Rotterdam

Wim (82) ‘schrókte’ het eten van de Canadees op, maar dat kwam hem duur te staan

Wim van den Bergh. Beeld: Rebecca Fertinel

Na een lange periode van honger, kreeg Wim van den Bergh (82) tijdens de bevrijding voor het eerst vast voedsel van een Canadees. ‘En nog geen drie minuten later spuugde ik de hele rotzooi weer uit op straat. Ik voelde me meteen dood- en doodziek’. 

Deel dit verhaal

Op 8 mei 1945 werd Rotterdam bevrijd. Wim van den Bergh (82), toen 7 jaar oud, zag de Canadezen de Maasstad in trekken. De bevrijding betekende ook het einde van de Hongerwinter. Maar na zo’n lange periode van honger viel het eten van de bevrijder, hoe welkom ook, niet altijd even goed.

‘Ik woonde in de Samuel Mullerstraat, in het centrum van Rotterdam. Ik zag een hele rij militaire voertuigen voorbijkomen. Ik wist niet wat voor soldaten het waren, Duitsers of andere. Een man liep naar mij toe en zei: ‘Het zijn de Canadezen!’ Ze waren onderweg naar de Heemraadsingel en zetten daar een tentenkamp op.

‘Ik woonde bij mijn oom en tante. Mijn moeder was overleden toen ik 3 was en mijn vader was schipper op de Rijn. Ik kwam in een weeshuis terecht. Daar was ik zo ongelukkig dat mijn oom en tante me meenamen toen ze op bezoek kwamen. Mijn vader heb ik de hele oorlog niet gezien.

‘Ik rende dus naar huis en vertelde mijn tante dat ik naar de Heemraadsingel wilde, om de Canadezen te zien. ‘Er zijn militairen, een hele stoet voertuigen’, zei ik. Ik mocht gaan. Het was kort na de Hongerwinter. Mijn oom had hongeroedeem (vochtophoping waardoor de buik opzet, als gevolg van langdurige honger, red.), hij kwam zijn bed niet meer uit.

Een collage aan de muur bij Wim van den Bergh, met de krantenkop: ‘DUITSCHLAND CAPITULEERT’. Beeld: Rebecca Fertinel

Heerlijke geur

‘Zelf was ik ook aan het eind van mijn Latijn – ik moet eruit hebben gezien als een geraamte. Bij de Heemraadsingel ging ik op de stoep zitten en keek ik wat er aan de hand was. Het was een drukte van belang.

‘Op een gegeven moment kwam er een soldaat naar me toe. Hij streek me over mijn haar en zei wat tegen me – in het Engels, dus dat kon ik niet verstaan. Hij trok me omhoog, nam me mee en zette me even verderop weer neer. Hij gebaarde dat ik moest blijven zitten.

‘Even later kwam hij terug uit een van de tenten met een potje waar spiritus in zat, een blikje, een pannetje water en een lepel. Nadat hij het had klaargemaakt, pakte hij een blikopener, maakte het blik open en toen, die geur… Heerlijk! Ik kan de geur nóg terughalen. Het was een soort stamppot, met vlees, maar wat het precies was, weet ik nog steeds niet. Nou, ik schrókte het op.

‘En nog geen drie minuten later spuugde ik de hele rotzooi weer uit op straat. Ik voelde me meteen dood- en doodziek. De soldaat schrok. Hij pakte me met twee armen op, bracht me naar een veldhospitaal en legde me op een bed. Ik herinner me een man met een witte jas die een lichtje in mijn ogen scheen en me wat water gaf. Vervolgens begon hij een heel verhaal tegen de soldaat die me hierheen had gebracht. In het Engels natuurlijk, ik verstond het niet. Waarschijnlijk heeft hij iets gezegd als: jongen, deze kinderen mogen helemaal geen eten hebben, ze zijn geen vast voedsel gewend! Daar zijn ze nog niet aan toe.

‘Hij voelde zich schuldig. Hij nam me mee naar een andere tent en gaf me toen deze kaart, een ansichtkaart met bezienswaardigheden in Boston. Die kaart had hij gekregen van zijn ouders, die daar op vakantie waren. Ik heb de kaart altijd bewaard. ‘Paul’ staat erop, zo heette hij. Daarna gaf hij me deze pukkel (legertas, red.). Daar deed hij sigaretten en snoep in. Ook die heb ik mijn leven lang bewaard.

De ansichtkaart uit Boston, waar de ouders van soldaat Paul op vakantie waren. Beeld: Rebecca Fertinel

‘Ik denk dat hij ervan baalde dat zijn maaltijd voor mij zo verkeerd had uitgepakt. Hij zag natuurlijk gewoon een uitgehongerde jongen die hij wilde helpen. Ik ben hem natuurlijk dankbaar dat hij me probeerde eten te geven, maar ik weet niet meer of ik dat heb laten blijken. Ik denk dat ik snel ‘dankjewel’ heb gezegd en toen doodziek naar huis ben gestrompeld en in bed ben gaan liggen.

‘Ik heb via de adresgegevens op de kaart nog geprobeerd te achterhalen waar zijn familie nu woont, om de kaart terug te sturen. Misschien dat zijn kinderen of kleinkinderen dat op prijs stellen. En ik heb vorig najaar een brief gestuurd naar de Canadese ambassade, maar nog zonder resultaat.

‘Op de dag van de bevrijding was ik dus dood- en doodziek. Een dag later ben ik wel nog naar de Coolsingel geweest, in die dagen had je de bevrijdingsfeesten. We hadden verwacht dat we snel bevrijd zouden worden, nadat het zuiden bevrijd was. Maar het ergste moest toen nog komen. De honger was vreselijk.’

De pukkel die Wim van de soldaat kreeg. Beeld: Rebecca Fertinel

Deel dit verhaal