Delfzijl

Willie (88) zat midden in de laatste gevechten in Nederland. ‘De hele schuilkelder schudde’

Willie Brouwers woont nog altijd in Delfzijl. Foto: Raymond Rutting

Vlak voor de bevrijding van Delfzijl schudden rondom Willie Brouwers de muren van de schuilkelder. Haar vader is dan net terug uit een Duits strafkamp, waar hij zat vanwege verzetsdaden. Hoe 'Festung Delfzijl' het decor werd van de laatste grote gevechten in Nederland. 

Deel dit verhaal

‘Kijk elkaar nog maar even aan kinderen’, zei Willies vader, ‘want dit is het einde.’ 13 jaar was Willie Brouwers toen hij haar en haar oudere zus Gonda aankeek. ‘De hele schuilkelder schudde’, vertelt ze, ‘onze haren vlogen omhoog, de kammetjes vlogen eruit, we dachten echt dat het afgelopen was.’

Ze kan het 75 jaar later nog navertellen, de bom viel net ver genoeg. De ingang naar de schuilkelder was weliswaar ingestort, maar de mannen wisten die vrij te maken. Eenmaal buiten was het gevaar bepaald niet voorbij, want Willie woonde in het stukje Nederland waar tot het laatste moment volop strijd werd geleverd.

‘Om de stad Groningen was al zwaar gevochten’, zegt Frank von Hebel, journalist van het Dagblad van het Noorden en schrijver van Stemmen van de Bevrijding, een boek over de laatste oorlogsdagen in de provincie Groningen. ‘Maar de Duitsers wilden ook het strategische Delfzijl niet zomaar prijsgeven.’

De Duitsers hadden de Groningse havenplaats Delfzijl tot Festung bestempeld, die tot de laatste man moest worden verdedigd. Tientallen Canadezen kwamen om. Ook de burgerbevolking had het zwaar te verduren. De laatste gevechten van de Tweede Wereldoorlog in Nederland vonden hier plaats, hier sneuvelden ook de laatste soldaten.

Volle hevigheid

Willie Brouwers (88) maakte die strijd om Festung Delfzijl in volle hevigheid mee. Vanwege corona bellen we haar erover, bezoeken aan mensen op leeftijd proberen we zoveel mogelijk te vermijden, maar van Brouwers hadden we best langs mogen komen. ‘Ik ben niet zo panisch hoor, niet zoals Rutte.’

Ze vertelt veel over haar vader die het in én na de oorlog zwaar heeft gehad. Dat hij er in die laatste dagen voor de bevrijding bij was, was een klein wonder. Henk Brouwers, een geboren Limburger, was verbonden aan de Zeevaartschool, maar die sloot de deuren. ‘Toen vroeg de burgemeester aan hem: ‘Brouwers, bent u een goede Nederlander?’’, herinnert Willie zich. ‘Hij antwoordde natuurlijk met ja.’

Hij kreeg een baan op het distributiekantoor en moest ervoor zorgen dat onderduikers ook bonnen kregen. ‘Ik hoorde mijn vader en moeder wel vaak smoezen, maar ik wist niet precies wat er aan de hand was.’ Het ging lange tijd goed, maar aan het einde van de oorlog werd hij opgepakt, waarna hij in een strafkamp in het Noord-Duitse Wilhelmshaven belandde.

‘Hij heeft daar nooit over gepraat’, zegt Willie, ‘maar het moet er verschrikkelijk zijn geweest.’ Kon ze nog maar eens met haar vader praten, ze zegt het een paar keer in het gesprek. ‘Ik had nog veel meer aan hem willen vragen. Hij was een lieve man.’

Nauwelijks eten

Gevangenen kregen in Wilhelmshaven volgens de overlevering nauwelijks te eten en de vele zieken werden nauwelijks verzorgd. Maar op 15 april mochten driehonderd van die zieke gevangen, onder wie Brouwers, het kamp verlaten. Met een boot kwamen ze de volgende dag aan in Delfzijl.

‘Ze lagen bijna allemaal bloed te spugen aan boord’, vertelt Willie. ‘Ze waren heel erg ziek.’ Ze was snel naar de haven gegaan toen ze hoorde dat haar vader aan boord was. ‘Toen ik hem zag, stormde ik op hem af, maar hij duwde me weg. ‘Niet doen Wil’, zei hij. ‘Ik zit onder de luizen.’

Naar huis konden ze niet, want na zijn arrestatie was dat gevorderd. Een tijdje woonden ze bij opa en oma, totdat het te gevaarlijk werd en ze naar de schuilkelder gingen. Alleen Willies oma wilde niet ‘levend onder de grond’ en bleef thuis met opa. Bij een bominslag kreeg ze een scherf in haar hals.

‘We zaten al in de schuilkelder’, herinnert Willie zich. ‘Maar mijn moeder wilde er naartoe. ‘Frouke’, zei mijn vader, ‘we spelen met ons leven en dat van de kinderen.’ Maar mijn moeder liet zich niet tegenhouden en wij gingen mee. Ik heb opoe nog gezien in het noodhospitaal, ze haalde nog adem, heel zwaar, maar ze redde het niet.’

Ze keerden weer terug naar de schuilkelder en dachten even dat ze het zelf ook niet zouden overleven. Toen ze uit de kelder werden gebombardeerd stonden ze midden in Delfzijl, tussen de verwoeste huizen. Oma was overleden, naar hun huis konden ze niet. Zwervend door de straten zochten ze een veilig onderkomen.

‘Gelukkig werden we toen opgevangen door de familie Groot’, vertelt Willie. Liggend op stro in een klein keldertje waren ze eindelijk veilig. Daar bleven ze tot Groot ze kwam halen. ‘Hij zei: ‘Kom er maar uit, we zijn bevrijd. De Canadezen zijn er.’’

De verwoesting vastgelegd in de krant. Foto: Raymond Rutting

Op 1 mei was Delfzijl dan eindelijk bevrijd. Maar in de omgeving ging de strijd nog een dag langer door. Juist rondom de stad waren in de laatste weken van april al veel slachtoffers gevallen. Zo sneuvelden bij het dorpje Wagenborgen 23 Canadezen.

‘En de Duitsers hebben bijvoorbeeld Appingedam nog vreselijk te grazen genomen’, zegt journalist Von Hebel. ‘Dat was eigenlijk al bevrijd, maar ze keerden de kanonnen van de Atlantikwall (de Duitse verdedigingslinie langs de kust, red.) om en namen het nog onder vuur.’

Laatste gevecht

Bij het dorpje Geefsweer vond – waarschijnlijk – het laatste gevecht tussen geallieerden en Duitsers in Nederland plaats. Vanuit drie bunkers schoten ze op de oprukkende Canadezen. Daarbij overleed John Spicer, het vermoedelijk laatste geallieerde slachtoffer van de strijd in Nederland.

Als Willie en haar familie terugkeren naar hun eigen huis treffen ze er een enorme bende aan. Er was van alles en nog wat kapotgemaakt. ‘En ze hadden hun behoefte gedaan in de kamer’, vertelt Willie.

Een paar dagen later pas is het tijd om feest te vieren. Willies oudere zus legt het in die tijd aan met een Canadees. ‘Ik hoorde mijn moeder praten met mijn vader’, zegt ze. ‘Ze had het over kapotjes, ik wist natuurlijk niet wat dat waren.’

Moeder had de ijszakken van de Canadees doorzocht en condooms gevonden. ‘Kijk nou’, zei ze tegen Willies vader. ‘Wees blij’, antwoordde die nuchter, ‘dan krijgen we in ieder geval geen kleine Canadees.’ Toen de militair later opperde dat haar dochter wel mee kon naar Canada, stak moeder daar een stokje voor. Willie hoort het haar nog zeggen in het Gronings: ‘Dat wicht blieft hier, doe kriegst heur nait mit.’

Sporen

Na alle ellende had de familie Brouwers gesnakt naar de bevrijding, maar de oorlog laat nog lang sporen na. Vooral vader houdt nog last van zijn tijd in in het strafkamp. Hij wordt ziek, krijgt onder meer tuberculose. Als de Zeevaartschool weer opengaat, kan hij daarom niet meteen aan de slag.

‘Na elf maanden kreeg hij toen bericht dat zijn salaris zou worden gehalveerd’, vertelt Willie. Na een jaar kreeg hij nog minder. Tot woede van haar vader. Hij schreef volgens zijn dochter brieven aan onder andere prins Bernhard en uiteindelijk werd het besluit teruggedraaid.

‘Maar dat kwam alleen door zijn doorzettingsvermogen’, zegt Willie. Haar vader was na de oorlog nooit haatdragend richting de Duitsers, maar in de Nederlandse regering was hij wel teleurgesteld. ‘Hij waarschuwde mijn man en mijn zwager daarna. ‘Jongens, als ze je ooit vragen iets voor het vaderland te doen, doe het niet, want uiteindelijk word je gepakt.’’

Henk Brouwers, de vader van Willie. Beeld: Willie Brouwers

Met dank aan Joël Stoppels van Battlefield Tours

Deel dit verhaal