als het gaat om min of meer vaste verbindingen.’ Als voorbeeld van zo’n verbinding noemt de ANS ‘iemand de hand drukken’, waarbij ‘de’ het possessieve lidwoord is: je drukt, als je iemand groet, niet zijn of haar hand, je drukt hem of haar de hand. ‘Het gebruik van het bezittelijk voornaamwoord is hier niet uitgesloten’, vervolgt de ANS. .‘Maar bij veel vaste uitdrukkingen is het gebruik van het bezittelijk voornaamwoord geheel uitgesloten.’ Zo zegt hopelijk niemand: ‘Dat heeft mijn das omgedaan’, als iets hem of haar heeft genekt.

Maar wat heeft het indirect object daarmee te maken? In een zin als ‘Het opent je de ogen’ fungeert ‘je’ als bezittend onderwerp, het verwijst immers naar de bezitter van die ogen. Net als het ‘ondervindend voorwerp’ van vorige keer is dat een zusje van het meewerkend voorwerp. En al die zusjes zijn varianten van het indirect object.

Drie keer meer of vier keer zo veel?

De eerste kwestie In de krant van maandag 24 juni las Marijke von Bergh: ‘De zuidpool is een gebied anderhalf keer groter dan Europa’. ‘Even googlen liet zien dat Europa 10 miljoen km2 bestrijkt en de Zuidpool 14 miljoen’, aldus Von Bergh. ‘Gegeven de snel krimpende  ijsmassa was deze dus tot voor kort anderhalf keer zo groot als Europa.’ En niet anderhalf keer groter, want dat zou neerkomen op  tweeënhalf keer zo groot, wil ze maar zeggen.

Een terechte klacht? Strikt genomen wel, maar toch denkt de Taalunie er anders over. De makers van het Groene Boekje wijden op taaladvies.net een hele pagina aan dit verschijnsel. ‘Vanuit een rekenkundig standpunt zou ‘drie keer meer’ kunnen worden opgevat als ‘vier keer zoveel’, aldus de Unie – precies het punt dat Von Bergh maakt dus – maar  ‘gewone taal volgt niet altijd strikt rekenkundige principes/logica’. En zo blijft gewone taal, met al zijn inconsequenties, voor sommigen een eeuwige bron van frustratie.

Iets heel anders dan Ria van Gelderen wijst ons op ongepast gebruik van het werkwoord ‘passen’ in het artikel ‘Gratis retourneren strop voor webshops’ in de Volkskrant van 4 juli. ‘Er staat: ‘Wie twee paar schoenen bestelt en die beide niet past, moet ze wel weer terug kunnen sturen.’ Dat betekent dat de schoenen in de doos blijven.’

En? Van Gelderen heeft gelijk. Bij ‘passen’ als onovergankelijk werkwoord (zonder bijbehorend lijdend voorwerp), in de betekenis van ‘de vereiste grootte hebben’, is niet de persoon maar de schoen het onderwerp – dus ‘de schoen past mij’ en niet ‘ik pas de schoen’ (dat laatste kan alleen bij de overgankelijke variant van ‘passen’: uitproberen of een kledingstuk het gewenste formaat heeft). Hier had dus iets moeten staan als: ‘Wie twee paar schoenen bestelt, die beide niet (blijken te) passen, ...’

Het kan natuurlijk altijd nog ingewikkelder. Want hoe zit het dan met ‘Wie de schoen past, trekke hem aan’? In dat spreekwoord gaat het niet over iemand die uitprobeert of een schoen groot genoeg is (in dat geval was ‘trekke hem aan’ een zinloos advies geweest; wie een schoen aan het passen is, is daar  immers allang mee begonnen) – met andere woorden, de betreffende persoon (‘Wie’) is ook hier niet het onderwerp, terwijl hij op het eerste gezicht wél het onderwerp lijkt van de tweede helft van de zin: ‘trekke hem aan’. Maar het zit net even anders: ‘Wie’ fungeert hier als ondervindend voorwerp (een zusje van het meewerkend voorwerp); het daadwerkelijke onderwerp van de zin is het hele eerste gedeelte: ‘Wie de schoen past’. Een uitgebreide versie van het spreekwoord zou dan ook kunnen luiden: ‘Degene voor wie deze schoen van het juiste formaat is, mag hem aantrekken.’

‘Het is niet alsof...’

Wie? Imma Muris uit Nuth.

Waar en wanneer? In de Volkskrant en daarbuiten, meerdere keren.

Wat? Muris schrijft: ‘De laatste tijd stuit ik steeds vaker op het zinnetje ‘Het is niet alsof...’ en dan volgt er iets waaruit blijkt dat het nu juist wél is alsof... Ik vermoed dat het een anglicisme is en/of een letterlijke vertaling uit het Engels.’

Een anglicisme, en dat vervolgens ook nog eens verkeerd gebruiken – een grotere zonde op taalgebied is haast niet denkbaar.

Geef eens een voorbeeld In het artikel ‘Het neerslaan van het Tiananmenprotest is een gapend gat in het geheugen van Chinese jongeren’ (de Volkskrant, 2 juni) zegt een van die jongeren (in Nederlandse vertaling): ‘Dit is geen onderwerp waar je openlijk over praat, maar het is niet alsof we het vermijden. We praten er gewoon niet vaak over, omdat het voor ons niet belangrijk is.’

De ellende wordt in dit geval veroorzaakt door het Engelse woord like – in het (Amerikaans-)Engels toch al vaak niet meer dan een loos tussenwerpsel – dat hier ten onrechte letterlijk is vertaald met ‘alsof’. Het lijkt van buitenaf namelijk wel degelijk alsof de jongeren het onderwerp vermijden. Maar, zo probeert de spreker te zeggen, dat is feitelijk niet het geval. In plaats van ‘het is niet alsof’ had hier dan ook beter ‘het is niet zo dat’ kunnen staan.

Dezelfde constructie was vorig jaar al eens in deze krant te lezen in een interview met een 21-jarige, die verklaarde: ‘Ik bedoel: het is niet alsof ik mijn leven niet together heb, maar ik weet niet hoe ik mijn belastingen moet doen, heb een jongenslijf en jeugdpuistjes zijn nog steeds een ding.’ Überhaupt een schitterende zin, waarin we zo al vier anglicismen tellen (en een dubbele ontkenning draagt doorgaans ook niet bij aan de helderheid). Maar wat deze jongere eigenlijk bedoelt te zeggen, is dat hij zijn leven wel degelijk op orde heeft. Nu zijn taalgebruik nog.

Anders nog iets? Als we het toch over foutief vertaalde termen uit het Engels hebben: in een artikel over de herdenking van D-day (de Volkskrant, 6 juni) las Derk HilleRisLambers (sic) de zinsnede ‘in een vossenhol waar [een Britse militair] dekking had gezocht’. ‘Ik vraag ik mij af of de auteur heeft gemist dat het Engelse woord foxhole in deze context wellicht beter vertaald kan worden met ‘schuttersput’, schrijft hij.

En terecht, een vossenhol was in dit geval wat krap geweest; in tegenstelling tot de Engelse term heeft de Nederlandse geen dubbele betekenis. In de onlineversie van het artikel was deze fout overigens al snel hersteld.

Onana trok tijd en de rivieren in Alaska ontdooiden nog nooit zo vroeg

Een drietal kwesties deze week. 1. Willy Roefs las dit in de krant van 9 mei: ‘Na 3 minuten en 54 seconden in blessuretijd kopte Llorente over, met doelman Lloris al naast hem in de spits. Onana trok tijd, kreeg geel en trapte uit bij 4'20.’ Roefs meent het eerder gelezen te hebben (‘de laatste keer waren het Portugezen die tijd trokken’) en verzucht: ‘Doe dit alsjeblieft niet meer.’ Dat laatste kunnen we niet beloven. Aan een mouw trek of trok je en tijd rek of rekte je, dat weet iedereen, maar in de haast is zo’n verledentijdfout makkelijk gemaakt en dit keer is er daarna ook nog eens overheen gelezen. Het omgekeerde komt ook voor: als het voltooid deelwoord van twee werkwoorden (aflassen en afgelasten) hetzelfde is (afgelast), wordt in de tegenwoordige tijd soms het verkeerde werkwoord gekozen: ‘Laten we de wedstrijd aflassen.’ Maar laten we Cruijff indachtig hopen op betere tijden: je bent er pas alert op als je het weet.

Kwestie 2 lijkt erop. Adriaan Achterberg las in de zaterdagbijlage Boeken & Wetenschap dat de vertaalde titel van Truman Capotes roman In Cold Blood luidde: In koelen bloede. ‘Daar viel mijn oog op. Ik vond het raar staan, ik dacht dat het In koele bloede moest zijn. Op internet vind ik beide schrijfwijzen.’ Om met dat laatste te beginnen: wie internet als scheidsrechter gebruikt voor taalkwesties, zal zelden één duidelijk antwoord krijgen. Van Dale is voor dit soort zaken misschien handiger, en in elk geval gezaghebbender. Daar blijkt in koelen bloede de enige juiste vorm te zijn. Heeft te maken met de in de Nederlandse taal zo goed als uitgestorven naamvallen, die alleen nog in sommige staande uitdrukkingen voorkomen. Tijdens het schrijven van dit stukje checkte een collega nog hardop: in groten getale. Klopt. Die -n achter de bijvoeglijke naamwoorden wordt gedicteerd door het voorzetsel en het geslacht van het zelfstandig naamwoord. Op taaladvies.net staat een lijst met dergelijke staande uitdrukkingen. Dat zijn er meer dan u denkt.

Kwestie 3 is iets anders. Berend van Wijk las dit op de website: ‘Rivieren Alaska in ruim honderd jaar nog nooit zo vroeg ontdooid.’ Hij komt het naar eigen zeggen vaker tegen in de krant, dat in zijn ogen verkeerde gebruik van nooit: ‘Ik zou zeggen dat iets óf nooit is gebeurd óf niet in een bepaalde periode.’ Dat klinkt logisch, wat Van Wijk schrijft. Maar taal en logica nemen weleens een verschillende afslag. In de uitdrukking nu of nooit is nooit tamelijk absoluut bedoeld. Anders ligt dat bij nooit van mijn leven, een veelgebezigde uitdrukking. En mijn leven is meestal korter dan die honderd jaar in Alaska. Dus fout kun je dat gebruik niet noemen. Toch snijdt het gevoel van Van Wijk wel hout. De koppenmaker had ook kunnen schrijven: ‘Rivieren Alaska in ruim honderd jaar niet eerder zo vroeg ontdooid.’ Betekent hetzelfde en is stilistisch ontegenzeglijk beter. Maar schreeuwt minder. En dat is iets wat (koppenmakers op internet) vaker dwarszit: de neiging extreme woorden te kiezen om de aandacht te trekken. Gelukkig druist dat voorshands nog in tegen ons taalgevoel.

Over het consumeren van meringues en het consummeren van de merengue

Klein goed deze week 
De ene Volkskok meldde zich om een andere Volkskok, en ons, op een makkelijk gemaakte fout te wijzen, in de krant van 19 én 30 april ook daadwerkelijk gemaakt. Kom er maar in, Onno Kleyn: ‘Dit is alweer de tweede keer dat Volkskoks merengue schrijven waar het meringue moet zijn.’

Heeft de Volkskok gelijk? 
Dat sowieso, en in dit geval heeft Kleyn gelijk: een merengue is, aldus het Van Dalewoordenboek, ‘een po­pu­lai­re dans in de Do­mi­ni­caan­se Re­pu­bliek en Haï­ti met Spaan­se en Afri­kaan­se ele­men­ten’. Het woord stamt dus ook uit het Spaans. Het door de dienstdoende Volkskok bedoelde ‘ge­bak­je van schuim­deeg’ is een meringue. Dat woord stamt uit het Frans. Het product zelf stamt dan overigens weer uit het Zwitserse stadje Meiringen, waar naar verluidt een patissier rond 1600 de eerste bakte. En Meiringen op zijn beurt is misschien nog wel bekender omdat Arthur Conan Doyle er ooit een beroemde scène liet spelen, waarbij zijn held Sherlock Holmes schijnbaar om het leven kwam. Het verder tamelijk onooglijke stadje dankt er een Sherlock Holmes-museum aan. Maar dit terzijde.

Onhandig, dat zoiets bestaat
Zeker, twee woorden die qua spelling zó dicht bij elkaar liggen, maar iets totaal anders betekenen. Marijke Heiloo uit Heemstede maakte ons attent op een andere instinker, die opdook in een interview met Ramsey Nasr (3 april) waarin het ging over schrijver Thomas Mann en diens gevoelens voor jonge jongens. Heiloo: ‘Ik denk niet dat Mann die verlangens nooit heeft willen consumeren, maar dat hij heeft gesproken over consummeren.’

Heeft de lezer gelijk?
Ja. Consumeren betekent, zoals we weten, nuttigen, gebruiken en komt van het Latijnse woord consumere. Het Latijnse consummare bestaat ook en betekent voltooien, tot perfectie brengen. In het Nederlands luidt dat: consummeren (met als vormvariant consommeren). Veelal gebruikt in combinatie met liefde. En daar zit hem de kneep. Blijkbaar vinden veel mensen liefde ook iets wat je kunt nuttigen of gebruiken en zien ze geen been in het gebruik ervan in combinatie met consumeren. Maar Thomas Mann had het wel degelijk over het tot perfectie brengen of voltooien, oftewel zijn gevoelens omzetten in seksuele handelingen. En dus had hier consummeren moeten staan. Consumeren is meer iets voor een meringue.

Meervoud, enkelvoud, een punt of een komma?

Wie? Marijke Dohmen.

Waar en wanneer? Op volkskrant.nl, woensdag 17 april.

Wat? Dohmen las en stuurde deze zin uit een kop: Vier op de tien sigaretten stoot te veel schadelijke stoffen uit. Met daaronder in het intro deze zin: Vier op de tien sigaretten stoten te veel schadelijke stoffen uit.

Welke is juist? Dohmen: ‘Stoten is juist. Is dit risicospreiding?’

Heeft de lezer gelijk? Jazeker. Want de zin is een ingekorte versie van Vier sigaretten op de tien sigaretten stoten te veel schadelijke stoffen uit’ Maar de vergissing is wellicht makkelijk gemaakt omdat één op de tien sigaretten wel tot een enkelvoudige persoonsvorm noopt. En vier is net als een een telwoord. Overigens was de fout, en dat is het fijne van internet, snel hersteld.

Nog meer van dergelijke simpele taalkwestietjes? Genoeg. Wim Hilbrants viel dit op in de krant van dinsdag 9 april:

Hilbrants: ‘In het artikel ‘Vernederd, gebleven, dan toch weg’ lees ik het volgende: ‘....uiteindelijk pasten ze niet in hun functie. Waarna ze werden vervangen door....’’ Het vreemde is, aldus Hilbrants, dat na functie niet alleen de zin eindigt, maar ook een alinea. ‘Met waarna begint niet alleen een nieuwe zin, maar zelfs een nieuwe alinea, terwijl die zin in wezen een bijzin is bij de voorafgaande zin. De punt na functie had een komma moeten zijn en de zin had moeten doorlopen. Probeer de waarna-zin alinea maar eens te lezen zonder kennis van de daaraan voorafgaande.’

Heeft de lezer gelijk? Wederom. Interpunctie wordt in de Volkskrant te vaak stiefmoederlijk behandeld. Wie oog heeft voor het kommagebruik wordt het soms zwaar te moede. Te vaak worden (in de haast?) rond een bijzin komma's gezet zonder na te denken of de bijzin een beperkende of een uitbreidende is, terwijl dat bepalend kan zijn voor de betekenis. Zie bijvoorbeeld Vanaf nu krijgen scooterrijders, die op het fietspad rijden, een bekeuring / Vanaf nu krijgen scooterrijders die op het fietspad rijden, een bekeuring. Eén komma verschil slechts, maar in het eerste voorbeeld krijgen alle scooterrijders een bekeuring en in het tweede geval alleen de scooterrijders die op het fietspad rijden.

‘Zich bedenken’ of ‘bedenken’: dat zijn twee heel verschillende dingen

Wie Kees van den Bosch uit Zoetermeer.

Wanneer De krant van 27 maart, oftewel dit stuk.

Wat Van den Bosch: ‘Wéér ging er een alarmsignaaltje in mijn hoofd af. Het komt steeds vaker voor dat mensen ‘zich bedenken’ zeggen terwijl ze eigenlijk ‘bedenken’ bedoelen. Ook bij hoogopgeleide mensen wordt dit algemeen gebruik. Zich bedenken (= op andere gedachten komen) is natuurlijk heel iets anders dan bedenken (= zich realiseren).’

Heeft de lezer gelijk? Allereerst: de redactie heeft deze rubriek nieuw leven ingeblazen omdat er weer ouderwets veel geklaagd wordt over het taalgebruik in de Volkskrant. Opvallend daarbij is dat de kwesties die ter sprake komen veelal dezelfde zijn die op deze plek verschenen voordat we de rubriek inruilden voor ‘In goed Nederlands’. Ook bovenstaande ergernis kwam al eens ter sprake. Maar, zoals Van den Bosch schrijft, ‘het komt steeds vaker voor'. Nu laten we die bewering graag voor rekening van de lezer, maar het is een veel gemaakte fout: het wederkerend maken van werkwoorden die dat niet zijn. Beseffen en bedenken zijn vooralsnog geen wederkerende werkwoorden en nopen dus niet tot het gebruik van een wederkerend voornaamwoord.

Waarom hoor je het dan toch zo vaak? Er wordt geconstateerd dat het gebeurt, zonder dat iemand er vooralsnog een sluitende verklaring voor heeft - iets wat je vaker ziet bij taalontwikkelingen. Het omgekeerde van het fenomeen komt opvallend genoeg óók vaak voor: het weglaten van het wederkerend voornaamwoord bij wederkerende werkwoorden, zoals (zich) herinneren, (zich) realiseren. In De geschiedenis van het Nederlands in de twintigste eeuw noemen de auteurs (J. en K. van der Horst) twee mogelijke verklaringen: het weglaten of toevoegen gebeurt op basis van analogie met gelijkende woorden - daar komt het gebruik van zich irriteren wellicht vandaan. Of ‘het algemenere verdwijnen van zich (...) heeft tot gevolg dat men hier en daar, hypercorrect, juist extra zich gaat gebruiken'.

Tot slot Een soortgelijke ontwikkeling doet zich voor bij (on)overgankelijke werkwoorden. Werkwoorden die in een zin een lijdend voorwerp moeten hebben, worden gebruikt zonder. Missen is er zo een. Volgens de Taalunie, op haar website taaladvies.net, is dat inmiddels standaardtaal. Volgens veel van onze lezers vermoedelijk niet. Zij zullen met Kees van den Bosch verzuchten: ‘Hoe lang moet het duren voordat taaldeskundigen in de toekomst gaan vastleggen dat dit taalgebruik niet meer foutief is?’

Ook gestuit op (vermeend) verkeerd taalgebruik in de krant? taal@volkskrant.nl

Een aantal is of een aantal zijn: hoe zit het ookalweer?

Wie
Ine Smeets uit Palemig (Heerlen).

Wanneer
De krant van 16 maart, voorpagina.

Wat
Smeets: ‘In het stukje van Paulien Cornelisse staan naar mijn idee twee taalfouten. Volgens mij hoort na het woord ‘paar’ een enkelvoudig werkwoord te staan. Dus in plaats van ‘een paar jongeren zijn’, ‘een paar jongeren is’.’

Heeft de lezer gelijk?
Het is geregeld binnenvallende post: lezers die struikelen over ‘een aantal’ of ‘een paar’ in combinatie met een persoonsvorm in meervoud. Dat dat laatste niet correct is, blijkt een wijdverbreid misverstand. We leggen het met plezier nog een keer uit, aan de hand van twee voorbeeldzinnen. Het aantal leerlingen is gedaald en Een aantal fietsers reden door rood.

In de eerste zin zou een persoonsvorm in het meervoud inderdaad niet correct zijn. In de tweede zin is het meervoud geen probleem. Het verschil zit hem in het lidwoord. Of, zoals de Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS) schrijft: ‘Staat bij een substantief een bepaalde determinator, dan is alleen dat enkelvoudige substantief op te vatten als de kern van de naamwoordelijke constituent.’ Oftewel: in de eerste zin ligt de nadruk ondubbelzinnig op het aantal en kan de persoonsvorm alleen enkelvoud zijn, in de tweede zin kunnen ook de fietsers de kern vormen. Daarom is in de tweede zin zowel enkelvoud als meervoud mogelijk, afhankelijk van wat je wilt benadrukken. Door in de eerste zin het te gebruiken, maak je al duidelijk dat je aantal wilt benadrukken en dan móét je dus enkelvoud gebruiken.

In de zinnen waarop lezer Ine Smeets stuitte, schreef Paulien Cornelisse een paar, en dus weet alleen zij of de persoonsvorm in het enkelvoud of meervoud moet. Ze koos voor meervoud, waaruit wij, lezers, kunnen concluderen dat het woord jongeren hier de ‘kern van de naamwoordelijke constituent’ vormt.

Handig om te weten
Bovenstaande geldt voor alle ‘constituenten met een meervoudig substantief dat voorafgegaan wordt door een enkelvoudig substantief'. Oftewel constructies als een massa mensen, een drietal vogels, een handjevol voorbeelden, dit soort problemen. Maar het Nederlands zou het Nederlands niet zijn zonder uitzonderingen. Want een kudde schapen kan dan weer alleen met enkelvoud. Waarom? Omdat drietal, dit soort of een handjevol woorden zijn ‘waarvan de eigen betekenis afgezwakt is en die praktisch fungeren als een onbepaald hoofdtelwoord’. En kudde is níét zo'n woord, evenmin als onder meer menigte, rij en verzameling.

En tot slot de disclaimer
Over dat verschil tussen zeg maar aantal en kudde nog één keer de ANS: ‘Al is de grens tussen beide categorieën niet scherp te trekken.’

Vlaamse Vlaming

Wie? 
Wim de Koning Gans uit Den Haag

Wat? 
Hij las dit in de krant van 20 september, over de uitreiking van de theaterprijzen Theo en Louis d’Or: ‘Ook met de bekroning van Vanden Broecke koos de jury voor een verrassende winnaar. De Vlaamse Vanden Broecke (43) werd verkozen boven...’ De pijn bij De Koning Gans – en bij veel andere lezers, merken we telkens weer – zit in de Vlaamse Vanden Broecke.

Hoezo? 
Of de constructie grammaticaal goed of fout is, laten we voor het gemak even buiten beschouwing – de Taalgebruik-jury durfde daarover geen definitief oordeel te geven – maar een dergelijke constructie kan verwarrend zijn. Vlaamse wordt gebruikt als aanduiding van een vrouwelijke inwoner van Vlaanderen en Bruno Vanden Broecke is een man. Zo geredeneerd had er beter De Vlaming Vanden Broecke geschreven kunnen worden. De Gans Koning noemt nog een argument tegen de constructie. Vergelijk de Vlaamse Vanden Broecke eens met (gezegd over zangeres Glennis Grace) de Nederlandse Whitney Houston en het is duidelijk: ook deze betekenis is hier niet van toepassing.

Dus?
De Vlaamse Pierre Bokma kan wél, de Vlaamse Bruno Vanden Broecke eigenlijk niet.

Verschillende, verscheidene en meerdere

Wie en wat?
Pieter Houdewind stuit geregeld op zinnen als deze, in de krant van 12 september: ‘Dat lijkt mee te vallen, stelt advocaat Bart Nooitgedacht, die verschillende teruggekeerde Syriëgangers bijstaat.’ Houdewind: ‘Verschillende, gelukkig niet steeds dezelfde.’ Volgens hem zou je hier verscheidene of meerdere moeten schrijven.

Heeft de lezer gelijk?
Nee. Het is een opmerking die vaker onze kant op komt, maar inmiddels wordt verschillende in de betekenis van enkele, een aantal algemeen aanvaard. Al gebiedt de eerlijkheid te zeggen dat Van Dale deze betekenis nog altijd reserveert voor informeel taalgebruik. Gelukkig hoeft de krant niet altijd formeel te zijn.

Bakzeil halen of nul op het rekest krijgen?

Wie en wat Derk Hille Ris Lambers las in de krant van 22 augustus dat de gemeente ­Nijmegen bakzeil haalde in een geschil met een zorgorganisatie.

Niet goed? Nee, schrijft Hille Ris Lambers terecht: ‘Bakzeil halen doe je zelf.’ Het betekent: achteruitkrabbelen, een minder hoge toon aanslaan. Het komt, lezen we in Van Dale, uit de zeilsport: ‘De zeilen zó brassen dat de wind er van voren inkomt en het schip dus stil blijft liggen of achteruitgaat.’

Heeft de lezer gelijk? Ja. In het voorbeeld uit de krant krijgt de gemeente niet wat zij vroeg of eiste. En dan krijg je veeleer nul op rekest. Of vang je bot. De gemeente zal dan, om in scheepstermen te blijven, de fok en de lul moeten bijzetten.

Het woord eigenlijk is soms eigenlijk een tikje overbodig

Wie?
Jane van Ommen uit Huizen.

Wat?
Ergernis over het (soms) overbodig gebezigde woord ‘eigenlijk’. Van Ommen noemt het woord ‘tegelijkertijd een bevestiging en een ontkenning’ en ze voegt eraan toe: ‘Eigenlijk elk gesprek waarin eigenlijk in bijna elke zin voorkomt, is eigenlijk standaard geworden. Waarom eigenlijk?’

Is de klacht terecht?
Jane van Ommen geeft geen voorbeelden, maar een blik in het Volkskrant-archief leert dat ‘eigenlijk’ vaak genoeg wordt gebruikt. In de krant van gisteren dook ‘eigenlijk’ 11 keer op. Ter geruststelling: in vrijwel alle gevallen betrof dat constructies die sporen met de definitie van Van Dale: ‘De naam verdienend van, volgens het wezen der zaak, in engere zin’. Toch zijn er ook Volkskrant-zinnen te vinden waarin het woord gemist kan worden. Zoals in de krant van 7 juli, in een beschouwing over de Bestseller 60: ‘Waarom telt die lijst eigenlijk zestig titels?’ Hier lijkt ‘eigenlijk’ iets als ‘trouwens’ te beduiden. Niet fout, wel een tikje overbodig, misschien.

Waarom wordt ‘er’ overal als onkruid gewied?

Wie
Reinen Dercksen uit Utrecht en Kees Kemperman uit Woerden meldden zich ongeveer gelijktijdig met een roep om aandacht voor twee woordjes.

Wat 
Kemperman: Af en toe struikel ik over het gebruik van het woordje ‘om’. Dan zet ik een cirkel om de passage, maar doe er verder niets mee. Nu dan een keertje wel.’ Hij stuitte op deze zin in de krant van 23 juni: ‘Statushouders (...) zijn niet in staat om een goede keuze te maken uit...’ Volgens Kemperman kan ‘om’ hier beter worden weggelaten. ‘Dat maakt de zin stilistisch beter.’ Het gebruik ervan ‘ligt een beetje tegen spreektaal aan, denk ik’.

Heeft Kemperman gelijk? 
Grotendeels. Ook volgens het stijlboek van de Volkskrant kan het woordje vaak worden weggelaten. Voorbeelden: hij doet een poging (om) het record te verbeteren; hij laat zich de kans niet ontnemen (om) die slag binnen te halen; nu is het mogelijk (om) het plan ten uitvoer te brengen. Het stijlboek maakt wel een voorbehoud: ‘Vanwege het ritme van de zin of vanwege de duidelijkheid is het soms beter ‘om’ te handhaven.’ Vooral dat eerste (ritme) is bovenal een smaakkwestie. In een aantal gevallen kan ‘om’ beslist níét worden weggelaten en dat is als het ‘teneinde’ betekent. Voorbeeld: hij trekt aan de bel om alarm te slaan.

En Dercksen?
Dercksen míst juist te vaak een woordje. Bijvoorbeeld in deze zin uit de krant: ‘En nu is geen weg meer terug.’ Dercksen: ‘Wat is er toch mis met het woordje ‘er’? Wat heeft het misdaan, waardoor het tot in de uithoeken van nieuwsberichten en reportages wordt vervolgd en overal als onkruid wordt gewied?’

Is Dercksens opmerking terecht?
Nog meer dan bij de vorige zaak geldt: het is een kwestie van smaak. Ons stijlboek laat het bij een simpel: ‘Kan worden weggelaten in zinnen als: als (er) iemand wil meedoen, is hij welkom; plotseling ontstond (er) enige deining.’ En het taaladviesboek Schrijfwijzer van Jan Renkema is al even laconiek: ‘Voor de er-uitval zijn in kort bestek helaas geen regels te geven. (...) De taalgebruiker moet maar op eigen taalgevoel vertrouwen.’ Ons gevoel zegt dat in de hierboven genoemde voorbeeldzin van Dercksen het woordje ‘er’ ten onrechte is weggelaten of -gehaald. Dus onderschrijven we voorzichtig Dercksens hartekreet: ‘Redacteuren en eindredacteuren, doe niet zo spastisch en verkrampt over dat fraaie Nederlandse pareltje: Lang leve ‘er’, het broertje van ‘om’, dat ook met uitsterven wordt bedreigd. ‘Er’ verdient eerherstel!’

Het woord letterlijk wordt letterlijk óveral voor gebruikt

Wat
Een terugkerende ergernis van lezers, en trouwens ook van veel (eind)redacteuren van deze krant.

Wie
Nu meldde zich Jan van Loenen met twee voorbeelden uit één stuk in de krant van dinsdag 26 juni, zie hierboven.

Ah, letterlijk.
Precies. Dat wordt volgens Van Loenen ‘steeds vaker misbruikt’. En er is inderdaad iets merkwaardigs aan de hand met het woord. Het betekent (Van Dale): ‘over­een­stem­mend met de let­ters, met het ge­schre­ve­ne pre­cies zo­als het er staat, zon­der de min­ste af­wij­king of vrij­heid’. En is als zodanig het tegenovergestelde van ‘figuurlijk’. Toch wordt het gek genoeg vaak juist in de betekenis van figuurlijk gebruikt, zoals in het tweede voorbeeld. Dat is vreemd en niet goed.

En er is nog iets vreemd
Vaak wordt letterlijk ook als versterking van het gezegde gebruikt. Zoals in een ander voorbeeld dat Van Loenen noemt en veroordeelt: ‘De atleet zakte letterlijk door zijn hoeven.’

Stom, stom, stom
Nou, het ligt iets genuanceerder. Het Engels kent literally óók in de betekenis van echt, werkelijk, gebruikt ter intensivering van het gezegde. In het woordenboek staat het voorbeeld: he literally does not know how to behave. Hij weet écht niet hoe hij zich moet gedragen.

Weer dat vermaledijde Engels
Zeker, maar in het Nederlands kennen we deze betekenis ook en, net als in het Engels, kan letterlijk alleen in die betekenis gebruikt worden als het een bijwoord is, niet als het een bijvoeglijk naamwoord is. In het tweede voorbeeld hierboven staat dus welbeschouwd niets verkeerd. Het bijwoord letterlijk is gebruikt ter versterking van het ‘omkomen in’. Je kunt argumenteren dat dat dubbelop is, maar dat is een andere discussie. Het woordenboek geeft zelfs het voorbeeld van zo’n versterkend gebruik: ze zijn letterlijk door het oog van de naald gekropen.

Tot slot
Het veelvuldig opduiken van letterlijk in die versterkende betekenis, past in de taaltrend dat veel zaken door taalgebruikers dik worden aangezet: heel, super, absoluut, topfavoriet. Dat vindt niet iedereen even fraai en noodzakelijk, maar dat is uiteindelijk een smaakkwestie.

Begrijpt de Volkskrantredactie het verschil tussen een zelfstandig en bijvoeglijk naamwoord wel?

Wie
Bart Doets uit Hilversum snijdt in één mail twee interessante onder­werpen aan.

Wat
Het gaat om deze passage in de krant van dinsdag 12 juni, in een stuk over de rechtszaak tegen Michael P., verdacht van de moord op Anne Faber: ‘Daardoor voelde hij zich naar eigen zeggen achterdochtig en paranoia.’

Wat is daar mis mee?
Doets: ‘Het zal wel niet nodig zijn om de Volkskrantredactie het verschil uit te leggen tussen een zelfstandig naamwoord en een bijvoeglijk naamwoord.’

Uh? 
Op die plek in die zin had het bijvoeglijke naamwoord paranoïde moeten staan. Paranoia is een zelfstandig naamwoord. Zoals het bijvoeglijk naamwoord achterdochtig afgeleid is van achterdocht. Iemand kan last hebben van paranoia, maar zich alleen paranoïde voelen. Overigens betekenen beide woorden, paranoïde en achterdochtig, ook nog eens bijna hetzelfde, dus hier had een van de twee wellicht volstaan.

En het tweede punt van Doets 
Dat is een interessante kwestie waarover op de redactie veel gediscussieerd wordt. Doets: ‘Ervan uitgaande dat deze onuitroeibare taalfout uit de mond van Michael P. kwam tijdens het proces, en de Volkskrant het letterlijk overnam zijnde zijn taalgebruik, wil ik er toch op wijzen dat het zonder commentaar reproduceren niet echt meehelpt om dit taalmisbruik uit de wereld te krijgen. Als P. ‘hij heb’ had gebruikt, had de Volkskrant dat ongetwijfeld gecorrigeerd als ‘hij heeft’.’

Wat is hier zo interessant aan? 
In hoeverre laat je iemands (gesproken) woorden intact? De Volkskrant stelt zich op het standpunt dat elke zin in de krant een fatsoenlijke Nederlandstalige zin moet zijn, ook als het een citaat betreft. Alle spreektaal moet leiden tot op papier grammaticaal correcte zinnen.

Auteurs zijn weleens geneigd onder meer ­gebrekkige zinsconstructies en buitenlandse woorden en uitdrukkingen uit de mond van een geïnterviewde intact te laten. Met als argument: dat typeert de geïnterviewde en zegt iets over hem of haar of de groep waartoe hij of zij behoort. Dat leidt soms tot verschil van inzicht tussen auteur en eindredacteur, waarbij de laatste niet zelden wat rechter in de leer blijkt dan de eerste. Bovendien: als je gebrekkige spreektaal zwart op wit zet, tekent dat de geïnterviewde bijna altijd negatief, zeker bij taalpuristische lezers.

Bovenstaande geldt overigens niet voor spreektaalelementen als het overdadige gebruik van het bijwoord ‘heel’ of het stopwoordje ‘enzo’. Die hebben nog veel te vaak, ook in deze krant, de kritische lezing van ­auteur, eindredacteur en corrector overleefd.

Een curieus geval van verwisselde ­lichaamsdelen

Wie?
Een anonieme lezer die ons een knipsel stuurt uit de krant van 28 mei, met uitroep­teken en toegevoegd commentaar in rode en zwarte inkt.

Wat?
Een curieus geval van verwisselde ­lichaamsdelen. In een bericht over een KLM-piloot die door de mand viel bij een alcoholcontrole schreven we dat de man een advocaat ‘in de hand’ had genomen.

En?
Je kunt van de hand in de tand leven of iets in de hand werken, maar hier had toch echt ‘in de arm’ moeten staan. ‘Elementair idioom!’, schrijft onze anonieme corrector er terecht bij.

Anders nog iets?
Ja, in de krant van gisteren, in de reportage over de 19-jarige Tilburger wiens foto per abuis in een opsporingsprogramma werd getoond en die sindsdien wordt bedreigd.

Wat ging er mis?
Twee nogal erge anglicismen in één zin: ‘Maar ook de perfecte storm: een oudere man, een Turkse jongen, alle ingrediënten voor massieve verontwaardiging.’ Om met het eerste te beginnen: de uitdrukking ‘a perfect storm’ betekende oorspronkelijk ‘heel erg’ of ‘volkomen’. Voorbeeld: ‘a perfect storm of sympathy’ valt te vertalen als ‘stormachtige bijval’. De vroegste bron van de uitdrukking in de Oxford English Dictionary is van 1718. Pas in de 20ste eeuw wordt de uitdrukking ook in meteorologische zin gebruikt, voor een samenloop van factoren die een storm van maximale kracht oplevert. ­Mede dankzij de rampenfilm The Perfect Storm (2000) is de uitdrukking verder gepopulariseerd in het Engelse taalgebied, nu als equivalent van ‘de slechtst denkbare combinatie ’. Die Nederlandse omschrijving was hier op zijn plaats geweest.

En de tweede kwestie?
Een verwant geval: het Engelse ‘massive’ kun je soms vertalen als ‘massief’ (denk aan: ‘een massief eikenhouten dekenkist’), maar lang niet altijd: ‘massive’ heeft een groot aantal andere betekenissen, afhankelijk van de context variërend van moeilijk, potig en ongemakkelijk tot groot, intens en hevig (‘a massive heart attack’). ‘Massieve verontwaardiging’ is onzin-Nederlands. ‘Massaal’ was hier het juiste woord geweest.

Waar doet dit aan denken?
Aan een omgekeerde John O’Mill, de Nederlandse leraar Engels (ware naam Johan van der Meulen) die nonsens­verzen schreef in ‘Double Dutch’, rijmend koeterwaals waarin hij Nederlands ­idioom rechtstreeks omzette in het Engels.

Een klassieke O’Mill om het af te leren:

An old man in Kentucky

Was sleepy and made a cline tuckey.

‘Dat mijn krant vandaag in de tweede regel in een artikel over de tweede plaats van Tom Dumoulin óók Ceasar schrijft...’

Wie
Een gedenkwaardige mail van Cis Keizer (onthoud die achternaam) uit Limmen.

Wat
Hij schrijft: ‘Dat een seksclub in Rotterdam-Zuid jarenlang een fout gespelde naam had, en dat vele vadsige vechthonden en een bepaalde salade in bijna de helft van de restaurants dat nog steeds hebben, is tot daaraan toe. Maar dat mijn krant vandaag (28 mei) in de tweede regel in een artikel over de tweede plaats van Tom Dumoulin óók Ceasar schrijft...’

Dat klopt niet?
Inderdaad, de Romeinse keizer heet Caesar (de salade trouwens ook). De Engelse uitspraak ervan zet menig taalgebruiker blijkbaar op het verkeerde been. Want de schrijfwijze is ook in het Engels gewoon Caesar. Cesar is in alle talen overigens wél een gebruikelijke naam. Ceasar is gewoon verkeerd.

Ezelsbruggetje
Lezer Keizer: ‘Als je bedenkt dat die man Kaisar heette, kun je het nooit meer fout doen. Zo spraken de Romeinen het waarschijnlijk uit, zo schreven zijn tijdgenoot-Grieken het op, bijna ongewijzigd schrijven de Duitsers het als titel nog steeds. Britten en Fransen zijn cultuurbarbaren zonder historisch besef: spreken eerst iemands naam verkeerd uit en gaan die dan als kleine kinderen opschrijven zoals het klinkt.’

Nu we toch bij de C zijn
Wim van der Lee uit Amersfoort meldde zich gisteren weer aan dit loket: ‘Ik heb er vorige week al op gewezen, maar het heeft niet geholpen. Nu (30 mei) staat er weer chique wit jasje in de krant.’ En vorige week betrof het een chique, duur huis.

Hoe zit het ook alweer?

We hebben het intern ook al meerdere malen uitgelegd, maar het blijft een hardnekkige fout: de verbuiging van het bijvoeglijk naamwoord chic. Begrijpelijk ook wel, omdat het behoorlijk on-Nederlands is. Zo is het een mooi of een lelijk huis en het mooie of het lelijke huis. Maar het is een chic jurkje en het chique jurkje. Het is dus niet zo dat je het woord op twee manieren kunt schrijven (als chic of chique); het zijn vormen van één en hetzelfde woord.

Om het nog wat ingewikkelder te maken

De andere vormen (vergelijkende en overtreffende trap) zijn chiquer en chicst.

Fietst het Romeinse verleden langs de limes?

Wie?
Arnout Manger uit Monnickendam, een oplettende lezer die ons vaker op misslagen attendeert.

Wat is het probleem?
Een zin in de krant van 11 mei, over de limes, de grens van het Romeinse rijk in Nederland: ‘Fietsend langs de nieuwe Limesroute komt het Romeinse verleden van Nederland tot leven.’

Waarom valt Manger hierover?
Dat laat hij over aan de goede verstaander. ‘Uitleg overbodig’, schrijft hij, met vijf (!!!!!) uitroeptekens. ‘Waarschijnlijk komen er vandaag talloze klachten binnen over deze kromme zin.’ Aangezien dat laatste meevalt (we ontvingen geen andere klachten), voegen we toch maar enige uitleg toe: het betreft hier een foutieve beknopte bijzin, een constructie waarin het onderwerp ontbreekt. Letterlijk wordt hier beweerd dat het het Romeinse verleden is dat langs de limes fietst – een surrealistische mededeling die uiteraard niet de bedoeling was.

Hoe moet het dan wel?
Een beknopte bijzin hoeft niet ongrammaticaal te zijn. In zo’n zin kan een tegenwoordig deelwoord (‘fietsend’) of voltooid deelwoord (‘gefietst’) staan, zonder dat het onderwerp wordt genoemd. Dat verzwegen onderwerp is bij een correcte toepassing gelijk in hoofd- en bijzin gelijk, bijvoorbeeld: ‘Fietsend langs de nieuwe Limesroute zagen we hoe het Romeinse verleden van Nederland tot leven komt.’

Bij een verkeerde toepassing kan de constructie echter tot bizarre mededelingen leiden. Vergelijkbaar met de gewraakte zin van 11 mei zijn constructies als ‘Ingesloten vindt u onze rekening’ (hier is niet de rekening maar ‘u’ ingesloten), ‘Eenmaal binnen was de bar snel gevonden’ (het is de bar zélf die binnenkomt) en ‘Na een uurtje in de oven, verorberden wij de appeltaart’ (niet de taart, maar wijzelf zaten in de oven).

Gaat er ook weleens iets goed in de krant? Jazeker. De fout stond in de inleiding boven het artikel en werd gemaakt door de dienstdoende eindredacteur. De schrijver deed het zelf wel goed in zijn reportage: ‘Fietsend vanuit Woerden zien we na Harmelen de skyline van Utrecht opdoemen.’ Niets op aan te merken.

Twee bijna identieke woorden en totaal verschillende betekenissen

De eerste is een bekende instinker. Jaap Blaakmeer uit Heerenveen las bovenstaande zin en dacht: 'Als de tank waar de uitwerpselen in terechtkomen er zelf al geen vertrouwen in heeft is het geen wonder dat er rotzooi uit komt.' Zo grappig was het natuurlijk niet bedoeld door de auteur van het stuk. Het woord scepsis (waarvan sceptisch is afgeleid) is uit het Grieks (skeptikos) via het Duits in onze taal terechtgekomen, zo weet het Woordenboek der Nederlandsche Taal. Het verwijst naar de filosofische stroming die aan alles twijfelt: scepticisme. Dat is hier natuurlijk niet bedoeld. De tank waar het om gaat is een septische tank. En dat woord, septisch, is uit het Latijn (septicus) via het Frans hier geland. Septicus betekent: wat bederft, verrot. Latijn en Grieks, twee bijna identieke woorden en totaal verschillende betekenissen; verwarring alom. Ander beroemd voorbeeld vormen katheder en katheter, waar ook de klassieke herkomst (Latijn respectievelijk Grieks) bepalend is voor de spelling én de betekenis.

Op 1 mei viel deze kop in de krant te lezen: 'Aanslag in Kabul vergt 25 levens.' 'Dit is erg', schrijft Dirk Slikker uit Heerhugowaard, 'maar volgens mij betekent vergen: nodig hebben of benodigen. In deze zin zou het betekenen dat de aanslag bij 24 levens mislukt zou zijn.' Zo cynisch was die kop natuurlijk niet bedoeld en lezer Slikker heeft daarom gelijk als hij concludeert: 'Kosten of eisen zou beter op zijn plaats zijn.' Het onderscheid tussen beide werkwoorden is overigens subtiel. Van Dale verklaart dat 'vergen' via klinkerwisseling is ontstaan uit 'vragen' en gelijkstaat aan 'eisen'. Maar alleen bij dat laatste woord geeft Van Dale de voorbeeldzin die hier relevant is: 'slachtoffers, doden eisen.' Ten slotte oppert Slikker nog dat een aanslag doden eist en geen levens, een onderscheid dat ons in dit verband – zonder cynisme – om het even lijkt.

Er geen been in zien? Of er geen heil in zien?

Wie?
Derk Hille Ris Lambers uit Wageningen.

Wat?
Een verhaspelde uitdrukking.

Namelijk? In de krant van 16 april, een bericht over de gemeenteraadsverkiezingen in Tilburg. De pijn zit in deze zin: 'En deze week liet ook GroenLinks na ampel beraad aan de informateur weten geen been te zien in een samenwerking met Smolders.'

Aha, dus 'ampel' is niet goed? Ampel is prima, 'geen been' klopt niet. HilleRisLambers legt het duidelijk uit in een mailtje aan de betrokken verslaggever: 'Daarmee stelt u het tegenovergestelde van wat u, blijkens de context, bedoelt te zeggen. U bedoelde 'geen heil'. Ergens geen been in zien betekent er geen bezwaar tegen hebben.'

Het is ook een rare uitdrukking, toch? Ze komt oorspronkelijk uit de carnivore hoek. Vlees zonder been of bot kon je zonder bezwaar naar binnen werken, en zo ontstond de overdrachtelijke betekenis. Er is ook een Vlaamse variant: 'Er geen graten in vinden.'

Anders nog? Jawel, ook Anton Overboom uit Prisenbeek stuurde ons een correctie. En niet voor het eerst.

Wat doen we fout? Nog eens de krant van 16 april, nu over iemand met een mond 'waar een aantal tanden uit missen'.

Hoe moet het wel? Een 'Engelse insluiper' noemt Overboom het hier gebruikte werkwoord: 'In het Engels zegt men 'some teeth are missing', maar in het Nederlands 'zijn mond waar een aantal tanden aan ontbreken'.

Daaraan mag worden toegevoegd dat volgens de Taaladviesdienst van Onze Taal 'missen' als synoniem van 'ontbreken' in Nederland (niet in Vlaanderen!) ingeburgerd begint te raken. Dat kunnen wij beamen: de kwestie is niet voor het eerst aan de orde op deze pagina. Op 6 oktober 2017 wees Anton Overboom ons ook al op deze 'insluiper' in de kolommen. 'Wat vreselijk, dit anglicisme!', schreef hij toen. Prinsenbeek ligt niet ver van de Belgische grens. Zou dat de gevoeligheid op dit punt verklaren?

‘Wiet en hennep zijn 2 VERSCHILLENDE planten!!!’

Wie?
Ger Mastenbroek in Houten

Wat?
Wat is goed: vroegtijdig, voortijdig of vroeg?

Vanwaar deze vraag?
Een zin in de krant van 10 april, over de talrijke Braziliaanse presidenten die zijn ‘afgezet, veroordeeld, vermoord of vroegtijdig overleden’.

Lezer Mastenbroek:
‘Ik begrijp wat hier bedoeld wordt, maar je kunt toch niet eerder overlijden dan je overlijdt? ’

En?
Op onze beurt begrijpen wij wat Mastenbroek bedoelt (‘een explosief kan voortijdig afgaan’, voegt hij eraan toe), maar fout is ‘vroegtijdig’ hier niet. Volgens Van Dale betekent het woord simpelweg ‘vroeg’. ‘Voortijdig’ is een ander geval. Het betekent ‘te vroeg’, wat in dit verband impliceert dat een mens kan sterven vóór zijn tijd – een religieus-filosofische twistpunt waar we ons liever niet aan branden.

Iets anders
We schrokken even van lezer Debby van der Pool, die alarm sloeg over ‘Een zeer grote fout in artikel!!’.

Vanwaar die uitroeptekens?
Van der Pool is verstoord over een bericht in de krant van 5 april, waarin ‘handel in legale wiet’ en ‘hennep’ door elkaar worden gebruikt.

Is dat niet hetzelfde?
Lees Van der Pools reactie: ‘Echt geschokt ben ik dat dit zó in de krant staat: wiet en hennep zijn 2 VERSCHILLENDE planten!!! Echt schandalig dat de journalist geen juiste info heeft.’

Moeten we ons schamen?
Een beetje maar. Strikt genomen is hennep alias cannabis de plantensoort die vele legale toepassingen kent, van touw tot veevoer. Wiet is de naam voor de gedroogde vrouwelijke bloemen van de cannabisplant, waarvan het bezit van 5 gram of meer strafbaar is. Maar de termen worden vaak door elkaar gebruikt. Nog verwarrender: de Opiumwet kent alleen hennep, geen wiet.

Conclusie?
‘Hallo, de Nederlandse taal beter leren en zeker als je voor een krant werkt’, schrijft Van der Pool. Dat is altijd een goed idee.

Wordt met ‘controleren’ niet ‘beheersen’ bedoeld?

Wie?
Corine Rueb uit Zwolle

Wat?
Ergernis (sic) over een verkeerde vertaling vanuit het Engels.

Wat ging er mis? 
De eerste zin van een artikel uit de krant van 21 februari, over de burgeroorlog in Syrië wekt irritatie bij de briefschrijver: ‘Een door rebellen gecontroleerde buitenwijk van de Syrische hoofdstad Damascus is ten prooi gevallen aan de zwaarste beschietingen sinds jaren.’

Het misnoegen zit ’m hier in het gebruik van het werkwoord controleren. ‘Ik denk niet dat de rebellen de wijk hebben gecontroleerd’, schrijft onze lezer, ‘maar dat zij deze onder controle hebben oftewel beheersen. Volgens mij is hier sprake van een verkeerde vertaling van het Engelse woord ‘controlled’, iets dat veel vaker in de Volkskrant gebeurt en mij mateloos ergert. Ik ben benieuwd wat uw Stijlboek hiervan zegt.’

En, wat zegt het Stijlboek? 
Het Volkskrant Stijlboek waarschuwt voor verkeerde vertalingen uit het Engels en noemt in het lijstje voorbeelden instinkers als billion (miljard, niet ‘biljoen’) en to welcome (vaak: toejuichen of blij zijn met en niet altijd ‘verwelkomen’).

Ook to control staat in dat lijstje. Het werkwoord dient te worden vertaald als ‘beheersen’ of ‘macht uitoefenen’ en niet als ‘controleren’.

Zo, kwestie opgelost. 
Nog niet helemaal. Van Dale geeft als tweede betekenis van controleren (dat dan weer is ontleend aan het Franse contrôler) namelijk ‘beheersen’. Sterker, het daaropvolgende voorbeeld van gebruik van het woord controleren luidt: ‘een door vijandelijke troepen gecontroleerd gebied.’

Beheersen is dus zeker een prima vertaling van het Engelse to control, maar het Nederlandse werkwoord controleren zelf heeft die betekenis – inmiddels – ook. (De uitdrukking ‘in controle zijn’ staat ook keurig in de Van ­Dale, met als betekenis ‘de leiding hebben, de situatie meester zijn’.)

De auteur van het artikel heeft dus een ­keurige Nederlandse zin geschreven.

Humor en papier hebben een huwelijk vol strubbelingen

Wat
Vooraleerst een gevoelige zaak. Een collega meldde zich en sprak haar ergernis uit: ‘Daar stond het weer, in onze krant: euthanasie voor bijtende honden. Dat gaat dus vaak fout. Ooit schreven we over euthanasie bij een gestrande potvis. Euthanasie is ‘de dood op verzoek’, en daarvan kan bij dieren echt nooit sprake zijn. Beesten zijn niet wilsbekwaam, ze maken geen wilsbeschikking, er komt geen tweede arts langs. Ik las zelfs over ‘verplichte euthanasie’, dat kan al helemaal niet.’

Heeft de collega gelijk?
Ja. Het woordenboek (Van Dale) is er duidelijk over: ‘Op­zet­te­lijk levensbeëindigend han­de­len door toe­die­ning van be­paal­de mid­de­len door een arts op uit­druk­ke­lijk ver­zoek van de pa­tiënt zelf bij uit­zicht­loos en on­draag­lijk lij­den.’ Dan vallen honden, potvissen en andere dieren af. En ook verplichte euthanasie is een verkeerd begrip. Dat riekt naar een duistere periode uit onze moderne geschiedenis.

Dus?
Uitsluitend gebruiken in gevallen waarin de duidelijke en begrensde betekenis van toepassing is.

Dan
De lezer Paulijn Snijders uit Brummen zit iets hoog, gezien het onderwerp dat ze boven haar mail meldde: ‘Kappen met ‘zeg maar’.’

Waar gaat dat over?
Snijders was gestruikeld over deze passage in een columnachtig stukje in Sir Edmund van afgelopen zaterdag, over ­Stephen Hawking en Joseph Fourier: Zijn belangrijkste idee, dat zwarte gaten toch zachtjes gloeien,was vooral leuk voor andere theoretici. Geen Einstein, zeg maar. Die veranderde ons wereldbeeld. Het ging haar om dat zeg maar. Snijders: ‘In gesprekken worden we er al mee overspoeld, nu merk ik dat het ook in teksten in de krant opduikt. Mag ik alsjeblieft verschoond blijven van deze afschuwelijke uitdrukking? Je zegt iets al, dus de toevoeging ‘zeg maar’is volstrekt overbodig.’

Heeft de lezer gelijk?
Wel als ze pleit voor terughoudendheid waar het spreektaalachtige stopwoorden en -uitdrukkingen betreft, zoals zeg maar, ofzo en een soort (van). Dat zijn zaken die in een enigszins formele tekst niet thuishoren, dus ook niet in de krant.

Meestal niet, althans. Want gaat het om een interview of een column-achtig verhaal, dan is het gelijk van deze lezer minder evident. In een interview kunnen dergelijke frasen, mits spaarzaam gebruikt, nuttig zijn. Bijvoorbeeld om te laten zien dat de geïnterviewde een taaluiting ­extreem vaak in de mond neemt.

En in een columnachtige bijdrage, waarvan in Snijders’ voorbeeld sprake is, kan zeg maar gebruikt worden om lucht, lichtzinnigheid, ironie of humor aan te brengen in het geschrevene. Maar daarmee, hebben we al vaak ervaren bij de krant, ­begeeft een auteur zich op glad ijs. Humor en papier hebben, zeker in onze krant, een huwelijk vol strubbelingen. Een fenomeen overigens dat op sociale media nog sterker speelt.

Er was toch iets met hun en ze?

Wie?
Yvonne de Jong uit Leiden.

Wanneer?
Elke dag en in dit specifieke geval in de krant van maandag 19 maart.

Wat?
De Jong: 'Nadat ik het artikel 'Docenten doelwit boze ouders' geboeid heb gelezen, wil ik toch even aandacht vragen voor tweemaal dezelfde fout die ik erin aantrof. Tenminste, voor mijn gevoel dan. (...) Het betreft het gebruik van ze waar voor mijn gevoel hen de juiste vorm is.

Heeft de lezer gelijk? Alleen als we een krantenartikel beschouwen als een zeer formele tekst. Dan is het ongepast hen te vervangen door ze. In andere gevallen is het gebruik van deze zogeheten gereduceerde vorm algemeen aanvaard als correct taalgebruik.

En er was toch iets met hun en ze? Klopt. Omdat veel mensen het verschil tussen hen (lijdend voorwerp) en hun (indirect object) niet meer kennen en herkennen, wordt vaak zelfs aangeraden om bij twijfel ze te gebruiken: ik heb het ze gegeven. Het Nederlands zou het Nederlands niet zijn als onder die bruikbare regel geen addertje school: als er nadruk op dat lijdend voorwerp of indirect object moet liggen, is ze onbruikbaar en zelfs fout: ik heb het niet hem maar hun gegeven. Hier zou ze fout zijn.

En kijk De Jong dacht de fout in het stuk nog een keer tegen te komen, in de zin: 'Ik heb regelmatig meegemaakt dat ouders beginnen te schelden en te dreigen als het advies ze niet aanstaat.' Daar had volgens haar hen moeten staan. Niet dus. In plaats van ze had hier wel hun gekund. De Jong besluit haar mail met de verzuchting: 'Niet elke moderne verandering is dus een verbetering!' Dat mag zo zijn, deze verandering, die overigens allerminst modern is, is dat duidelijk wel.

Man, man, wat lastig Zeker, maar er bestaat een hulplijn. Het onvolprezen genootschap Onze Taal heeft op zijn site een handige en omvangrijke lijst: onzetaal.nl/taaladvies/hun-hen.

De negatieve connotatie van behept

Eerst nog even dit
Elbert Felix uit Amstelveen heeft nog een aanvulling op de rubriek van vorige week, waarin het over 'de taalkundig eenzame positie van het woord gijzelaar' ging. Waar de meeste '-elaren' de actieve persoon zijn, is de gijzelaar de passieve. Felix: 'De gijzelaar heeft een lotgenoot: de martelaar. Jaren geleden zei mijn tandarts tegen me: 'Ik ga maar verdoven, tenslotte ben ik geen martelaar.' Mijn antwoord dat ík dan de martelaar zou zijn, begreep hij niet.'

Dan deze week
Een aantal lezers viel over deze passage in de krant van afgelopen dinsdag, pagina V2: 'Een op de vijf Amerikaanse leraren is al vakkundig behept met wapens'. Elisabeth van Elsen schrijft ons: 'Oei, oei, oei. De negatieve connotatie van 'behept' mag dan aan slijtage onderhevig zijn. . .'

Heeft de lezer gelijk?
Ja. Ze merkt terecht op dat behept een negatieve connotatie heeft. Volgens Van Dale ben je behept als je 'lijdend' bent 'aan een zedelijk gebrek of een lastige gewoonte'. Wordt het anders gebruikt, aldus het woordenboek, dan is het 'schertsend'. Waarna dit citaat van Arthur van Schendel volgt: 'Weinigen, behept met een erfenis, zullen zwoegen zoals hun voorouders.'

Hoe ontstaat zo'n fout?
Welaan, de auteur kwam op de term doordat hij - daar gaan we weer - dit uit het Engels vertaalde: '10 to 20% of teachers are very gun-adept.' Blijkbaar zette dat een associatie in werking (adept - behept), die hij beter even in het woordenboek had kunnen checken. Adept betekent 'bedreven, deskundig, ingewijd'.

Wéér dat Engels dus?
Ja, al is niet altijd het Engels er de oorzaak van dat een auteur langs de juiste betekenis scheert. Zo wees Marjan van Es uit Amsterdam in háár 'behept-mail' ook op deze uitglijder, in een portret van tv-presentator Humberto Tan in de krant van vrijdag 2 maart, waarin de auteur probeerde te schrijven dat Tan aangedaan was (en bepaald niet in extase): 'Drieënhalf jaar later raakt Tan zelf in vervoering, aan het eind van een doorsnee-uitzending.' Van Es: 'Daar leek het niet op, eerlijk gezegd. Waarschijnlijk werd bedoeld: ontroerd.'

Wie is nou de gijzelaar, gegijzelde en gijzelnemer?

Wat?
Om te beginnen een 'tenenkrommende taalfout', aldus Louis Roes uit Vught. Hij las in de krant van 24/2 (pag 19): 'Donderdag vroeg ze haar 25 miljoen volgers op Twitter of ze net als haar steeds minder vaak Snapchat openden...'

Oei
Inderdaad. De fout stond er vanaf het eerste moment en is door niemand gezien. Tenenkrommend inderdaad. Veel meer is er niet over te zeggen, behalve dan dat we ons schamen en wensen hem nooit meer te maken.

Dan dit
Oscar Franse uit Rijnsaterwoude (Zuid-Holland) las in de krant van 26/2 (pag 9) het artikel over het Korps Commandotroepen en Marco Kroon. Volgens Franse worden in het stuk 'weer de woorden gijzelaar, gegijzelde en het niet bestaande woord gijzelnemer verkeerd gebruikt'. Terwijl het zo duidelijk is: 'Een gijzelaar is een persoon die iemand anders gijzelt, zoals een metselaar iemand is die metselt.' Franse sluit af met: 'Dus voor eens en altijd weg met dat vreselijke woord gijzelnemer!'

Heeft Franse gelijk?
Nee, hoewel wel een beetje. Van oudsher is een gijzelaar 'iemand die gegijzeld wordt', aldus Van Dale. Een gijzelnemer is volgens het woordenboek degene die gijzelt. Dat woord bestaat dus gewoon.

Wat is dat beetje gelijk van Franse dan?
De vierde betekenis in Van Dale (wat betekent dat die betekenis het recentst is toegevoegd) luidt: 'terrorist, misdadiger die iem. gijzelt'. Dat is dus het tegenovergestelde van iemand die in gijzeling wordt gehouden. Toegevoegd omdat veel mensen het woord in die betekenis gebruiken. Het stijlboek van de Volkskrant deelt deze dubbelzinnigheid van Van Dale: 'Iemand die wordt gegijzeld, is een gijzelaar. Ook degene die iemand in gijzeling houdt om iets af te dwingen, is een gijzelaar.'

Dat is welbeschouwd niet uit te leggen. Vermoedelijk is het een kwestie van tijd dat gijzelaar in de betekenis van gegijzelde uitsterft. Ziedaar het beetje gelijk van Franse.

Of je wil of wilt? Het is maar net wat je van de krant verwacht

Wie en wat
Norbert Bronold meldde zich met een 'probleem in veel stukken van uw krant!!' Hij doelde onder meer op deze zin in de krant van 13 februari: 'Je wil niet dat passagiers problemen veroorzaken terwijl je kilometers hoog door de lucht vliegt.'

Wat is het probleem?
Bronold: 'De vergeten t bij je wil in plaats van je wilt!!'

Hoe erg is dat?
Dat hangt er helemaal van af wat je van de krant eist of verwacht. Je wil in bovenstaand voorbeeld is informeler dan je wilt, maar beide vormen zijn correct. Opvallend genoeg maakt alleen Nederland dat onderscheid tussen informeel en formeel. In België gelden beide vormen als correct en neutraal (noch formeel, noch informeel dus). En ook om te onthouden: is het onderwerp u in plaats van je, dan is de t in geschreven taal nog wel noodzakelijk.

En dan deze
Op een gemene instinker in de krant van gisteren maakte Ab Klaassens uit Eindhoven ons opmerkzaam. In het foto-onderschrift bij een portret van staatssecretaris van Defensie Barbara Visser staat: 'Barbara Visser is streng, niet in het minst voor zichzelf.'

Wat is daar verkeerd aan?
Niet in het minst betekent, aldus onzetaal.nl, nog niet eens voor het minste deel. Dat is bijna niks. En dat wordt in het onderschrift niet bedoeld. Het tegendeel wel: Barbara Visser is namelijk bovenal streng voor zichzelf.

Bekende valstrik
Dat zijn vaste constructies met ontkenningen erin inderdaad. Want om het nog wat ingewikkelder te maken: er bestaat ook niet het minst. Dat betekent: niet in de laatste plaats. En dat betekent: in de eerste plaats en dus: vooral. Niet het minst en niet in het minst zijn dus bijna tegengestelden van elkaar.

Wijze les
Er is voor elke constructie met een ontkenning altijd een variant zonder ontkenning beschikbaar. Gebruik die bij ook maar de minste twijfel.

Pannenkoek of pannekoek? Over die tussen-n moeten we niet zo moeilijk doen

Wie, wat en waar
Nico van Mourik en Simon Blokker viel in de krant van woensdag 7 en zaterdag 10 februari het woord pannekoek op.

Wat is daar mis mee?
Niets.

Maar, uh, pannenkoek, mét n, dat is toch de officiële spelling?
Dat stelden Van Mourik en Blokker ook. Misschien goed om daarom hier nog eens uit te leggen hoe het ook alweer precies zit met de Volkskrant en spelling.

Vooruit dan maar
De tussen-n kent een lange geschiedenis in spellingherzieningen door de Nederlandse Taalunie, het gremium dat verantwoordelijk is voor het Groene Boekje (officieel de Woordenlijst Nederlandse Taal). Spellingwijzigingen van 1995 en 2006, die gepaard gingen met ingewikkelde regels voor die tussen-n, waren voor een aantal instellingen, waaronder het Genootschap Onze Taal, de NOS en de Volkskrant, aanleiding een alternatieve spelling in het leven te roepen. Dat werd in 2006 de zogeheten Witte Spelling.

Opvallendste verschil tussen Groen en Wit betrof inderdaad die tussen-n. De samenstellers van de Witte Spelling stelden dat je, simpel gezegd, over die tussen-n niet zo moeilijk moet doen. Zoals voor de tussen-s al eerder officieel was vastgelegd dat dat een 'vrije kwestie' is: voorbehoedmiddel en voorbehoedsmiddel zijn beide correct. In de praktijk kiezen taalgebruikers intuïtief vaak dezelfde vorm (met of zonder tussen-n) en als dat niet zo is, is dat ook niet erg.

Kan ik in de Volkskrant dan beide vormen tegenkomen?
Bij voorkeur niet. Wij volgen de variant die in de Witte Spelling de voorkeur geniet. Die spelling is te vinden op spellingsite.nu. Alleen zou de Volkskrant de Volkskrant niet zijn als we daarop toch niet ook een paar uitzonderingen van kracht laten zijn. U herinnert zich ongetwijfeld de discussie over per se. Die afwijkingen staan in het stijlboek, te vinden op volkskrant.nl/stijlboek.

Om te weten hoe een woord wordt geschreven hanteert een verslaggever of eindredacteur bij ons de volgorde Stijlboek - Spellingsite - Van Dale (Groene Boekje). Vandaar per se (stijlboek) en pannekoek (spellingsite.nu).

Nee, een beslissing maak je niet, die néém je!

Wanneer?
De krant van donderdag 1 februari.

Wie?
Hebben lezers doorgaans gedurende de week nogal uiteenlopende klachten over ons taalgebruik, de afgelopen week vond u elkaar in één kwestie. 'Het is niet de eerste keer dat ik het in de Volkskrant (en andere kranten) lees en het doet pijn aan mijn ogen', schrijft Dick Winkel uit Weesp. 'En dat zeker in hetzelfde katern waarin u zich sterk maakt voor correct taalgebruik', voegt Hans Liebregts uit Venlo er fijntjes aan toe. Zij waren bepaald niet de enigen.

Wat?
Het is een stuk over de film The Post, waarvoor de verslaggever in Londen regisseur Steven Spielberg interviewde. In het Engels. En zo kon het gebeuren dat in de krant deze zin belandde: 'Katharine Graham maakte de belangrijkste beslissing van haar leven.' Een slechte vertaling van de Engelstalige constructie 'to make a decision', waar minstens drie paar ogen overheen hebben gelezen. Een beslissing maak je niet, die neem je. Ongelukkigerwijs betrof het een belangrijke zin in het stuk en heeft de eindredacteur die ook nog eens uitgelicht in een zogeheten streamer.

Komt bekend voor
Klopt. Toen we met deze rubriek begonnen, zomer 2016, vulde de kwestie een van de eerste afleveringen. Ook toen deed het een lezer, Liselotte Tonneyck, 'pijn aan de ogen'. Het Engels dat doordringt in de Nederlandse taal en in de Volkskrant beïnvloedt uitdrukkingen, zegswijzen, stijl, grammatica en vaste verbindingen. Het bevalt menig lezer maar matig. Het onderhavige voorbeeld hoor en lees je vaker en vaker in Nederland en zal wellicht ooit tot het ABN behoren. Zover is het nog lang niet. Het is nog allerminst algemeen geaccepteerd en dus nog gewoon een fout. En die hadden we liever niet gemaakt.

Modewoorden als iconisch moet je net als clichés en drank met mate gebruiken

Wie?
Tjako Fennema uit Hilversum.

Wat?
Fennema lucht duidelijk zijn hart in een vierregelige mail waarin hij drie ergernissen uit. Of we willen stoppen met 'tot op het merg versleten straattaal als f*ck en f*cking'. En de neiging om 'elke overtreffende trap met 'meest' aan te duiden is ook zoiets'.

Zit daar wat in?
Taal is in belangrijke mate een smaakkwestie. Het Nederlands bestaat mede uit een grote hoeveelheid leenwoorden uit andere talen. Dagelijks komen erbij. Vele daarvan worden opgenomen in het Van Dale-woordenboek. Eerst in de digitale versie, die actueel is, en uiteindelijk in de gedrukte versie, die eens in de zoveel jaar verschijnt. Bij veel woorden die in de digitale versie zijn opgenomen wordt vermeld wanneer ze zijn opgenomen en/of dat ze voorlopig zijn opgenomen. Een deel daarvan haalt de gedrukte versie niet. Omdat het gebruik ervan dan alweer bijna verdwenen is. Dat laatste biedt hoop voor Tjako Fennema, al gebiedt de eerlijkheid te zeggen dat fuck en fucking en samenstellingen daarmee een vrij vaste positie bekleden in het woordenboek. Zo is 'fotofuck' toegevoegd in oktober 2009 en dat woord staat er nog altijd in.

Wat betreft die overtreffende trap: veel taalgebruikers vinden het gebruik van 'meest' in combinatie met het bijvoeglijk naamwoord een nog niet acceptabel anglicisme en prefereren de 'st-vorm': lelijkst dus en niet meest lelijk. De Volkskrant is het daar hartgrondig mee eens.

En wat is dat derde punt van Fennema?
'Het zou me plezieren wanneer de eindredactie een streep haalt door tot op de draad versleten woorden als icoon en iconisch. Tot een jaar of drie geleden werd dat slechts voor Russische devotionalia gebruikt, maar opeens sloeg het gebruik toe in Neerlands gedrukte media. Niet te stuiten.'

Is de Volkskrant het daarmee ook eens?
Zeker. Een andere lezer, Louis Engelman, had zich onlangs over iets soortgelijks ook al beklaagd bij de Ombudsclown in dit katern. Het ging toen over dystopisch. Net als iconisch is dat een modewoord en modewoorden moet je, net als clichés en drank, met mate gebruiken. Zoals de Ombudsclown toen meldde, houdt de eindredactie van dit katern zelfs een lijst bij van 'besmette woorden'. Behalve dystopisch maakt ook iconisch daarvan deel uit. Net als versterkende woorden als totaal, extreem en heel. Wat natuurlijk geen garantie biedt dat u die woorden nóóit zult tegenkomen.

'Richting' is geen voorzetsel, maar een zelfstandig naamwoord. Wat is er mis met 'naar'?

Wie
Twee lezers wonden zich op over een kop op de voorpagina van de krant van 15 december: 'Ongelijkheid mondiaal richting recordniveau.'

Wat
De opwinding betrof het woord 'richting'. Volgens meneer of mevrouw Dierick is deze zin 'ook taalkundig' fout, omdat 'richting' geen voorzetsel is, maar een zelfstandig naamwoord. Jacques Smits vraagt zich of het voorzetsel 'naar' is afgeschaft, want 'bij het weerbericht gaan ook alle depressies 'richting' het oosten. Hij vindt ook dat er in deze zinnen een voorzetsel hoort te staan, en geen zelfstandig naamwoord. Zijn hartekreet: 'Wat is er tegen het woord 'naar'?'

Hebben de brieflezers gelijk?
Eigenlijk niet. Of: niet meer. 'Richting' is weliswaar van oorsprong een zelfstandig naamwoord, maar in meerdere bronnen (Van Dale, Genootschap Onze Taal) vinden we dat 'richting' in de betekenis van 'naar' een relatief nieuwe manier is om het woord 'richting' te gebruiken. Dit is geleidelijk gegaan. In de betekenis van 'in de richting van' komt 'richting' al sinds het einde van de 19de eeuw voor, aldus Onze Taal. En van de betekenis 'in de richting van' was het een kleine stap naar 'naar'. De zin: 'Op Koningsdag gaan veel feestvierders richting Amsterdam', is dus juist.

Terzijde
Dat het juist gebruikt is, maakt het natuurlijk nog niet mooi. In de zin op de voorpagina had 'naar' ook prima gekund. En voor wie moedeloos wordt van taalveranderingen schrijft Onze Taal nog dit: 'Het lijkt misschien vreemd dat 'richting' van woordsoort verandert, maar het komt vaker voor. 'Gedurende' en 'aangaande' waren bijvoorbeeld oorspronkelijk werkwoordsvormen (tegenwoordige deelwoorden), maar fungeren al lange tijd als voorzetsels.'

Overbodig gebruik van Engels en dan ook nog fout: dat is koren op de molen van veel Volkskrantlezers

Wie en wat
Susan Parren-Gardner stuurde in een mail met een smiley een foto die ze had gemaakt van de krant van 1 december. In de Volkskeuken werd daar geschreven over ahornsiroop (ook wel esdoornsiroop). De zin luidde: Meng in een kom de boter, de suiker en de marble syrup tot een gladde massa. En bij de ingrediënten stond deze siroop keurig nog eens vermeld: 2 theel. marble syrup (esdoornsiroop).

Vreemd
Inderdaad. Ahornsiroop is in het Engels maple syrup. Een marble is een knikker of een marmeren beeld.

Kan gebeuren toch?
Zeker, de fout werd gemaakt en vervolgens over het hoofd gezien. Schrijven en kranten maken blijft mensenwerk. Maar het is koren op de molen van veel Volkskrantlezers die te hoop lopen tegen het overbodig gebruik van Engels in deze krant. Ze hebben gelijk natuurlijk. Hadden we Nederlands geschreven, dan was de fout niet gemaakt.

En verder
Nog iets waartegen lezers te hoop lopen. Marjan Langelaan las deze zin in de krant van 8 december: Voor het aantonen van onrechtmatigheid moet Knoops volgens Van der Wilt onder meer aantonen dat de Nederlandse staat had kunnen voorzien dat Poch acht jaar in voorarrest zou zitten en dat de bewijslast tegen hem niet groot was.

Langelaan: 'Misschien ben ik wel de honderdduizendste inzender met een opmerking over de term 'bewijslast'. Dan is een eventuele prijsuitreiking de genoegdoening voor het jarenlang verkeerde gebruik van dit woord.'

Huh?
Met 'dit woord' doelt Langelaan op bewijslast. Dat betekent: verplichting voor de ene of voor de andere partij in een proces om bewijs te leveren. Weliswaar geen 100 duizend keer, maar inderdaad wordt vaak bewijslast gebruikt als synoniem van bewijs. Dat stoort onze lezers klaarblijkelijk.

Hebben ze gelijk?
Nou ja, of ze zich eraan storen moeten de lezers natuurlijk zelf weten, maar feit is dat bewijslast al lang (de toevoeging 'recent toegevoegd' ontbreekt in Van Dale) ook bewijs betekent: datgene waardoor onweerlegbaar wordt aangetoond dat iets is zoals men beweert of tevoren verondersteld heeft, zowel in de zin van bewijsvoering als van bewijsgrond.

Verschil tussen smaken en proeven is aan het verdwijnen - vooral in het noorden van het land

Waar
Het Volkskrant Magazine , van afgelopen zaterdag, al moet direct gezegd dat je het volgende vaker en op meer plekken ziet.

Wie
Jorien Brugmans uit Terneuzen.

Wat
Deze zin: (...) een kwartiertje pielen kan zo een hardnekkig deuntje worden dat hij niet meer uit zijn hoofd krijgt en hem wakker houdt. Brugmans: 'De functie van 'dat' in de twee bijvoeglijke bijzinnen is niet dezelfde en dus mag dat woord niet zomaar weggelaten worden. Klopt mijn redenering?'

En?
Brugmans' taalgevoel klopt. Hoewel veel mensen wellicht niet direct kunnen uitleggen wat er wringt aan de zin, zijn de meesten wel geneigd het tweede dat toe te voegen. En dat is terecht. In de bijzin dat hij niet meer uit zijn hoofd krijgt is dat lijdend voorwerp, in de volgende bijzin, (dat) hem wakker houdt, is dat onderwerp. Als het betrekkelijk voornaamwoord in twee bijzinnen een andere grammaticale functie heeft, kun je de bijzinnen niet samentrekken.

En verder
Dit stond in hetzelfde magazine: De sushi met handwarme rijst is oké, al proeft de makreel niet helemaal kraakvers. Daar struikelde Ria Sluiter uit De Meern over. Sluiter: 'Weer een voorbeeld van het verdwijnende verschil tussen smaken en proeven.' Een verschil dat Sluiter naar eigen zeggen vooral in het noorden hoort slijten, de streek waar ze geboren en getogen werd.

Klopt het?
Dat je het zo nu en dan of vaak (dat blijven tenslotte relatieve begrippen) hoort en leest, klopt ongetwijfeld. En dat ons taalgevoel zegt dat er een verschil is tussen proeven en smaken, klopt ook. Ik proef iets, en iets smaakt vervolgens al dan niet lekker. Toch is er iets interessants aan de hand met smaken en proeven. Een verouderde betekenis van smaken ís namelijk proeven: door de smaak keuren en voedsel en drank tot zich nemen. Wat je nog terugziet in bijvoorbeeld de verouderde zegswijze het genoegen smaken. Maar dat is natuurlijk iets anders dan een makreel die niet vers proeft. Dat laatste is niet correct, het eerste wel.

Tot slot
De vermenging is ook nog uit te leggen als een anglicisme. To taste betekent immers zowel smaken als proeven.

Interessante gespreksstof voor de kerstdis, zoveel is zeker.

Het wederkerend voornaamwoord bevindt zich in de gevarenzone

Wie en wat
Henk Wiegant schrijft: 'In de column van Caspar Janssen op vrijdag 17 november lees ik: De plek is nog unieker dan voorheen, bedenk ik me...'

En wat is het probleem?
Wiegant: 'Dat moet zijn: bedenk ik of realiseer ik me.'

Heeft hij gelijk?
Ja. Je hoort en leest het vaak, maar het is (nog) niet correct. Dat wederkerend maken van werkwoorden (beseffen is een ander slachtoffer) is een opvallend fenomeen, in een tijd dat gebruikers taal eerder lijken te versimpelen en verkorten. Even opvallend is dat het omgekeerde ook gebeurt, zo leerde René Appel ons. Hij las in de krant van 7 november: Hoewel pas minister sinds mei herinnert niemand meer zijn voorganger Sapin. Appel: 'Hier lijkt het wederkerend voornaamwoord 'zich' te zijn vergeten. Dit past in een trend, want dat wederkerend voornaamwoord bevindt zich in de gevarenzone. Steeds vaker hoor of lees ik constructies als Boven de Atlantische Oceaan ontwikkelt een hogedrukgebied of Je moet wel realiseren dat het op deze manier steeds moeilijker wordt.'

Heeft ook hij gelijk?
Ja, geen speld tussen te krijgen. Overigens is er in de door Appel genoemde gevallen geen twijfel over de betekenis. In het geval van bedenken en zich bedenken natuurlijk wel. Zich bedenken betekent nog eens overwegen; van zijn mening terugkeren. Dat is iets anders dan iets bedenken.

En er is is meer
Beide voorbeelden van onze lezers bevatten nog iets opmerkelijks. Bij De plek is nog unieker dan voorheen kun je je strikt genomen afvragen hoeveel gradaties van uniek er bestaan. En in Appels voorbeeld Hoewel pas minister sinds mei herinnert niemand meer zijn voorganger Sapin is sprake van een pijnlijk verkeerde samentrekking, waarover al eerder in deze rubriek is geschreven. In de bijzin Hoewel pas minister sinds mei is het onderwerp weggelaten. Dat moet dan wel hetzelfde zijn als dat van de hoofdzin herinnert niemand meer zijn voorganger Sapin. En dat is niemand.

Doet de krant dan helemaal niets goed?
Zo erg is het nu ook weer niet. Zo sluiten we goedgemutst af met deze mail van Rutger van Gent: 'Gelukkig komt een uiterst verwarrend anglicisme in de krant weinig meer voor: globaal, terwijl wereldwijd bedoeld wordt.' En dat terwijl dit vermaledijde synoniem van mondiaal inmiddels wel in Van Dale staat.

Kwesties kosten geen opzeggingen maar abonnementen

Wat?
Een fout waaraan iedereen zich weleens bezondigt: de contaminatie. Waarover meer te zeggen valt, maar dat bewaren we tot het eind.

Wie?
Ronald Boot tikt onze ombudsman én de hoofdredacteur op de vingers.

Waar?
In de krant van zaterdag 11 november ging het (nogmaals) over de zaak Robert M. Boot: 'Ombudsman: de kwestie kostte opzeggingen. Hoofdredactie: een artikel dat tien opzeggingen heeft gekost.' Volgens Boot kost de kwestie geen opzeggingen maar abonnementen, 'te vergelijken met een ramp die geen doden heeft gekost, maar levens'.

Heeft de lezer gelijk?
Ja. De tweede betekenis van kosten is: vorderen, eisen. Het woordenboek noemt onder meer de voorbeelden: die oorlog heeft veel mensenlevens gekost en dat zal hem niet de kop kosten. In die lijn ligt ook Boots voorbeeld. Een geval van woordcombinaties verhaspelen. De kwestie kostte abonnementen of resulteerde in opzeggingen. Komt vaak voor. Dat verhaspelen dan.

Meer voorbeelden
In dezelfde krant kwam Norbert Duif deze tegen, in een stuk over judoka Henk Grol: Zwaarder dan 120 kilogram wil de Groninger niet wegen. En deze, in een kop op de economiepagina's over de winnaar en verliezer van de week: Tan grijpt kans, Clemmer vist mogelijk naast het net. Twee verhaspelingen (het is meer wegen of zwaarder zijn en achter het net vissen) die Duif terecht pijn doen.

Hoe roepen we dit een halt toe?
Niet. Contaminaties horen bij taalgebruik. Sterker: je kunt, en dat doet Van Dale, een contaminatie behalve 'slordig taalgebruik' ook een stijlfiguur noemen. Die al tot veel nieuwe woorden heeft geleid die we dagelijks gebruiken en die niemand storen.

Het woordenboek noemt onder meer aangezicht en plotsklaps. Prachtige woorden. Optelefoneren en duur kosten zijn nog niet geaccepteerd, maar laten taalgebruikers zich daardoor vooral niet gehinderd voelen. Gewoon proberen en volhouden en wie weet, op een dag is het zover.

De krant echter moet op dit gebied geen voortrekkersrol vervullen en rekening houden met wat op dit moment als aanvaardbaar geldt. In alle bovenstaande voorbeelden hadden we dus iets anders moeten schrijven.

Taal verandert, dat kan niet vaak genoeg herhaald worden

Wie en wat
Drie lezers, Henk van Hoorn, Jaap Blaakmeer en Drs. Henk Stoepker struikelden de afgelopen weken over ons gebruik van het woord soebatten. 'Ik schrok een beetje', schrijft Blaakmeer. En Van Hoorn: 'Mag ik jullie soebatten het woord niet meer verkeerd te gebruiken?'

Wat is het probleem?
Van Hoorn: 'Het woord betekent smeken, bedelen, nederig vragen. Ik zie dat journalisten het af en toe gebruiken als synoniem van bekvechten, twisten, kibbelen.'

Hebben de lezers gelijk?
Ja en nee. De betekenis die zij toekennen aan het woord, is de eerste betekenis die Van Dale geeft. Maar in de nieuwste druk(ken) van het woordenboek staat ook dit: '2. bij uitbreiding langdurig discussiëren en onderhandelen.' Aan de manier waarop de journalisten het woord gebruiken, mankeert niets.

En dus?
Taal verandert, dat kan niet vaak genoeg herhaald worden. En de gezaghebbende bron waarop wij ons baseren verandert mee. Wie commentaar op ons taalgebruik levert, verzekere zich er dus van dat hij of zij de recentste uitgave van het woordenboek gebruikt. Tegenwoordig is dat eigenlijk zelfs de digitale versie, maar de recentste druk, uit 2015, volstaat ook.

En dan dit nog
Mirjam van Eck schreef: 'In deze rubriek gaat het vaak om de vraag of een constructie grammaticaal juist is of niet. Interessant, vooral ook omdat er soms discussie mogelijk is over de kwestie. Echter, (bijna) nooit komt in deze rubriek een klacht over spelfouten aan de orde.' En zij constateert er nogal wat. 'Deze fouten zijn mijns inziens erger dan stijlfouten, omdat er simpelweg geen discussie over mogelijk is.' En dat laatste maakt ze direct ook ongeschikt voor deze rubriek. Dat u niet denkt dat we ze liever verzwijgen.

Gebruik voor Engelstalige passages als 'wear and tear' een Nederlands alternatief

Wie?
Een vaste gast in deze rubriek, Frans Bakker uit Nijmegen.

Wat
Een ergernis die hij deelt met veel lezers, waaraan we hier om de zoveel tijd aandacht besteden, maar die nog wel even zal voortduren.

Terzake
Bakker: 'Een fragment uit 'Opinie en Debat', 24 oktober. 'Wear and tear' zegt mij niets. Uit de context kon ik de betekenis niet afleiden. Het woordenboek vertaalt het als 'slijting, slijtage'. Veel duidelijker maakt dat het er ook niet op: '... slijtage die vrij seksueel verkeer nu eenmaal met zich meebrengt'? Blijkbaar gaat rijmen hier boven duidelijkheid.'

Is de ergernis terecht?
Ja. De Engels-Nederlandse Van Dale wordt al door Bakker geciteerd en biedt geen uitkomst. De Cambridge Dictionary is wat uitgebreider en omschrijft het begrip als de schade die aan een object ontstaat gedurende normaal gebruik van dat object. Voorbeeldzin: 'Stoelhoezen in bussen lopen veel gebruiksschade op.' Wikipedia weet er nog aan toe te voegen dat de term vaak gebruikt wordt in garantiebepalingen van producten. Het betekent dus inderdaad gewoon slijtage.

De les?
Schrijvers en eindredacteuren moeten zich bij elke Engelstalige passage afvragen wat de formulering betekent, of er een goed Nederlands alternatief voor is en dat dan bij voorkeur gebruiken. In dit geval had in die eerste fase al de alarmklok geluid.

Bij een onderwerp in het meervoud, ook de persoonsvorm in het meervoud?

Wat
Een inkopper met een kanttekening.

Wie
Martin Wijsman uit Berkel en Rodenrijs.

Wanneer
De krant van 17 oktober, waarin deze zin staat: ... actrice Rose McGowan, één van de vrouwen die Weinstein beschuldigt, maakte iemand ... Even los van het feit dat een in deze zin geen accents aigus nodig heeft; het gaat om de bijzin een van de vrouwen die Weinstein beschuldigt. In die zin is Weinstein het onderwerp omdat de persoonsvorm beschuldigt enkelvoud is. Dat is niet wat de schrijver bedoelt. Wijsman: 'Dus graag voortaan bij een onderwerp in het meervoud ook de persoonsvorm in het meervoud.'

Dat gaat vaker mis
Ja, alleen is er een kanttekening bij te maken. Veel mensen hebben namelijk de neiging in de zin Jan was een van de laatsten die arriveerde(n) de enkelvoudsvorm van de persoonsvorm te verkiezen boven de meervoudsvorm. Volgens de Algemene Nederlandse Spraakkunst (de Ans), de gezaghebbende bron op dit gebied, is dat verdedigbaar en dus niet verkeerd. Ans' verklaring: wie de enkelvoudsvorm gebruikt, heeft het individu Jan voor ogen; wie de meervoudsvorm verkiest, denkt aan de groep.

Dat doet ergens aan denken
Aan de 'aantal-discussie': een aantal voetballers ging(en) over de schreef. Wie wil benadrukken dat slechts een aantal de fout in ging, gebruikt de enkelvoudsvorm; wie duidelijk wil maken dat het voetballers waren, gebruikt de meervoudsvorm. Het is maar wat je als de kern van het onderwerp een aantal voetballers beschouwt.

Dus
Terug naar onze zin. Met de argumentatie van Ans in het achterhoofd, is de zin zoals hij in de krant stond goed te verdedigen. Wat de gekozen vorm desondanks ongelukkig maakt, is dat er een lijdend voorwerp in de zin staat dat je zou kunnen opvatten als het onderwerp. Om die verwarring te voorkomen, hadden schrijver en eindredacteur in dit geval beter kunnen kiezen voor de meervoudsvorm.

Een uitstekend ezelsbruggetje om te weten wanneer je een komma gebruikt

Eerst terug naar vorige week
En die bijzinzin over Nouri: De voorbereiding werd overschaduwd door het drama rond talent Nouri die ernstige hersenschade opliep na hartfalen.

Wat nu weer?
Er waren nogal wat lezers die opmerkten dat het betrekkelijk voornaamwoord in deze zin 'natuurlijk niet die maar dat moet zijn'. Het is tenslotte het talent dat. Dat is zo, al zou je binnen de grenzen van de Nederlandse taal kunnen argumenteren dat ook alleen Nouri het antecedent van het betrekkelijk voornaamwoord zou kunnen zijn. Maar dat is vergezocht, dus dat doen we niet.

Klaar dan?
Nee, want één lezersreactie was te waardevol om hier onvermeld te laten. Peter Wesselink heeft een uitstekend ezelsbruggetje: 'Uitbreidende bijzinnen kun je weglaten zonder de inhoud van de zin geweld aan te doen, beperkende bijzinnen niet. Kun je de bijzin weglaten, dan een komma ervoor. Zo niet, dan geen komma.'

En dan nu
Iets heel anders en opmerkelijks, vindt ook Marleen van Dijk-van der Linden: 'Vandaag dook hij weer op in jullie magazine: de ovalen vorm. Het woord ovalen intikken als zoekopdracht op jullie website levert 201 hits op. Daar zal ongetwijfeld hier en daar een meervoud van het zelfstandig naamwoord tussen zitten, maar het overgrote deel bestaat uit de foutieve schrijfwijze van het bijvoeglijk naamwoord. Wat zou toch de oorzaak zijn van deze hardnekkige fout? Waarom speciaal bij ovaal? Je leest nooit over een vierkanten, ronden, of rechthoekigen vorm.'

Snijdt wat de lezer zegt hout?
Ja. Ovalen als bijvoeglijk naamwoord is niet correct. Ovaal is geen zogeheten stoffelijk bijvoeglijk naamwoord, wat bijvoorbeeld hout, zilver en leer wel zijn; die krijgen in verbuigingen wel een n aan het eind. Dat de fout vaak wordt gemaakt, moet ermee te maken hebben dat er andere bijvoeglijke naamwoorden zijn die eindigen op aal en wél stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden zijn. Die zijn er inderdaad: staal, koraal, opaal.

Komma's en bijzinnen blijven lastige materie

Wie?
Frans de Graaf uit Brussel, die begint met een compliment: 'Ik leer zoveel goed Nederlands van de Volkskrant dat het eigenlijk unfair is om kritiek te leveren, maar u hebt nu eenmaal een taalrubriek, dus heb ik de afgelopen maand het een en ander bij elkaar gesprokkeld.'

Ernstig?
Valt mee. Wat ei/ij-fouten, wat woordvolgordefouten, wat lelijke anglicismen. En De Graaf maakte ons nog eens attent op misschien wel de meest gemaakte fout in de krant (en elders): het onterechte ontbreken van een komma, of juist de onterechte aanwezigheid ervan. Hij had een voorbeeld uit de krant van 26 september bijgevoegd, maar dagelijks is er een lang overzicht te maken van deze taalfout, die soms ook voor de betekenis van een zin gevolgen heeft.

Waar gaat het om?
Deze zin: De voorbereiding werd overschaduwd door het drama rond talent Nouri die ernstige hersenschade opliep na hartfalen. De Graaf: 'Ik weet zeker dat na Nouri een komma had moeten staan. Nouri wordt immers niet ingeperkt door wat volgt; het betreft dus een uitbreidende bijzin en dat type bijzinnen wordt voorafgegaan en gevolg door een komma.'

Zit daar wat in?
Ja. Wel of geen komma, uitbreidende of beperkende bijzin, het blijft voor velen lastige materie. Terwijl het soms een zaak van belang is, want de betekenis van een zin kan veranderen door het wel of niet plaatsen van een komma. Niet altijd overigens; vaak kan een komma simpelweg dienst doen als rustpunt in een zin. Niets mis mee.

Maar terug naar die bijzinnen. Dit voorbeeld maakt voor sommigen de zaak iets duidelijker. Als je zegt: de bomen die worden gekapt zijn mooi, dan beperkt de bijzin het onderwerp. Namelijk: alleen de bomen die worden gekapt zijn mooi. Andere bomen waarover het gesprek of het stuk gaat, zijn níét mooi. Als je zegt: de bomen, die worden gekapt, zijn mooi, dan is de bijzin een uitbreiding van het onderwerp. Namelijk: de bomen waarover het gesprek of het stuk gaat, zijn mooi en bovendien worden ze gekapt.

Als je het verschil tussen uitbreidende en beperkende bijzin toepast op de Nouri-zin uit de krant, dan moet er voor die dus inderdaad een komma.

Duidelijker kunnen we het niet maken.

Een onduidelijke zin en het gebruik van gender

Wat en wanneer
De krant van 21 september. Daar viel Emmy van Stratum deze zin op: De reden dat er in 1985 veel meer slachtoffers vielen dan nu, is deels te danken aan de verscherpte bouwvoorschriften.

Van Stratum: 'Twee dingen: 'te danken' gebruik je doorgaans bij positieve gevolgen, bij negatieve zaken zeg je 'te wijten'. En in 1985 wist men nog niet dat er nu weer een aardbeving zou zijn. En men wist ook nog niet dat na 1985 de bouwvoorschriften verscherpt zouden worden.'

Daar komt nog bij: niet de reden is te danken of te wijten aan de voorschriften, maar dat er meer slachtoffers vielen. En: is het reden of oorzaak?

Zit daar wat in?
Beslist.

Dus?
Een betere zin zou zijn: 'Dat er minder slachtoffers vielen dan in 1985 is deels te danken aan het feit dat er nu strenge bouwvoorschriften zijn.'

En dan ook dit nog
Frens Bakker uit Nijmegen wijdt bijkans een essay aan een deze dagen vaak opduikend woord. Bakker: 'Het woord 'gender'. De Volkskrant verklaart waar mogelijk 'genderneutrale' aanduidingen te hanteren. Maar voor 'gender' hebben wij toch al 'geslacht' en 'sekse'?'

Dat klopt. Maar dat het woord in de Nederlandse taal inmiddels is ingeburgerd, snapt Bakker: 'Kennelijk is er behoefte aan een woord met een andere betekenisnuance dan ons oude, vertrouwde 'sekse' of 'geslacht'.

Zo is het. Van Dale omschrijft 'gender' als volgt: 'Geheel van sociale en culturele kenmerken van een sekse / geheel van seksegerelateerde eigenschappen, gedragingen en voorkeuren'.

Dat is toch net iets anders en meer dan 'sekse' of 'geslacht'.
Overigens heeft Bakker wel gelijk als hij schrijft dat 'niet altijd voornoemde definitie aansluit bij de praktijk. Zo bepaalt een Nederlandse kliniek het geslacht van ongeboren kinderen en noemt zich 'genderkliniek'. En dat doet ze niet met prenatale psychologische tests.'

Wat leren we ervan?
Dat er niets mis is met het gebruik van 'gender', maar dan wel in juiste betekenis. Als je het gebruikt als synoniem van 'sekse' of 'geslacht', dan geef je te kennen je taal niet te beheersen.
4518805

Twee brieven, zeven taalfouten, drie aanpassingen

Eerst weer eens de hand in eigen boezem
Erik Jurgens uit Amsterdam maakt ons attent op een vaste formulering in deze rubriek: 'heeft de lezer een punt?' Jurgens: 'Deze uitdrukking komt mij voor als een anglicisme.'

En?
Klopt. Ze staat in Van Dale, met de toevoeging: 'leenvertaling van Engels to have a point.'

Dus?
'Mag ik voorstellen voortaan de oude Nederlandse zegswijze 'zit daar wat in?' te hanteren, in plaats van het anglicisme?', schrijft Jurgens. Doen we. Uiteraard.

En dan
Anton Overboom uit Prinsenbeek lucht zijn hart en meldt vier zaken die hem dwarszitten. Twee daarvan (stoplicht/verkeerslicht en wagon/rijtuig) laten we hier onbesproken; de andere twee zijn vermeldenswaard. Zo is er het onvolprezen weerbericht, in dit geval in de krant van 14/9. Daarin staat: 'Normaal hoort het 19 graden te zijn.' Overboom: 'Hier staat een pleonasme. Er dient te staan: 'Normaal is het in de middag...' of: 'Het hoort 19 graden te zijn.'

Heeft de lezer... uh, gelijk?
Ja. Ze glippen er nogal eens doorheen, pleonasmen ('het gebruik van meer woorden dan nodig zijn om een begrip uit te drukken'). Overigens kan een pleonasme ook een bewust gebruikte stijlfiguur zijn, waarmee de schrijver een aspect van een zelfstandig naamwoord of werkwoord wil benadrukken. Dan is het gebruik ervan goed te verdedigen.

En Overbooms laatste punt?
Dat betreft de vaste zin die zin die boven aan onze brievenpagina staat in de krant. Overboom probeerde 'tot op heden vergeefs al enkele malen gehoor te krijgen'. Er staat: 'Bijdragen en brieven tellen respectievelijk max. 600 dan wel 200 woorden.' Ai. Overboom: 'Het is respectievelijk... en... Ik had dit al eens toegelicht en Van Dale ondersteunt mij.'

Zit daar wat in?
Nou en of. We passen het aan.

'Wier' is inderdaad fout, maar niet omdat het 'wiens' had moeten zijn

Wie?
Rob de Waal Malefijt uit Haarlem.

Wat?
De bijdrage van De Waal Malefijt 'betreft het gebruik van 'wier' dan wel 'wiens', een onderwerp dat steeds minder aandacht krijgt, maar voor veel ouderen onder ons in sommige gevallen nog heel gewoon is: mannelijk, vrouwelijk, onzijdig, enkel- of meervoud'. Zijn oog was op nevenstaande gevallen. En dat is volgens De Waal Malefijt verkeerd. 'Omroep is mannelijk en daaruit volgt dus 'wiens'.'

Heeft de lezer een punt?
Ja en nee. De zin die in de krant staat, is niet correct. Maar om een andere reden dan De Waal Malefijt denkt. De klassieke regel, die nog onverminderd geldt, is namelijk dat je naar zaken en begrippen verwijst met een zogeheten voornaamwoordelijk bijwoord: waarmee, waardoor, waarvan. Naar personen verwijs je met de combinatie van een voorzetsel en een voornaamwoord: met wie, door wie, van wie. Dat laatste kan worden vervangen door wiens of wier, al naar gelang het geslacht van het zelfstandig naamwoord waarnaar het verwijst: 'De vrouw, van wie dit boek is', of: 'De vrouw, wier boek dit is.' Naar 'omroep', zoals in het voorbeeld van De Waal Malefijt verwijs je dus sowieso nooit met 'wiens' of 'wier'.

Klinkt wel ouderwets, dat wier.
Klopt. Zo ouderwets zelfs, dat taaladviessites verwijzingen naar personen met waarmee, waardoor en waarvan eigenlijk ook wel prima vinden. Taaladvies.net schrijft: 'Het gebruik van die vormen om naar personen te verwijzen is algemeen gebruikelijk in spreektaal en het komt ook geregeld voor in informele schrijftaal.'

Maar daar valt de krant toch niet onder?
Inderdaad. De krant kan het beter iets formeler houden. Alleen was dat formele in dit geval niet correct. De goede zin zou zijn geweest: 'Grote verliezer is de publieke omroep, waarvan het imago van onafhankelijkheid is geschaad.' Nog beter zou zijn om de zin in tweeën te knippen: 'Grote verliezer is de publieke omroep. Daarvan is het imago van onafhankelijkheid nu geschaad.'

Eindredactie moet twee keer nadenken voor gebruik van barbarisme

Wanneer
De krant van 26 augustus.

Wat
Een terugkerende ergernis van onze lezers, hier verwoord door de overigens niet merkbaar geërgerde Jaap Blaakmeer uit Heerenveen. Hij schrijft: 'Gail Collins noemt Trumps penthouse 'overdecorated'. Dat betekent zoiets als overdadig, protserig ingericht, volgepropt. We hebben er geen goed Nederlands equivalent voor, vandaar misschien het anglicisme 'overgedecoreerd' in de vertaling. Maar daarbij denk ik toch aan iets anders. Dan zijn er voor het verjaardagsfeestje te veel vlaggetjes en slingers opgehangen. Of het gaat om iemand die te veel medailles op zijn uniform heeft hangen.'

Heeft de lezer een punt?
Ja. Blaakmeer geeft exact aan waar de schoen wringt en geeft eigenlijk ook al meteen de goede vertaling. Die bestaat weliswaar uit drie woorden, maar is raker dan de letterlijker vertaling 'overgedecoreerd', waarin je direct het Engelstalige origineel herkent en dat dus strikt genomen iets anders betekent.

Maar de lezer snapt het toch wel?
Waarschijnlijk wel, maar dat ontslaat de schrijver, en in dit geval de vertaler, niet van de plicht te zoeken naar een beter en correct Nederlands woord. Nuances die wij in Nederlandse woorden herkennen, herkennen we minder goed in Engelse woorden en nieuw gevormde anglicismen (of andere barbarismen).

Onvertaald laten dan maar?
Nee, dat is de slechtst denkbare oplossing, om dezelfde reden. Je ziet dat overigens wel vaak in de krant. De schrijver vindt een bepaalde zinsnede mooi of veelzeggend of kenmerkend voor de geïnterviewde (of, maar dan gaan we van het slechtste uit, weet zo gauw niet wat het precies betekent).

Zo stond in de krant van 6 september, in een stuk over muziekstad Manchester, een twitterbericht van muzikant Liam Gallagher, dat de auteur deels onvertaald liet: 'Wat een ongelooflijke avond. Pure love vibrations. Nobody comes close to Manchester.' Als Gallagher een Nederlander was geweest, zou je kunnen betogen dat zijn gebruik van veel Engels kenmerkend is en iets zegt over hem. Maar Gallagher is een Engelsman die in zijn moerstaal twittert, dus was er geen enkele reden dit niet te vertalen.

Dus?
Als schrijver, vertaler of eindredacteur niet één, niet twee, maar drie keer nadenken voordat je iets onvertaald laat of een barbarisme gebruikt.

Het verschil tussen 'hebbelijkheid' en 'onhebbelijkheid' is subtiel

Wat?
In een column over begrafenissen ging het over begrafenisspeeches: 'Je liefsten die ontroerd je onhebbelijkheden in grapjes verwerken en de loftrompet over je steken.'

Wie?
Volkskrant-lezer Johan Schipper (van 'Taaladviesbureau Vooral u taalfouten').

Wat is er aan de hand?
Schipper: 'Hebbelijkheden en onhebbelijkheden lijken veel op elkaar. Ik denk dat Kustaw Bessems in zijn column van vandaag 'hebbelijkheden' bedoelt, terwijl hij 'onhebbelijkheden' zegt. Als we iemand gedenken, zullen we eerder zijn hebbelijkheden in grapjes verwerken dan zijn onhebbelijkheden.'

En heeft Schipper gelijk?
Volgens Van Dale is een 'onhebbelijkheid' een onaangenaamheid jegens een ander. Een 'hebbelijkheid' is een hinderlijke gewoonte. Het verschil is, inderdaad, subtiel.

Maar wat werd er bedoeld?
Navraag bij de columnist leert dat Schippers veronderstelling correct is. 'Hij heeft gelijk hoor. Een onhebbelijkheid is een eenmalige daad en hebbelijkheid een eigenschap.'

Gebruik overdrijvingen met mate om er echt van te genieten

Wat?
In de krant van zaterdag 5 augustus las Flip Deen 'Hun eerste prioriteit'. Hij vraagt zich af: 'Is dat niet een beetje dubbelop?'

Heeft hij een punt?
Zeker. Een prioriteit is iets wat vooraf moet gaan aan, of voorrang moet hebben boven iets anders. Aan de andere kant: het woord kent een meervoud en als er drie prioriteiten kunnen zijn, kan er een de eerste zijn. Maar er is in de geciteerde zin iets anders aan de hand.

En dat is?
De neiging van taalgebruikers zaken (onnodig) te versterken. Iemand die gedacht werd een wedstrijd te winnen, heette lang de favoriet. Dat werd de topfavoriet en is inmiddels de absolute topfavoriet. Zoals de eerste mens op de maan ook zomaar de allereerste kan zijn. En iets wat mooi is, ook heel erg mooi.

Het is allemaal niet verkeerd, maar het is als met wijn: om er echt van te genieten, moet je het met mate gebruiken.

Groot verschil: ergens geen been of heil in zien

Wie
Jacques Smits uit Heerlen.

Wat
De krant van 20 juli, in een artikel over de aftredende AkzoNobel-bestuursvoorzitter Ton Büchner. Smits: 'In het artikel wordt bedoeld dat Büchner geen mogelijkheid ziet, er geen gat in ziet. Er geen been in zien betekent echter: er niet voor terugschrikken, geen scrupules hebben. Die uitdrukking is hier misplaatst.'

Heeft de lezer een punt?
Ja. De uitdrukking wordt heel vaak verkeerd gebruikt. Dat moet bijna wel komen door de uitdrukking die er uiterlijk zo op lijkt: er geen heil in zien. Wie de herkomst van de uitdrukking kent, zal de fout niet snel meer maken: ze gaat terug op het eten van een stuk vlees. Als daar geen been (bot) in zit, gaat het een stuk makkelijker. Zo simpel is het.

Nog eentje dan maar
Tijs Rolle uit Leusden trof in de krant van 20 juli de gevallen wielrenner aan 'die onderdeel uitmaakte van een groepje'. Rolle: 'Het is toch deel uitmaken van óf ergens onderdeel van zijn?'

Heeft ook deze lezer een punt?
Nee, al klinkt het waterdicht wat hij schrijft. Het lijkt een contaminatie, maar alle geraadpleegde bronnen geven Rolle ongelijk. 'Onderdeel uitmaken van' staat zelfs al als tweede betekenis bij het lemma 'onderdeel' in Van Dale. Wat overigens niemand belet 'deel uitmaken van' te gebruiken. Maar dat is een ander verhaal.

Waarom is het niet 'mamma en pappa' in plaats van 'mama en papa?'

Wie
Frits Booy uit Baarn, die boos klinkt over zaken die hij voortdurend aantreft in de krant.

Wat
Booy: 'Ja hoor, daar staat het weer. Steevast lees ik 'papa' en 'mama', nooit meer 'pappa' en 'mamma', alsof die woorden niet bestaan!' Gevolgd door een ogenschijnlijk waterdichte argumentatie waarom het mamma en pappa moet zijn en niet mama en papa.

Heeft de lezer een punt?
Nee. De woorden komen uit het Frans, zoals Booy ook aangeeft. Maar dat wij mamma moeten schrijven omdat we het woord zo uitspreken en niet op zijn Frans (met een langere a), snijdt geen hout. Veel woorden die uit een andere taal komen, houden hun spelling terwijl de uitspraak ervan verandert. Frans voorbeeld: garage. Omdat we in de krant woekeren met de ruimte, houden wij het op mama en papa. Maar Booy kan zelf de dubbele medeklinkers gebruiken.

Was er nog meer?
Booy: 'Geen genoeg' is fout. Het moet zijn: 'niet genoeg'.

Heeft de lezer hier wel een punt?
Bijna. Het aloude liedje: omdat mensen 'genoeg' blijkbaar opvatten als een zelfstandig naamwoord (niet waar: het is een telwoord), mag er 'geen' voor. Al dient gezegd dat Booy het Van Dale-woordenboek voorlopig aan zijn zijde heeft.

'Vermeend' laat zien dat taal democratisch is

Wie?
Mevrouw C. de Vries uit Amsterdam.

Wanneer?
Onder meer de krant van 1 juli.

Wat?
De kwestie vermeend (zonder hoofdletter). De Vries citeert de krant, die schrijft over het 'uitbaten van een (vermeend) crimineel leven', zoals dat van John Jairo Velásquez, een veroordeelde moordenaar.

Wat is daar mis mee?
Niets, al denken veel mensen nog altijd dat 'vermeend' betekent: 'ten onrechte verondersteld'. Zo staat het ook in het woordenboek en dan zou het in dit voorbeeld niet correct gebruikt zijn. Want hier wordt juist gedoeld op een 'verondersteld' crimineel verleden en niet op een 'ten onrechte verondersteld' crimineel verleden.

Maar dan is er toch juist alles mis mee?
Nee, en daar zien we goed hoe taal werkt. Want de tweede betekenis (die dus later is toegevoegd, want de opsomming in Van Dale duidt alleen op chronologie, niet op gewicht) van 'vermeend' is 'verondersteld'. Die heeft het woordenboek eraan toegevoegd toen de redactie merkte dat veel taalgebruikers het woord in de mond namen als ze 'verondersteld' bedoelden.

Dat is geheel in lijn met de taak (opvatting) van de redactie van Van Dale, maar het heeft wel tot gevolg dat daarmee het begrip 'vermeend' in feite onbruikbaar is geworden. Want het heeft nu twee min of meer tegengestelde betekenissen, namelijk 'verondersteld' en 'ten onrechte verondersteld'.

Dat resulteert bij sommige lezers ongetwijfeld in stoom uit hun oren. Zoals De Vries schrijft: 'Kunnen we daaruit opmaken dat de Volkskrant meebuigt met de rekkelijkheid van Van Dale, en daarmee toegeeft aan de verschraling van de Nederlandse taal?' Het antwoord is ja en de toevoeging luidt: je kunt het verschraling noemen, je kunt ook zeggen: het laat nog maar weer eens zien dat taal democratisch is.

Intussen had de krant hier beter 'verondersteld' kunnen schrijven, zoals de Volkskrant in het vervolg sowieso beter het begrip 'vermeend' kan vermijden.

'Pincode' is dubbelop, maar blijkbaar voelt dat anders

Wanneer?
De krant van 4 juli onder meer.

Wie?
Edgar Smeets

Wat?
'Zou u eens een keer aandacht willen besteden aan het steeds maar weer gebruiken van de foutieve term 'pincode'? Het dient te zijn PIN. Want je zegt toch ook niet 'telefoonnummercode'?

Hé, dat komt me bekend voor
Kan kloppen. De grappig bedoelde en licht betweterige opmerking komt in soortgelijke vorm voor in de Engelse film The Riot Club (2014), over de werdegang van het fictieve, brallerigst denkbare ballengenootschap uit de Engelse studentengeschiedenis. Een van hen verbetert op precies de wijze van Smeets de overvallers die hem dwingen geld uit een automaat te halen. Het komt hem op een afrossing te staan - en voedt zijn, laten we zeggen, rechtse levenshouding.

Maar heeft de lezer een punt?
Pincode staat gewoon in Van Dale ('code die als wachtwoord dient'), ondanks het, inderdaad, dubbelopkarakter van het woord. Pin staat er trouwens ook in, betekenis: persoonlijk identificatienummer. We zien het vaker in de Nederlandse taal. Hoeveel mensen hebben het niet over ISBN-nummer (staat overigens níét in Van Dale, ISBN wel)? En wat te denken van zzp'er? Zzp betekent zelfstandige zonder personeel, dus wat doet dat achtervoegsel 'er daar eigenlijk?

Blijkbaar vinden taalgebruikers pin niet duidelijk genoeg, misschien omdat er meer samenstellingen met pin bestaan, zoals pinautomaat, pinpas, waardoor pin meer als voorvoegsel dan als afkortingswoord wordt ervaren, net als bij zzp. Overigens schrijven we, in tegenstelling tot in Engeland, in Nederland pin niet met hoofdletters.

Het misverstand van 'aantal' in combinatie met enkelvoud

Wat
Een wijdverbreid misverstand.

Wie
Alice Horsten uit Dordrecht.

Wanneer?
Sir Edmund van 24 juni.

De lezer
'In de column van Remco Campert (+) lees ik tot mijn verbazing 'hoe een aantal mensen op het perron van een station staan...' Hoe kan dat nou toch? Een aantal mensen STAAT op een perron.'

Wat is het misverstand?
Dat er in combinatie met het zinsonderwerp 'aantal' altijd een enkelvoudige persoonsvorm moet volgen. De Algemene Nederlandse Spraakkunst (kortweg de Ans), voor taalliefhebbers een heerlijk boekwerk om in te verdrinken trouwens, zegt in moeilijke bewoordingen het volgende: de persoonsvorm mag zowel enkelvoud als meervoud zijn. Ans weet wel dat het gevoelige materie betreft, gezien de toevoeging: 'Zinnen met een betrekkelijk voornaamwoord in de meervoudsvorm zijn niet voor iedereen acceptabel.' De opmerking daarna is duidelijk (en ook best grappig): 'Er hoeft evenwel geen bezwaar tegen gemaakt te worden.'

Wat niet in Ans staat, maar wel als regel geldt: als, in Camperts zin, de nadruk ligt op mensen, gebruik je de meervoudsvorm; ligt de nadruk op aantal, dan gebruik je de enkelvoudsvorm. Disclaimer: het staat niet in Ans, dus het betreft hier een ongeschreven regel.

Een onaangename verrassing voor de Volkskranttaalnazi's

Wat
Een afwijkende aflevering, omdat het zulk mooi weer is. Dat mag toch wel een keer?

Wie
Eerst een prangende kwestie, opgeworpen door Anne-Marie Spruyt, zoals onder meer in de krant van 17 juni stond, zie hierboven: 'Al een hele tijd twijfel ik over de spelling van perse of persé of per se.' En Spruyt treft in de krant geen eenduidige schrijfwijze. Vandaar haar vraag: 'Wat is nu de officiële, juiste spelling? Of zijn er diverse varianten toegestaan?'

Zeg het maar
De Volkskrant heeft zich gecommitteerd aan de zogeheten witte spelling. Die hanteerde tot voor kort, overigens net als de officiële, groene spelling, de schrijfwijze per se. Tot onaangename verrassing van de Volkskranttaalnazi's blijkt de witte spelling te zijn veranderd in persé. We zouden die spelling kunnen overrulen door een lemma in ons eigen Stijlboek eraan te wijden; genoemde nazi's zijn daarover in conclaaf. Voorlopig dient de Volkskrant dus sowieso persé te schrijven.

En verder
dit mailtje, dat geen verdere toelichting behoeft: 'Wij zijn Liv Jenner en Djannah Simon en we zijn 13 jaar oud. Wij hebben een nieuw woord bedacht. Wij vroegen ons af of wij een gratis stukje in de krant kunnen schrijven over ons nieuwe woord. Het woord is homa. Dat is een nieuw woord voor lesbisch. Wij vinden het een toepasselijker woord omdat het erg lijkt op homo. We hadden het aan uw collega Pam gevraagd en die had het aan een lesbische collega gevraagd en zij vonden het een leuk woord. Het lijkt ons dus leuk als er een stukje in de krant mag.'

Verwarring van verluchten en verluchtigen

Wat
'Het komt veel voor: verwarring van verluchten en verluchtigen', schrijft de kritische lezer en onze trouwe verbeteraar Johan Schipper uit Coevorden.

Wanneer dit keer?
De krant van maandag 12 juni, in een fotobijschrift: 'Bierdrinkende monnik in een verluchtigd handschrift uit de late 13de eeuw.'

Wat gaat hier mis?
Het woord is aan Schipper: 'Als het om illustraties gaat, spreekt men van verluchten, wat onder meer illustreren betekent. Verluchtigen in de zin van luchtig (vrolijk) maken zou hier, omdat we hier een bierdrinkende (ik zou bier drinkende zeggen, maar dat terzijde) monnik zien, natuurlijk ook bedoeld kunnen zijn, maar waarschijnlijk lijkt dat niet.'

Heeft de lezer een punt?
Een volmondig ja. Verluchten was hier het enig juiste werkwoord geweest. Hadden we recent al het verwarrende onderscheid tussen overleggen (overlegde, overlegd) en overleggen (legde over, overgelegd), dit schurkt ertegenaan. Twee letters, maar een kleine wereld van verschil. Het is ook niet gemakkelijk, die Nederlandse taal. Gelukkig hebben we onze oplettende lezers nog.

Wat is het verschil tussen pubertijd en puberteit?

Wat?
De krant van maandag 29 mei (hierboven).

Wie?
Hugo Pinksterboer uit Zaandam.

Wat is het probleem?
Pinksterboer: ''Kinderen vasten mee zodra ze in de pubertijd komen', las ik op bladzijde 2. Au. Ik ken het verschil tussen puberteit en pubertijd, en in dit geval moet het toch echt de eerste zijn. Wellicht leuk om die twee woorden een keer aan de orde te brengen, maar belangrijker lijkt me echter dat de eindredactie van het verschil doordrongen raakt.'

Heeft de lezer een punt?
Eerst het verschil. Puberteit (klemtoon op teit) is, in de omschrijving van Van Dale, 'de levensperiode waarin de geslachtsrijpheid intreedt en zich ontwikkelt'. Het woord is afgeleid van het Latijnse pubertas, dat 'het man-zijn' betekent. Puberteit gebruiken we als we het over de lichamelijke of psychologische veranderingen hebben tijdens die periode.

Pubertijd (klemtoon op pu) is, aldus Van Dale de 'tijd van de puberteit'. De tijd, dus, waarin de puberteit zich voltrekt, de tijd waarin je puber was (te vergelijken met het woord kindertijd, de tijd waarin je kind was). Pinksterboer heeft gelijk, in bovenstaande kop wordt de eerste betekenis bedoeld.

Verder nog iets?
Pinksterboer kwam met nog een tip: 'Zouden jullie serieus willen overwegen om criminele motorclubs voortaan als motorbendes aan te duiden, als er in de kop of in de tekst geen ruimte voor die precisering is? Mijn dank is groot als de liefde voor mijn vervoer.'

Wim van der Lee legt een taalfout over

Wat?
De krant van dinsdag 9 mei (hierboven).

Wie?
Wim van der Lee uit Amersfoort.

Wat is het probleem?
Van der Lee: 'In de Volkskrant van dinsdag 9 mei kwam ik het weer tegen: het lastige woord 'overleggen'. Dat werkwoord heeft twee vormen, een met de klemtoon op de o (legde over, heeft overlegd) en een met de klemtoon op de tweede e (overlegde, heeft overlegd). Ook hier zijn ze verwisseld. Troost u: zelfs de gelauwerde Ilja Leonard Pfeijffer begaat de fout in zijn roman La Superba (en het was bepaald niet de eerste druk die ik las). Blijf waakzaam!'

Heeft de lezer een punt?
We namen de Van Dale ter hand, en inderdaad: wie overleggen gebruikt als overgankelijk werkwoord (een werkwoord dat in een zin altijd een lijdend voorwerp bij zich heeft) dient het als volgt te vervoegen: legde over, heeft overlegd. Van der Lee heeft het dus bij het rechte eind. De zin had moeten zijn: 'Jens Toornstra (28) en Nicolai Jørgensen (26) legden ronduit dramatische cijfers over en Dirk Kuijt (36) kon als invaller ook geen potten breken.'

Terzijde
Je zou je nog kunnen afvragen of een iets directere stijl ('Toornstra en Jørgensen speelden matig' of iets van die strekking) hier niet de voorkeur had moeten krijgen. Daarmee was een foutje voorkomen, maar enige sjeu is ons ook wat waard.

Weerzinwekkend precies, dat klinkt niet erg positief

Wat
De krant van dinsdag 16 mei (hierboven).

Wie
Cecilia Tabak uit Amsterdam, tevens eindredacteur van de Volkskrant.

Wat is het probleem?
Tabak: 'Met verbazing lees ik in de Volkskrant over een razend knappe tekenaar die met 'weerzinwekkende precisie' te werk gaat. Nieuwsgierig naar wat er zo afschuwelijk is aan die nauwkeurigheid begin ik te lezen. En dan blijkt het juist positief bedoeld, weerzinwekkend als synoniem voor indrukwekkend. Zijn de auteur en de eindredactie in de war?'

Heeft de lezer een punt?
Allereerst dit: u heeft het wellicht níét gelezen in de krant, want het stond er niet. Het stond wel op de site en in de avondnieuwsbrief. De eindredacteur had de formulering aangepast, maar de internetredactie had een eerdere versie van het stuk online gezet. Dat gebeurt vaker maar zou niet moeten gebeuren. We doen er alles aan om het te voorkomen, maar we blijven mensen.

Terzake
Je zou kunnen betogen dat 'weerzinwekkend precies' een soortgelijke stijlfiguur is als 'akelig goed' of 'gruwelijk mooi'. Daarbij versterkt het eerste (bijwoord) de betekenis van het tweede (bijvoeglijk naamwoord), ook al heeft dat eerste deel van zichzelf een tegengestelde betekenis. Een aantal van die zegswijzen is ingeburgerd, zoals de twee laatstgenoemde. Vaak ook verschijnen ze als nieuw gevormde combinaties. Dan hangt het van het taalgevoel van schrijver én lezer af of het gezegde door de beugel kan. Tabak zit in het geval van 'weerzinwekkend precies' op een ander spoor dan de schrijver. Het lukt haar niet weerzinwekkend in een andere betekenis dan weerzinwekkend te lezen. De eindredacteur idem dito; zij verving weerzinwekkend door gruwelijk. Een nuanceverschil, maar precies genoeg om ook ondergetekende te overtuigen. Zo subtiel werkt taal.

Taalpuristen verliezen uiteindelijk met dubbele cijfers

Wie
Kees Hiddinga uit Leeuwarden.

Wat
De krant van 6 mei, zie hierboven. En eerder, natuurlijk, zoals Hiddinga schrijft: 'Wat tot voor kort weermannenjargon was, is nu ook doorgedrongen naar 'De winnaar & verliezer van de week'.'

Wat is het probleem?
Hiddinga: 'Dubbele cijfers. Hoezo dubbel? Het dubbele van wat? Bedoeld wordt een getal van twee cijfers. Dat is heel wat anders. Zeg dat dan.'

Heeft de lezer een punt?
Nee. De eerste betekenis van 'dubbel' volgens Van Dale is: 'uit twee gelijke of overeenkomstige delen bestaan'. Niets staat de taalgebruiker in de weg om als die twee delen cijfers te gebruiken. Sterker: hij wordt daarin gesteund door het woordenboek. Als laatste in een lange reeks voorbeelden van genoemde betekenis, staat: 'met dubbele cijfers groeien: met meer dan 10 procent groeien'.

Waarom dan toch die ergernis?
Het lijkt een geval van taalpurisme, een kwaal die vaker voorkomt bij Volkskrantlezers. Die beperkt zich niet tot anglicismen, germanismen en gallicismen, maar strekt zich uit tot het in de ogen van sommigen verkeerd gebruik van woorden en woordcombinaties. Zo vinden puristen 'overnieuw' een contaminatie van 'opnieuw' en 'over', maar het woord is in het informele taalgebruik al zozeer ingeburgerd dat het in het woordenboek staat. Slecht nieuws voor de puristen: niet zij bepalen wat geaccepteerd taalgebruik is, maar de grote meerderheid van taalgebruikers doet dat. Als die meerderheid bepaalt dat 'hun' als onderwerp van een zin prima is, dan delven de puristen uiteindelijk, zoals altijd, het onderspit.

Het verschil tussen reden en oorzaak is niet zo moeilijk

Wie en wat?
Michiel Mons uit Heemstede: 'Een aantal van uw redacteuren kent het verschil tussen oorzaak en reden niet.' Zie bovenstaand voorbeeld uit de krant van 27 april, maar Mons stuit er vaker op.

Heeft hij een punt?
Jazeker. Reden en oorzaak worden vaak verward, net als de bijbehorende voegwoorden 'omdat' en 'doordat'. Het eerste hoort bij een reden, het tweede bij een oorzaak. En die hebben dan ook weer hun eigen werkwoord, respectievelijk 'zijn' en 'komen'. Al die dingen gaan vaak verkeerd in het dagelijks taalgebruik, en dat is enigszins te billijken, maar in de geschreven taal in de Volkskrant mogen die fouten niet worden gemaakt.

Is het dan zo moeilijk?
Nee, eigenlijk niet. Zoals Mons schrijft: 'Als ik mijn cursisten simpel moet uitleggen wat het verschil is, zeg ik altijd: een reden veronderstelt menselijk handelen of oordelen, dingen hebben een oorzaak.' Kijk met die wetenschap eens naar de zin in het voorbeeld hierboven en het is simpel, toch?

Ter aanvulling daarop
Iets komt doordat het een oorzaak heeft; iets komt nooit omdat het een oorzaak heeft. Dat voegwoord reserveren we voor een reden en het werkwoord zijn. Bovenstaand voorbeeld had ook als volgt kunnen worden geformuleerd: 'Dat het tot nu toe is mislukt, komt doordat in Nederland de traditionele rolverdeling nog altijd hoog in het vaandel staat.' Ook dan hadden we de oorzaak te pakken.

Pijnlijk verschil tussen tenminste en ten minste

Wie
Monique Middeldorp uit Huizen.

Wat
Een simpele kwestie, dat mag óók wel eens. Uit de krant van dinsdag 25 april.

De lezer
'Ik weet als geen ander dat spelfouten kunnen voorkomen in een tekst, ook al is deze grondig gecontroleerd (ben al 35 jaar werkzaam als vertaalster). Maar ik heb toch een verzoekje. Kunnen jullie beter letten op de spelling van tenminste/ten minste? 'Tenminste' betekent 'althans' en 'in ieder geval', terwijl 'ten minste' 'minstens' betekent. Wanneer er in een zin 'tenminste' wordt gebruikt in plaats van 'ten minste' verandert ook de betekenis van de zin en dat kan toch niet de bedoeling zijn?'

Heeft de lezer een punt?
Ja, een pijnlijk punt zelfs, lees bovenstaande zin maar. Die kun je strikt genomen nu alleen maar zó lezen: hè hè, er zijn in elk geval vijftien doden. Het Stijlboek van de Volkskrant bevat een lange opsomming van deze en soortgelijke woorden, die met of zonder spatie iets anders betekenen (teveel, tenslotte, tekort, nietwaar). Als iedereen die even goed in zijn hoofd stampt, dan hebben de lezers weer wat redenen minder zich te ergeren. Doen dus.

Taalregels gaan niet enkel en alleen om wat het best oogt

Wie?
Ate Flapper uit Winschoten.

Wat?
Een queeste, mogen we wel zeggen. Tot nu toe schreef Flapper ons vier e-mails over een en hetzelfde onderwerp dat hem duidelijk hoog zit. Het voorbeeld hierboven ('column Sheila Sitalsing, zij ook al!') was slechts één uit vele.

Waarover?
Flapper: 'In vele teksten, vooral in de dagbladen en zeker ook in de Volkskrant, is de laatste tijd een verschijnsel waar te nemen dat ik betitel als 'enkel-ziekte'. In veel zinnen wordt het woord 'enkel' gebruikt, terwijl het eigenlijk om 'alleen' gaat. Elke dag kom ik het wel ergens tegen. Het komt vermoedelijk voort uit onzorgvuldige spreektaal en men doet het elkaar na. Of het grammaticaal genomen juist is, weet ik niet, maar het ziet er zo onbeholpen uit. Ik pleit voor herwaardering van het goede 'alleen'.'

Heeft de lezer een punt?
Eindelijk kunnen we weer eens voluit zeggen: neen. Het bijwoord 'enkel' betekent behalve 'in niet meer dan één rij of laag' ook 'alleen, slechts'. Flapper preludeert al een beetje op dit verdict, waar hij schrijft dat het grammaticaal misschien juist is, maar dat hij het zo onbeholpen vindt ogen. Dat mag, taal is vaak een kwestie van smaak. En juist daarom kunnen we auteurs bezwaarlijk verbieden het woord 'enkel' in die betekenis te gebruiken.

Artikel zonder overbodige woorden blijft hoogst haalbare

Wat
Een herhalingsoefening vandaag. Hadden we in januari op deze plek nog zo duidelijk gezegd: geen scheppen (schepte, geschept) gebruiken als je dat andere scheppen (schiep, geschapen) bedoelt. Ging het toch weer mis in de krant van vrijdag 7 april (zie hierboven). U reageerde met velen, en terecht. Ik zou willen beloven: we doen het nooit meer. Maar ik steek mijn hand er niet voor in het vuur.

Dan
Een ander fenomeen waarop u ons wees: overbodige woorden die soms iets vreemds doen met de betekenis van de zin waarin ze staan. We hadden recentelijk al de vragenlijsten die artsen volgens deze krant 'verplicht moeten' invullen. (En ook die uitglijder stond afgelopen weekend weer in de krant, in een Magazine-artikel over kinderen en computerles: 'Net als Tolboom vindt Pijpers niet dat alle kinderen verplicht moeten leren programmeren').

De afgelopen week kwam daar deze bij. Johan Schipper las, ook al in de krant van 7 april, dat Ankara Gülen c.s. beschuldigt van 'het beramen van een mislukte staatsgreep'. Wie beraamt er nu een mislukte staatsgreep, vraagt Schipper zich af. En zouden we iets missen als we dat 'mislukte' weglaten?

Heeft de lezer een punt?
Die vraag hoeft niet beantwoord. Jaap Goes stelde nog een ander overbodig woord aan de orde: het toenemend gebruik van het woord 'kunnen' in zinnen die een proces beschrijven: 'Dat stelde hem in staat dit te kunnen doen.' Goes' verklaring: een gevolg van de wens 'zaken zo zorgvuldig en keurig geformuleerd mogelijk aan te duiden'. Daar zit beslist iets in, maar een stuk zonder overbodige woorden blijft toch nog gewoon het hoogst haalbare. Schrappen dus, die overbodige woorden.

Houd het positief, altijd een goed uitgangspunt

Wat
Een ingewikkelde kwestie: een niet ondenkbeeldige kans.

Wanneer
In de krant van 30 maart, gesignaleerd door lezer Ton ten Barge, maar het is erna beslist nog een keer opgedoken, want het komt vaak voor.

Wat gaat hier mis?
Er wordt weleens gezegd dat als journalisten met cijfers aan de gang moeten, het geheid misgaat. Hier hebben we ook een geval (eenvoudige) rekenkunde. En ook hier gaat het fout. De schrijver bedoelt: die kans is aanwezig, bestaat. Dat is het tegenovergestelde van denkbeeldig. Dat laatste woord betekent 'illusoir', onbestaanbaar. De schrijver schrijft echter: 'niet ondenkbeeldig', en dat is een dubbele ontkenning (niet en on-). En negatief maal negatief is, zo weten we uit de rekenkunde, positief: -2 x -2 = +4, oftewel: 'niet ondenkbeeldig' betekent 'denkbeeldig' en dat was juist níét wat de schrijver bedoelde.

Dus wat had hij moeten doen?
Hij had kunnen schrijven: 'niet denkbeeldig'. Dat betekent: waarschijnlijk. Nog beter was geweest: de kans bestaat.

Wat is de les?
Hou het simpel. Geen dubbele ontkenning gebruiken, zeker niet bij een woord ('denkbeeldig') dat sowieso al vaak een verkeerde betekenis krijgt toegedicht. Het gaat vaak mis met dergelijke constructies. Berucht zijn ook: niet in het minst, niets is minder waar, niet ondenkbaar. Houd het positief. Altijd een goed uitgangspunt.

Opruiming: drie volgens u veel gemaakte taalfouten

Wat
Drie dingen. Eerst de hand in eigen boezem. Schrijver dezes bezondigde zich vorige week aan West-Nederlandse spreektaal die u in de krant nog niet wenst aan te treffen: '...een komma had op zijn plaats geweest'. 'Dat is voorlopig nog geen ABN', zoals een uwer schreef. We hebben spitsroeden gelopen.

Over uitdrukkingen gesproken
Minstens zo veel post kwam binnen toen bovenstaande kop 22 maart in de krant stond. 'Bakzeil halen is terugkrabbelen', aldus een van de schrijvers. 'John de Mol leed een nederlaag, maar over terugkrabbelen las ik niets.' Klopt. Uitdrukkingen en gezegden verhaspelen: taalgebruikers doen niet anders. En journalisten zijn taalgebruikers. We kunnen er afleveringen mee vullen. Doen we zeker nog eens.

En het derde?
Dat was een lezer die, zoals veel lezers doen, vindt dat we ons bezondigen aan een 'vermoeiend verschijnsel': het onnodig gebruik van Engelse woorden. In dit geval ging het om 'crash', meer in het bijzonder 'crashen'. De lezer had liever 'botsen' gezien. Zou deze lezer zich ook storen aan de woorden 'computer'en 'bumper'? Ook die stammen uit het Engels en staan, net als 'crash(en)' gewoon in Van Dale. En er komt nog iets bij: crashen is 'spectaculair botsen'. Dus er is ook nog een betekenisverschil tussen botsen en crashen. Het is niet alles Engels, wat Engels klinkt, om nog eens een gezegde te verhaspelen.

'Verplicht moeten' komt voort uit behoefte duidelijk te zijn

Wie?
Pieter Markus uit Geldrop.

Wanneer?
De krant van maandag 20 maart.

Wat?
'Daar is-ie weer', schrijft Markus, 'nu als eerste zin in de krant van vandaag.' En hij vervolgt in een stijl die aan duidelijkheid weinig te wensen overlaat: 'De contaminatie van moeten en verplicht.'

Heeft de lezer een punt?
Tja. Markus doelt op een tautologie danwel het verwante pleonasme: meer woorden gebruiken dan nodig is. Zoals hij schrijft, had een van de twee volstaan: 'De vragenlijsten die artsen sinds een paar jaar verplicht zijn te gebruiken' of 'De vragenlijsten die artsen sinds een paar jaar moeten gebruiken'. Tautologie en pleonasme zijn vaak gebruikte stijlfiguren. En niet altijd verkeerd. Ze komen voort uit de behoefte duidelijk te zijn; wat je wilt zeggen te versterken. Een aantal groeit stilaan uit tot geaccepteerd en correct taalgebruik: open en bloot, nooit ofte nimmer, naar elders vertrekken.

Hoe roeien we het uit?
Dat is niet nodig. Als zo'n constructie als 'verplicht moeten' veel gebruikt wordt, voldoet ze blijkbaar aan een behoefte en wordt ze door veel mensen niet als storend ervaren. Na verloop van tijd zou ze zelfs als correct gevoeld kunnen worden. Maar als altijd neemt de Volkskrant in dit soort zaken niet het voortouw. Als het goed is, komt u haar bij ons voorlopig dus niet meer tegen.

'Een-na-laatste' als fout is slechts een hersenspinsel

Wie?
Frans van Oosterhout uit Nijkerk.

Wat?
De (op) een na laatste.

Wanneer?
Ons archief leert: ongeveer één keer per maand in de krant. De laatste keer was zaterdag 4 maart.

Wat is het probleem?
Elke keer dat het in de krant verschijnt, is er wel een lezer die mailt dat de een-na-laatste niet bestaat, want, aldus Van Oosterhout, 'de laatste is tenslotte de laatste, waarna er nooit nog één kan volgen'.

Wat moet het dan zijn? De mailers denken of beweren dat alleen het gebruik van de uitdrukking 'op een na laatste' correct is.

Hebben de lezers een punt?
Hoe logisch en grappig de redenering ook klinkt, de een-na-laatste (let op: wel met streepjes) is gewoon correct. Het zijn vaker voorkomende hersenspinsels ('sushi heeft geen meervoud, want het ís al meervoud') die zich nestelen in het hoofd van taalgebruikers, maar 'een-na-laatste' is niets anders dan de verkorte vorm van 'op een na laatste' en als zodanig staat het bijvoeglijk naamwoord keurig in de Van Dale. Met trouwens nog een synoniem erbij dat beslist geen terechtwijzende mails veroorzaakt: voorlaatste. Heerlijk woord.

Redacteuren moeten zich niet bezondigen aan spreektaal

Wie?
Onze vaste volger Arnout Manger uit Monnickendam.

Waarover dit keer?
'Het verloren gaan van het juiste verband tussen het verwijswoord en de referent.'

Uh?
Ik ontmoette gisteren een meisje en die vertelde mij...

Wat is het probleem?
Dat veel mensen dit tegenwoordig zeggen en in toenemende mate ook schrijven: het meisje die. Manger gaf in twee mails nog een paar voorbeelden: '...en doen het deksel toe. Die valt in een slot...', 'een allesvernietigend inflatiespook, zoals Venezuela of Zimbabwe die kennen'. Allemaal fout.

Heeft de lezer een punt?
Ja. Manger vraagt zich af waar dit vandaan komt. Naar alle waarschijnlijkheid heeft het te maken met het afnemende besef van het geslacht van zelfstandige naamwoorden. Volgens Van Dale zijn er al veel 'de'-woorden die én mannelijk én vrouwelijk zijn en waarnaar je dus mag verwijzen met 'zijn' of 'haar'. Een volgende stap in het taalgebruik lijkt dat het geslachtsverschil tussen onzijdige en mannelijke/vrouwelijke woorden vervaagt: het kabinet en haar leden. En dan besef je dus ook niet meer dat er een verschil is tussen de betrekkelijke voornaamwoorden 'die' en 'dat'.

Dus?
Redacteuren en eindredacteuren bezondigen zich beter niet aan wat in spreektaal begint in te burgeren. Voorlopig is dat namelijk nog gewoon fout.

Is 'maar' wel op zijn plaats?

Wie
Ans van Dijk uit Anna Paulowna

Wat
Van Dijk noemt een voorbeeld uit de krant van 23 februari, maar het fenomeen waart dagelijks rond in de krant. Het gaat om het veelvuldig gebruik van het woord 'maar'.

De lezer
'Na 'maar' zou je iets van een tegenstelling verwachten, bijvoorbeeld 'maar later bakte hij er niets meer van ...'. Er staat echter iets positiefs, namelijk dat hij studenten warm wist te maken voor zijn economische theorieën. Staat het woordje 'maar' hier wel op zijn plaats?'

Zeg het maar
Het antwoord op de vraag die Van Dijk, bijna retorisch, stelt, lijkt simpel: nee. Helaas is het in ons taalgebruik niet zo simpel. Vaak bevat (het gebruik van het woord) 'maar' een grote hoeveelheid extra informatie boven op de twee zinnen die het verbindt. In onderhavig geval: Kenneth Arrow werkte in de top van de wetenschap en won daar een Nobelpijs. Tegelijk gaf hij ook les en werkte hij dus aan de basis van de wetenschap, waar hij bovendien studenten wist te enthousiasmeren. Die extra informatie zit vervat in het woordje 'maar'. Zou er op die plek 'en' staan, dan ontbreekt die extra informatie. Soms betekent 'maar' meer dan 'maar' alleen. Wel heeft Van Dijk gelijk dat het woord te vaak te onpas gebruikt wordt als een gemakzuchtige manier om twee zinnen te verbinden. Zoals vaak in intro's, ook in deze krant, die eindigen met de vraag 'maar is dat wel zo?' Dan is 'maar', zoals vaker, eigenlijk overbodig.

Dus?
Net als 'heel' is 'maar' vaak een glijmiddelwoord dat, ook voor de duidelijkheid, beter kan worden weggelaten. Maar soms ook niet.

Betrokkenheid is hartverwarmend, maar soms een beetje gezeur

Wie?
Ruud Paauw

Wat?
'Met uw welnemen wil ik het hebben over het woord talloos, dat nogal gemakkelijk wordt gebruikt. In de Volkskrant kom ik het ook vaak tegen. Ik had vroeger een leraar Nederlands die zich ergerde aan de manier waarop we met dat woord omgingen. Talloos mocht je in zijn ogen maar beperkt gebruiken, omdat het meestal om zaken ging die best in aantal te bepalen zijn. Dus moet dan het woord talrijk worden gebruikt. Talloos, zo hoor ik hem nog zeggen, zijn alleen de zandkorrels op het strand.'

Heeft de lezer een punt?
Talloos betekent inderdaad ontelbaar. De containers uit bovenstaand voorbeeld, uit de krant van 22 februari, zouden strikt genomen wel geteld kunnen worden. Maar 'talloos' mag tegenwoordig ook best gebruikt worden als synoniem voor 'zeer veel'. Het antwoord op Paauws vraag: 'Had mijn vroegere leraar gelijk of is het eigenlijk een beetje gezeur?', luidt dan ook: dat laatste.

Maar dergelijk taalpurisme is wel een grappige eigenschap van Volkskrantlezers. Tom van Schendel uit Rosmalen bijvoorbeeld, stuurde een alleraardigste mail waarin hij zijn zorgen uit over het toenemend gebruik van woorden als beloftevol, risicovol en talentvol. Hij ziet liever veelbelovend, riskant en getalenteerd. Volgens Van Dale zijn het prima synoniemen. Van Schendel erkent dat taal dynamisch is, maar betreurt het 'afvlakken' van 'al lang bestaande en mooie woorden'. Dat moeten we inderdaad voorkomen, maar het gebruik van synoniemen juicht de Volkskranttaalpolitie toe.

Conclusie?
De betrokkenheid van onze lezers is hartverwarmend, maar je kúnt te streng zijn.

Internetpublicaties zijn snel, maar daardoor niet foutloos

Wie
Rob de Waal Malefijt uit Haarlem, en velen met hem.

Wat
De avondnieuwsbrief van 12 februari. De Waal: 'Misschien kunt u de betrokken opsteller van de gewraakte tekst eens uitleggen hoe het werkwoord 'afgelasten' dient te worden vervoegd? En dan ook uitleggen waarom het niet 'afzegden' maar 'afzegde' moet zijn?'

Heeft de lezer een punt?
Ja hoor. We hebben er in het verleden in onze interne taalmemo ook al eens aandacht besteed, want het is een veel gemaakte fout: aflassen in plaats van afgelasten. Zo veel zelfs dat Van Dale het als synoniem voor afgelasten inmiddels heeft opgenomen. Nog wel met de aanduiding 'niet algemeen'.

En verder?
De Waal struikelde terecht over de persoonsvorm van de zin. In de constructie 'zowel als' moet de persoonsvorm enkelvoud zijn als na zowel én als een enkelvoudig onderwerp volgt. En dat was hier het geval.

Anders nog iets?
Er stond nog iets in de gewraakte zin, wat opvallend genoeg door geen enkele e-mailer werd gemeld: na het voegwoord 'nadat' volgt in het Nederlands een werkwoord in de voltooid verleden of voltooid tegenwoordige tijd, wat logisch is, omdat 'nadat' aangeeft dat iets gebeurd is, achter de rug, en niet nog bezig. In dat laatste geval kun je beter 'toen' gebruiken.

Dus?
Nadat zowel Geert Wilders als Mark Rutte had afgezegd voor het RTL-premiersdebat, besloot de omroep het complete debat af te gelasten.

Gaat het nu voortaan goed?
Veel klachten over ons taalgebruik hebben betrekking op onze internetpublicaties. Die zijn sneller zichtbaar voor lezers en gaan langs minder ogen dan onze krantenpagina's. Het te grote aantal fouten heeft de krant doen besluiten een interneteindredacteur aan te stellen. Op dit moment alleen nog overdag, maar er zijn plannen dat uit te breiden.

Hoe ver gaat de krant qua modieuze genderneutraliteit?

Wie
René de Cocq uit Apeldoorn.

Wat
'Ergens in de Volkskrant lees ik over een vrouw die viool speelt, en ze wordt 'violist' genoemd. Ik zie op een economiepagina een vrouw op een foto, ergens in een fabriekswerkplaats, en ze heet in het bijschrift 'medewerker'. In het sportkatern gaat het over een vrouw die schaatst, en haar vak is 'schaatser'. En in Sir Edmund gaat het over de 'dichter en schrijver' Bette Westera. Er staat een fotootje bij: een vrouw. Hoe ver gaat de krant in de toekomst met deze gekkigheid, qua modieuze genderneutraliteit? Tot we kunnen lezen over koning Máxima?'

Wat is hier aan de hand
Iets waarover deze rubriek afgelopen december ook al schreef. De Cocq heeft goed gezien dat de Volkskrant sekseneutraal probeert te schrijven. Door één vorm te gebruiken, willen we bewerkstelligen dat de lezer niet automatisch aan een man of een vrouw denkt. We doen dat sinds enige tijd bewuster dan voorheen. Al zal er gerust hier en daar nog een fotografe (zoals hierboven) doorglippen. Tot koning Máxima zal het niet gauw komen, omdat we bovendien het potsierlijkheidscriterium hanteren: als de sekseneutrale vorm nog te radicaal oogt, wachten we nog even. Een actrice blijft nog wel even een actrice. Een schrijfster is al een grensgeval. En Máxima blijft gewoon koningin.

En hoe had De Cocq gewild dat we vrouwelijke ministers, huisartsen en wiskundigen hadden genoemd? Er is een willekeurig aantal beroepen dat een vrouwelijke vorm kent en een groot aantal dat die niet heeft. Waarom zouden we dat niet voor eens en altijd zo veel mogelijk gelijktrekken?

Dus?
Het zal bij de ene lezer meer tijd vergen dan bij de andere, maar onze ervaring is dat het snel went. Even doorbijten, René de Cocq.

Je bent iets kwijt, maar iets kan niet kwijt zijn

Wanneer
De krant van dinsdag 31 januari.

Wie
Niet eerder sinds deze rubriek bestaat, kregen we zo veel opgewonden post over een en dezelfde kwestie, die niet alleen in een stuk voorkwam, maar ook door de dienstdoende eindredacteur tot kop was gepromoveerd.

Welke kwestie?
Het diploma van een oud-journalist dat onvindbaar was. Ronald Boot, oud-eindredacteur NOS-Journaal, schrijft: 'Je bent iets kwijt, maar iets kan niet kwijt zijn. Je hoort het wel steeds vaker, maar daarmee is het nog niet goed.'

Hebben de lezers een punt?
Ja. Het is precies zoals lezer Boot schrijft, ook al geeft Van Dale in zijn laatste, vijfde betekenis van dit predicatief bijvoeglijke naamwoord ('verloren hebbend, zo dat men niet meer weet waar het object zich bevindt') als laatste voorbeeld: ''t is kwijt', en de betekenis: 'weg, zoek'.

Wat is de les?
In de ogen van haar lezers kan de Volkskrant beter niet voor de troepen uit lopen waar het het taalgebruik betreft. En behalve dat het gegeven 'journalist, opleiding en diploma' koren op de molen was van cynische lezers, ging er nóg iets mis in het stuk, merkte Boot op: 'Verderop in het stuk: 'Het gevolg is (...) dat niet alleen diplomagegevens (...) missen, maar...' Meestal een fout die je ziet bij uit het Engels vertaalde stukken. Ook hier geldt: je kunt iets missen, maar iets kan niet missen (ja, toch: een pijl kan zijn doel missen).'

Dank, lezers, wij zwijgen in ootmoed.

Opzouten: stilaan een Ruttiaans begrip geworden

Wie?
Nogmaals Arnout Manger uit Monnickendam.

Wanneer?
De krant van woensdag 25 januari.

Wat?
'Leuk dat u vorige week mijn opmerking over schepte en schiep even in de krant hebt behandeld. Nog leuker had ik het gevonden indien het merkwaardige gebruik van opzouten was aangestipt.'

Wat is daarmee?
Manger schreef ons er eerder over. Het is stilaan een Ruttiaans begrip geworden dat 'wegwezen' betekent. Alleen: dat betekent het (nog) niet. Van Dale geeft vooralsnog slechts twee betekenissen aan opzouten: 'in het zout leggen' en 'laten liggen, voorlopig niet gebruiken'. Maar hoe gaat dat met taal? Zoals Manger schrijft: 'Sterker dan weggaan of wegwezen, maar minder grof dan oprotten. Blijkbaar voorziet het gebruik van opzouten in een behoefte en is het onomkeerbaar.'

Dus?
Hoewel ons de betekenis 'wegwezen' voor de hand liggend en zelfs bekend voorkomt, kan de Volkskrant voor alle duidelijkheid en eenduidigheid beter niet voor de troepen uit lopen en zich houden aan de betekenissen die Van Dale geeft.

De lezer heeft een punt?
Daar kan in dit geval een volmondig ja op volgen.

Sterke en zwakke werkwoorden blijven moeilijk

Wie
Een lezer die ons nauwgezet volgt en geregeld op de vingers tikt: Arnout Manger uit Monnickendam.

Wat
De krant van zaterdag 14 januari.

Wat gaat hier mis?
Manger: 'In Vonk van 14 januari schrijft Peter Middendorp: Een vriend schiep er een genoegen in...' Schiep lijkt niet onlogisch, maar hoe klinkt het als iemand zou schrijven: hij heeft er plezier in geschapen?'

Heeft de lezer een punt?
Ja. Het gaat vaker mis met het vervoegen van werkwoorden. Heeft allemaal te maken met het bestaan van zwakke en sterke werkwoorden. Fietsen, fietste, gefietst en lopen, liep, gelopen. Precies, dat. Wat zich in onderhavig geval wreekt, is dat twee in vorm dezelfde werkwoorden verward worden: scheppen en scheppen. Het ene zwak, het andere sterk. Scheppen, schepte, geschept (met een lepel of schep). Scheppen, schiep, geschapen (wat God en kunstenaars doen). Kortom, de vergissing is meer dan menselijk. Maar fout is het, daarin heeft Manger gelijk.

In het algemeen neigt ons taalgebruik ertoe sterke werkwoorden in de loop der tijd zwak te maken: waaien, waaide, gewaaid wordt inmiddels niet meer als fout ervaren. Woei geldt dan als ouderwets en iets chiquer. In dit geval, zou je kunnen stellen, wint de behoefte de chiquere vorm te gebruiken het van het besef dat het iets anders betekent.

Dus?
Voortaan doen zoals Manger onder veel van zijn mails schrijft: 'Zie ook de woordenboeken.' Al heeft hij dit keer troostende woorden: 'Ook sommige schrijvers doen dit fout; Leon de Winter schrijft schiep (fout); Hella Haasse schrijft schepte (goed).'

Een moord pleeg je, euthanasie verleen je

Wie?
Onafhankelijk van elkaar de lezers Wim Vrouenraets en Liesbeth Zuiderveld.

Wat?
De krant van 6 januari.

Waarover
Zuiderveld: 'Pleegt' associeer ik met een moord, terwijl euthaniseren een goed, minder beladen werkwoord is.'

En Vrouenraets: 'Zou u in het vervolg euthanasie plegen willen veranderen in euthanasie toepassen of verlenen? De connotatie met een moord plegen is namelijk heel vervelend.'

Hebben de lezers een punt?
Zeker. Zelfmoord plegen, euthanasie plegen: lange tijd golden die verbindingen als vanzelfsprekend, maar we bevinden ons in een tijdperk waarin, zeker op het gebied van taalgebruik, nog maar weinig vanzelfsprekend is. Bovendien dateren de verbindingen uit een tijd dat in de maatschappij anders werd aangekeken tegen zelfmoord en euthanasie. Dat beseft ook Vrouenraets, die schrijft: 'Het Reformatorisch Dagblad zal waarschijnlijk volharden in het plegen van euthanasie.'

Dus?
We gaan dit gebruik proberen uit te bannen. In de kop uit bovengenoemde krant had 'pleegt' eenvoudig vervangen kunnen worden; ruimtegebrek, een vaak voorkomend en terecht gebruikt verweer, speelt hier bovendien geen rol. En wat betreft dat Reformatorisch Dagblad: Vrouenraets stuurde kort na zijn eerste mail een tweede. 'Net lees ik in het RD: 'Artsen blijven terughoudend met het toepassen van euthanasie bij ernstig dementerenden.'

Wat is het verschil tussen 'met name' en 'vooral'?

Wie?
Reinen Dercksen.

Wanneer?
'Elke dag wel tien keer'; het voorbeeld komt uit de krant van 23 december.

Wat is het probleem?
Derksen: 'Het gebruik van 'met name' is hier potsierlijk. Uit hoeveel partijen bestaat het Congres? Afgezien van twee onafhankelijke senatoren in de Senaat enkel uit Republikeinen en Democraten.'Met name' legt een te zware en overbodige nadruk op neutrale informatie. Met name journalisten hebben last van deze irritante gewoonte.'

Heeft de lezer een punt?
Nee en ja. Dercksen had in plaats van 'met name' liever 'vooral' gezien. Dat nu is een verouderd standpunt. De website van Onze Taal zegt hierover wat de Volkskrant ook vindt: voorheen mocht 'met name' alleen gebruikt worden in zinnen als: 'Het hele bedrijf heeft hard gewerkt, met name de afdelingen Voorlichting en Acquisitie' en 'De minister kreeg veel kritiek, met name van Pechtold en Gesthuizen.' Na met name moesten er dus echt namen worden genoemd. Tegenwoordig hebben de meeste taalgebruikers geen moeite met 'met name' in de betekenis 'vooral'.

En waarom ook ja?
Het is in de voorbeeldzin een overbodige toevoeging. Het legt, zoals Dercksen schrijft, nadruk op neutrale informatie en dat is hier niet nodig.

Sekseneutraal schrijven gaat nog heel vaak mis in de krant

Wie
Johan Schipper uit Coevorden.

Wat
Iets wat in bijna elk stuk voorkomt; Schipper noemde bovenstaand voorbeeld uit de krant van 26 november. Hij schrijft: 'Sekseneutraal schrijven is lastig. (...) Ik ben er niet uit. Misschien weet iemand anders het.'

Welaan
De Volkskrant probeert inderdaad sekseneutraal te schrijven. In het kader daarvan is besloten bij bijvoorbeeld beroepsaanduidingen niet langer een aparte vrouwelijke vorm te gebruiken. Geen directrice, geen voorzitster, geen kunstenares. De bedoeling ervan is simpel: door slechts één vorm te gebruiken willen we bewerkstelligen dat de lezer niet automatisch aan een man of een vrouw denkt. Dat zal even duren, maar werkt uiteindelijk wel, is onze overtuiging. Nu mag voorzitter misschien nog niet sekse-neutraal klinken, als we dat woord consequent blijven gebruiken voor vrouwen én mannen, zal het dat uiteindelijk wel zijn. Er zíjn tenslotte al genoeg woorden die maar één vorm kennen. Angela Merkel is premier, net als Mark Rutte.

En het voorbeeld van Schipper dan?
Daar ging het inderdaad deels mis. De zwemster had natuurlijk een zwemmer moeten zijn. En zo gaat het nog heel vaak mis in de krant. Zoals gezegd: het zal even duren.

Maar hoe weten we of het een man of een vrouw betreft?
Dat blijkt in 99 van 100 gevallen uit de rest van de tekst. En misschien is het in veel gevallen ook juist wel helemaal niet relevant. Dat is nu de crux van ons voornemen; de vanzelfsprekendheid te denken dat een voorzitter een man is, moet verdwijnen.

Zijn er geen uitzonderingen?
Natuurlijk. Het gaat over de Nederlandse taal tenslotte. Zo hanteren we aanvullend op de nieuwe Volkskrantregel het potsierlijkheidscriterium: als de sekseneutrale vorm nog te radicaal (potsierlijk) oogt, wachten we nog even. Een actrice blijft nog wel even een actrice. Lekker pragmatisch; dat is niet verboden. Het lastige van dit criterium is natuurlijk wel dat het deels subjectief is. Zo wordt een schrijfster door de een als een grensgeval ervaren, terwijl de ander hier nog onverkort met het potsierlijkheidscriterium in de hand aan vasthoudt.

Omdat is redengevend en oorzaakaanduidend

Wie
Fieteke de Kruijf uit Zwolle.

Wanneer
De krant van 8 december.

Wat
De Kruijf vraagt zich af of 'de Volkskrant misschien het juiste voorbeeld kan gaan geven' in het correct gebruiken van de voegwoorden omdat en doordat. Ze constateert een afname in het gebruik van doordat. En bovendien gingen we op deze plek zelf in de fout, volgens De Kruijf: 'In het stukje 'Spitsroede' had het gebruikt moeten worden volgens mij. U schrijft: 'Die betekenis is er in de loop der tijd gekomen, omdat een meerderheid...' In deze zin moet doordat staan in plaats van omdat.'

Heeft de lezer een punt?
Gedeeltelijk. Ze stelt dat omdat gebruikt moet worden als er een reden gegeven wordt. Is er sprake van een oorzaak, dan moet je doordat gebruiken.

Dat is een vaker gehoorde redenering van mensen die betreuren dat omdat en doordat door elkaar heen worden gebruikt. Vroeger gold inderdaad het strenge door De Kruijf beschreven onderscheid. Maar in 1997 schreef de Algemene Nederlandse Spraakkunst, de gezaghebbende bron voor dit soort taalkwesties: 'Omdat is redengevend en oorzaakaanduidend; doordat kan niet gebruikt worden voor zinnen die duidelijk redengevend zijn.' Dat is geen dwaze nuancering. Kijk maar naar de zin: 'De wedstrijd kon niet doorgaan, omdat de scheidsrechter onwel was geworden.' Daar is sprake van een oorzaak. Toch voelt het hier vreemd doordat te gebruiken.

In het door De Kruijff genoemde voorbeeld overigens, waar omdat strikt genomen niet fout is, had inderdaad beter doordat kunnen staan.

Is u een taalfout opgevallen in onze krant? Mail hem, met vermelding van de vindplaats, naar taal@volkskrant.nl.

Zelfs éminence grise is aan verandering onderhevig

Wie
Jan Stevers uit Leiderdorp.

Wanneer
De krant van 3 december.

Wat
'Het gaat over de term 'éminence grise'. Dat betekent niet, ik herhaal NIET, eerbiedwaardige grijsaard, maar: stille, onopvallende adviseur. Dit als aanduiding van de geestelijke Père Joseph, die achter de schermen invloed uitoefende aan het hof van Lodewijk XIII - in tegenstelling tot de rode kardinaal De Richelieu, die dat in de schijnwerpers deed.'

Heeft de lezer een punt?
Niet echt. Stevers beschrijft hier de eerste betekenis, maar het woordenboek kent inmiddels een tweede, namelijk: 'Oudere man of vrouw die als onbetwiste leider op een gebied wordt beschouwd.' In die betekenis is de term hier gebruikt.

Die betekenis is er in de loop der tijd gekomen, omdat een meerderheid van taalgebruikers dat woord zo is gaan gebruiken. Opvallend genoeg is Stevers zich daarvan bewust, maar niet overtuigd: 'In de 15de druk staat een onjuiste tweede betekenis.'

Wat leren we ervan?
Het gebeurt vaker dat woorden of uitdrukkingen er een betekenis bij krijgen, omdat taalgebruikers ze in die betekenis zijn gaan gebruiken. Zoals de uitdrukking 'spitsroeden lopen'. Ooit betekende die: openlijk een vernedering ondergaan. Maar meestal werd ze gebruikt als: zeer behoedzaam te werk gaan. Blijkbaar vinden taalgebruikers dat een logischere betekenis, ook al is die ver verwijderd van de spitsroede. Inmiddels staat die tweede ook in de Van Dale.

Dit gegeven kan sommige lezers maar matig bekoren. Zo schreef een van hen: 'Van een onafhankelijke kwaliteitskrant verwacht ik in dit soort zaken toch een eigen mening, niet het slaafs volgen van een dubieuze autoriteit als de Van Dale.' Het ter discussie stellen van voorheen onbetwistbaar gezag, dat zien we dezer dagen vaker.

Wanneer gebruik je 'invloed' en wanneer 'impact'?

Wie?
Jef Costenoble uit Oisterwijk

Wanneer ?
Bijna elke dag, bijvoorbeeld in de krant van 24 november, zie hierboven.

Waar struikelt hij over?
'Ik vervang systematisch het woord 'impact' door 'invloed'. Het blijft hetzelfde. Waarom vermijden wij stiekem het woord 'invloed'? Rust daar een vloek op?'

Heeft de lezer een punt?
Nee en ja. 'Impact' staat in de Nederlandse Van Dale en betekent 'kracht die van iets uitgaat'. Als synoniemen worden genoemd 'invloed, inwerking, draagwijdte'. Niks mis mee dus. Tenzij je vindt dat 'garage' ook geen goed Nederlands woord is, omdat het uit het Frans stamt en je beter 'autostalling' kunt gebruiken.

En de ja?
Het woord is nog betrekkelijk vers als Nederlands woord. In het Engels bestaat het al langer en betekent het net iets anders en meer: 'botsing, inslag, (aan)stoot, schokeffect, schokkracht, (krachtige) invloed/inwerking'. Wat een lezer zich ongemakkelijk kan doen voelen bij het gebruik van 'impact' is dat hij uit de context niet duidelijk kan opmaken welke betekenis de schrijver bedoelt, mede omdat hij de Engelse betekenis nog meeweegt. Het woord wordt dan een zogeheten containerbegrip, het ontbeert een scherp afgebakende betekenis. Wordt in bovenstaande 'invloed' of 'schok-effect' bedoeld? Dat blijft onduidelijk. Dus had de schrijver hier, zoals vaker het geval is, beter een al langer bestaand Nederlands woord kunnen gebruiken dat voor veel taalgebruikers duidelijker is.

Pijnlijk, een aanhalingsteken in plaats van een apostrof

Wie
Willy Baak uit Nijmegen

Wanneer
De krant van alweer een tijdje terug, maar het komt vaker voor.

Waarover struikelde hij?
Baak: 'Pijnlijk, weer een beginaanhalingsteken te zien waar een apostrof op z'n plaats is.'

Hoe zit dat?
Je ziet de mededeling geregeld terug in de krant na klachten van lezers: ons redactiesysteem vertoont wat mankementen. In een ervan staat ons systeem niet alleen, want gebruikers van bijvoorbeeld MS Word kennen het ook: je slaat de toets aan voor een apostrof en je krijgt een beginaanhalingsteken. Komt doordat de apostrof hetzelfde teken is en doordat de software zelf denkt - hé, hier begint een citaat - maar niet slim genoeg is.

Waarom gaat het fout?
Je moet in onderhavig geval eerst twee keer de toets beroeren, waarna twee aanhalingstekens verschijnen. Vervolgens moet je het beginaanhalingsteken verwijderen. In de haast gaat dat weleens mis.

Niet te geloven
U zegt het.

Uit de doos denken

Wie
Erik Verhoeven uit Overloon.

Wanneer
De krant van 9 november.

Waarover struikelt de lezer?
'Het gebruik van Engelse termen is op zich niet bezwaarlijk. Wel is het jammer als het verkeerd gebeurt. Max Pam heeft het in zijn, overigens aardige, column over 'out of the box denken'. Tenzij hij in een doos zat en daar 'uit' zat te denken, had hij moeten schrijven: 'outside of the box denken', buiten het bestaande kader in plaats van uit een doos. Helaas een veel gemaakte fout die er m.i. in een kwaliteitskrant als de Volkskrant niet doorheen had mogen glippen.'

Heeft hij een punt?
Nee. In de Engels-Nederlandse Van Dale luidt de uitdrukking weliswaar 'think outside the box' (wel zonder 'of' dus), maar in het Groot woordenboek van de Nederlandse taal van Van Dale staat de uitdrukking 'out of the box denken' vermeld. Sommige internetbronnen (onder andere encyclo.nl) keuren 'out of the box' weliswaar af, maar Van Dale geldt voor de Volkskrant vooralsnog als doorslaggevende bron. Blijkbaar, want zo redeneert Van Dale doorgaans, ervaren de meeste taalgebruikers de uitdrukking in deze vorm als de juiste.

Overigens vindt de Volkskrant dat waar een goed Nederlands equivalent voorhanden is, dat hoe dan ook de voorkeur verdient, zeker als het Engelstalige begrip minder duidelijk of minder eenduidig is.

Dus?
Ook al is dat laatste bij 'out of the box' niet het geval, 'buiten de bestaande kaders' of 'buiten de gebaande paden' was een beter alternatief geweest.