Haarlem

Waarom vertrok mijn oma Nol (99) na de bevrijding naar Argentinië, veilige haven voor nazi’s?

Nol Voorn in haar keukentje in Boxtel. Foto: Rebecca Fertinel

Nol Voorn, nu 99 jaar oud, pakte twee jaar na de Tweede Wereldoorlog plotseling de boot naar Argentinië, een bekend toevluchtsoord voor nazi’s. Waarom toch?, vraagt haar kleinzoon Maarten van Gestel zich af.

Deel dit verhaal

Nol Voorn (26) kijkt om zich heen en ziet alleen maar water. Het is 1947, twee jaar eerder vierde ze in een feesttent in Haarlem nog dat Nederland was bevrijd en danste ze met vrienden en haar man de foxtrot. Nu staat ze op het dek van een vrachtschip. Vandaag, morgen, overmorgen: elke dag weer alleen maar water. Vier weken, zo lang duurt de overtocht van Amsterdam naar Buenos Aires.

Op het schip kent ze niemand. Haar man Cor (30) maakte de reis een paar maanden eerder al, hij heeft in Buenos Aires inmiddels werk gevonden als bierpullenmaker. In Nederland wordt hard gewerkt aan de wederopbouw. Voedsel is nog steeds op de bon, leeftijdsgenoten van Nol wennen aan de nieuwe, naoorlogse wereld. Zijzelf is onderweg naar Argentinië en is niet van plan snel terug te komen.

Als ik anno 2020 op feestjes vertel dat mijn oma Nol (nu 99) na de oorlog naar Argentinië emigreerde, zie ik altijd dezelfde blik in de ogen van mijn gesprekspartners. ‘Wauw, waarom ging ze naar Argentinië?’, vragen ze. ‘Was ze NSB’er?’, hoor ik ze erachteraan denken.

Van duizenden nazi’s is bekend dat ze na de capitulatie naar Zuid-Amerika vluchtten, waar ze door twijfelachtige regimes met open armen werden ontvangen en zo een strafproces en vonnis op het Europese vasteland ontliepen.

Dat is de geschiedenis zoals die voortleeft in onze popcultuur: in de film Long Shot, die zich deels afspeelt in Buenos Aires, grapte de (Joodse) acteur Seth Rogen vorig jaar nog: ‘Het is cool om in Argentinië te zijn. Ik denk dat de gasten die mijn grootouders hebben vermoord hier nog ergens verstopt zitten.’

De komedie is verder weinig geloofwaardig: de plot draait om een journalist die speechschrijver wordt van zijn vroegere babysitter, nu aanstaand president van de Verenigde Staten, en o ja, ze worden ook nog verliefd. Maar het idee dat naoorlogse emigranten in Brazilië of Argentinië of Paraguay gevluchte nazi’s waren, daar zit wel degelijk een kern van waarheid in.

Ook SS'er Josef Mengele (midden), 'Engel des Doods' in Auschwitz, vluchtte na de oorlog naar Argentinië. Beeld: United States Holocaust Memorial Museum

Grauwe sfeer

Mijn oma was geen NSB’er. Ze vertrok uit Nederland omdat ze ‘bang was voor een nieuwe oorlog’, zeg ik dan op die feestjes, zoals zij dat mij altijd vertelde. Omdat ze klaar was met de grauwe sfeer hier, de kapotgeschoten steden en de hongerwinter die achter haar lag. Met haar vertrokken 500 duizend andere Nederlanders, naar Zuid-Amerika, naar Canada, naar Australië: het was de grootste emigratiegolf die ons land ooit gekend heeft.

Maar toch, denk ik meestal na die feestjes, nooit heb ik echt begrepen waarom mijn oma haar leven in Haarlem na de bevrijding zo rigoureus de rug toekeerde. Zeker niet na het interviewen van zo’n veertig 80-, 90-, en 100-jarigen voor deze Mijn Bevrijding-reeks voor de Volkskrant.

Zij vierden feest, vertelden de meesten van hen. Van Limburg tot Groningen waren ze opgelucht, voelden ze zich eindelijk vrij en zagen ze weer een zonnigere toekomst tegemoet. Mijn oma had een prima leven in Nederland: een moeder, een man, leuke buren, vrienden, het strand waar ze voor de oorlog elk weekend naartoe ging, een roeivereniging waarmee ze in 1938 nog op de Amstel wedstrijdroeide.

Ook in Nols woonplaats Haarlem werd de bevrijding groots gevierd. Beeld: NIOD

Reislustig was mijn oma niet: als meisje droomde ze niet van verre landen, ondanks dat haar vader kapitein was in Nederlands-Indië. Ook nadat ze in de jaren zestig vanuit Buenos Aires naar Nederland terugkeerde met mijn 2-jarige moeder, ging ze zelden op vakantie.

Waarom keerde de 26-jarige Nol Voorn in de zomer van 1947 haar oude leven de rug toe? Waarom stond ze alleen op dat vrachtschip, om bijna twintig jaar lang weg te blijven en daarna met een andere man – mijn opa – terug te keren?

Rijtjeshuis

Ik zit tegenover mijn oma in haar rijtjeshuis in Boxtel. Hier ging Nol wonen toen ze na achttien jaar terugkwam uit Argentinië. Niet in Haarlem, maar in Brabant, vanwege het werk van haar nieuwe man bij voorbehoedsmiddelenfabrikant Organon. Een paar jaar geleden glommen de heldere ogen in haar stokoude gezicht een beetje. Per post was ze gefeliciteerd omdat ze na vijftig jaar in dit eenvoudige huis ‘gouden huurder’ was.

Ik ben ook trots op haar. Omdat ze op haar leeftijd nog op zichzelf woont en hier hopelijk de 100 gaat halen. Omdat ze anders dan sommige oude mensen nog steeds veel lacht, in elk geval als ik op bezoek ben. Omdat ze dan warmte en lichtheid uitstraalt, ondanks haar rugpijn, haar steeds slechtere gehoor en haar sociale leven dat letterlijk is uitgestorven. Omdat ze nog steeds elke week zelf boodschappen wil doen in de Plus, waar ze met haar schildpaddentempo en haar rollator door elke caissière wordt herkend. En omdat ze op televisie zo kan genieten van de Tour de France, niet vanwege het wielrennen, maar vanwege de ‘prachtige’ Europese natuurbeelden.

In Boxtel hangen kleine schilderijtjes en beeldjes die nog uit Argentinië komen. Op een kastje staat de zwart-witfoto van mijn opa Hans, die ze daar ontmoette. De zachte uitstraling in zijn gezicht heb ik nooit in het echt gezien: hij stierf aan een hartaanval voordat ik werd geboren. Sindsdien woont Nol hier alleen. Dat gaat ‘prima’, zegt ze, hoewel het ‘ook een beetje saai’ is.

Tijdens die lange dagen in deze laatste fase van haar leven, vanuit haar stoel met voetenbankje in haar oude woonkamer, verzinkt ze steeds vaker in gedachten over het verleden. Ik vraag haar of ze kan uitleggen waarom ze na de bevrijding zo’n ongebruikelijke keuze maakte. Waarom wilde ze een nieuw leven beginnen aan de andere kant van de Atlantische Oceaan, terwijl Europa net was bevrijd? ‘Ik wil het best proberen uit te leggen’, zegt ze rustig.

Verste reis

Bijna 12 duizend kilometer: die afstand moet Nol in 1947 afleggen van Haarlem naar Buenos Aires. Haar verste reizen tot dat moment zijn een trip naar Duitsland tijdens haar jeugd en een fietsvakantie met vrienden in de Ardennen in 1939.

Dat was nog in de ‘zorgeloze’ tijd voor de oorlog. Oké, haar vader was kapitein op een schip naar Nederlands-Indië en was slechts eens in de drie jaar thuis. Na een half jaar vertrok hij dan weer – niet echt gezellig voor een kind. Ze zag hem even toen ze 3 was, toen ze 6 was, 9, enzovoorts. Als enig kind was ze veel alleen met haar moeder. ‘Maar ik was het gewend. Ik kon prima op mezelf zijn.’

Nol (tweede van links) vlak voor de oorlog op de Amstel. Beeld: Nol Voorn

In de oorlog veranderde de zorgeloosheid. Het voelde ‘vreemd’ toen de Duitsers de stad om 7 uur ’s ochtends binnentrokken, nog geen jaar na die fietsvakantie. Nol was 20 en werkte in een apotheek: als ze na een avonddienst door het pikkedonker naar huis fietste, moest ze van de nazi’s ineens haar fietslamp afplakken. ‘Ze waren bang voor bombardementen.’

Nol had steeds meer het gevoel dat ze haar vrijheid kwijtraakte. ‘Je had elke dag maar twee uur water, er was steeds minder eten, ’s avonds mocht je niet naar buiten.’ Bang werd ze zelf alleen aan het einde: toen bleven V1’s overvliegen, kreeg haar man Cor een pistool vanuit het verzet en moest hij in de kelder onder de wc slapen, uit angst voor een Duitse inval.

Met Cor – de man die ze later achterna zou reizen naar Argentinië – had ze snel na hun ontmoeting een klik gevoeld. Zij was 21, hij 24. Cor nam haar mee zeilen op de Mooie Nel. Hij was een ‘eenvoudige man’ met een simpele baan als tekenaar, maar ook ‘heel handig en hij kon prachtig pianospelen’. De liefde voor het water hadden ze gemeen en ook Cor had een vader die als kapitein vaak weg was.

‘We gaan zeilen’, zei Nol altijd als haar moeder vroeg wat zij en Cor deden als ze op pad gingen, in de warme zomers aan het begin van de oorlog. ‘Eigenlijk gingen we rietzeilen’, zegt ze nu met een glimlach. ‘Samen in het riet liggen, lekker knuffelen.’ In 1944 trouwden ze.

Nol en Cor (links) in 1950, Nol (rechts) in 1944. Beeld: Nol Voorn

Europa rommelde

Mannen besloten vroeger veel, denk ik, dus het zal wel zijn keuze zijn geweest om te emigreren. ‘Nee, ik kwam met het idee’, zegt mijn oma. ‘Cor vond het prima.’ Waarom wilde je zo graag weg? ‘Ik wilde geen oorlog meer.’ Maar jullie waren toch net bevrijd? ‘Ja, maar het was niet zo veilig in Europa. Het rommelde overal.’

Waar ‘rommelde’ het precies? Hoe serieus kon de angst voor een nieuwe oorlog zijn, als zoveel andere Nederlanders gewoon in Nederland bleven wonen? Mijn oma geeft geen duidelijk antwoord, vind ik. ‘Het rommelde’, herhaalt ze, ‘in Oost-Europa, met de Russen en de Amerikanen. Het was niet fijn hier.’

Is dit de hele reden dat je op je 26e omgeven door water op dat schip stond? Waar je dagenlang tafeltenniste met andere passagiers, in een opzetzwembadje zwom als het mooi weer was, rondwandelde op het dek om de tijd te doden en bevriend raakte met je hutgenoot en zijn zoontje?

‘Luister’, voegt ze toe. ‘Cor had ook niet zo’n goede baan, na de oorlog lukte het hem niet om iets beters te vinden. Het ging slecht met de economie. Dus ik dacht: laten we maar gaan.’ Maar, denk ik, is bierpullenmaker in Buenos Aires beter dan technisch tekenaar voor de Koninklijke Nederlandse Stoombootmaatschapij in Amsterdam?

Ander continent

Na drieënhalve week weken varen komt Nol aan land in Rio de Janeiro: haar eerste keer ooit op een ander continent. ‘Ik herinner me de brede Avenida, hoe lekker warm het was. Ik vond het mooi, zag voor het eerst veel donkere mensen, en zulke prachtige struiken met kerststerren.’

Een week later wacht Cor haar op bij de haven van Buenos Aires, ze hebben elkaar dan een maand of vijf niet gezien. ‘Hij had een snor’, zegt mijn oma nu een beetje afkeurend. ‘Dat hadden alle mannen in Argentinië. Ik vond het niet zo leuk.’

Mijn oma vertelt nuchter over haar nieuwe leven in Buenos Aires, over hun eerste logeeradres, de eerste keer groente uitzoeken op de markt. Het lijkt bijna alsof ze het over een verhuizing van Haarlem naar Hengelo heeft. Van ‘avontuur’ en ‘romantiek’ is weinig te merken. Leek emigreren zo normaal door de kapiteinvaders van Nol en Cor, die altijd al in zulke verre landen leefden?

‘Misschien wel’, antwoordt mijn oma. Dan vertelt ze over een gebeurtenis die volgens haarzelf geen belangrijke reden was om te gaan. Maar in 1945 moet het toch een grote klap zijn geweest. Nol herinnert zich de brief die ze, toen 25, van het Rode Kruis kreeg. Haar vader, die ze al zes jaar niet had gezien, was dood.

‘Gestorven rondom Nederlands-Indië.’ Hoe stond er niet bij – dat weet ze 75 jaar later nog steeds niet. ‘Mijn vader had het voor zijn dood altijd over Australië gehad’, zegt mijn oma. ‘Dat hij het zo’n mooi land vond. Aardige mensen, mooi weer. Na zijn pensioen wilde hij naar Melbourne of Sydney verhuizen. In Nederland vond hij het maar koud, zei hij altijd als hij even thuis was.’

Nols vader Willem. Op de middelste foto staan ze samen. Beeld: Nol Voorn

Nieuwe kapitein

Dan vertelt Nol iets dat ik nooit eerder heb gehoord. Na de bevrijding kwam de vader van Cor plotseling wél terug naar Haarlem. Hij had als schipper de hele oorlog in New York gezeten. Cors moeder overleed halverwege de oorlog in Nederland, als jong stel woonden Nol en Cor al twee jaar in het lege ouderlijk huis. ‘We deden lekker waar we zin in hadden: buren kwamen langs, we aten en sliepen wanneer we wilden.’ Ondanks de oorlog waren ze vrijheid gewend, nu kwam er ineens een nieuwe kapitein aan dek.

‘Koffie!’, riep Nols schoonvader in 1945 elke ochtend om tien uur stipt. ‘Er is koffie!’ De twintigers moesten dan koffie gaan drinken, herinnert Nol zich. ‘Hij was een echte kapitein, hoor. Alles heel erg op tijd.’ Om één uur stipt moest er gegeten worden, om zes uur stipt moest er gegeten worden. Weg was het vrije, jonge leven. ‘Dat beviel niet geweldig goed’, zegt mijn oma voorzichtig.

Cor met zijn vader in 1939. Beeld: Christa van Lienden 

Ze ziet de ironie van de situatie zelf ook in: bevrijd van de oorlog, maar ineens met een nieuwe dominante man en allerlei regels in huis. Op een bepaalde manier was ze tijdens de oorlog vrijer dan erna. ‘Daarom wilde ik ook wel weg’, zegt mijn oma. ‘Al dat geregel. Ik dacht: we gaan.’

Ze wil naar Australië, het droomland van haar plots verdwenen eigen vader. Maar in 1947 blijkt ze die reis niet zomaar per boot te kunnen maken. ‘Ik hoorde van kennissen over Argentinië, dat het daar ook mooi is en dat je er vanaf Amsterdam naartoe kon varen. Prima, dacht ik. Daar zal het ook wel goed zijn.’

Fijne jaren

Mijn oma beschrijft ‘de fijne jaren’ in Buenos Aires: met Cor is ze lid van de Hollandse Vereniging, elke week komen zij en andere expats samen voor borrels en feestjes. Cor zit dan achter de piano, nieuw aangekomen Nederlanders zingen uit hun hoofd de nieuwste liedjes van Toon Hermans.

Op die feestjes, vraag ik mijn oma, liepen daar dan gevluchte NSB’ers rond? Nazi-sympathisanten die aan de naoorlogse rechtspleging ontsnapt waren, en nu net als zij en haar man in een klein huisje in de zon woonden?

‘Ik heb er nooit een gezien’, zegt mijn oma. Ik ben even stil. Hoe kan dat, als mensen nu bij Zuid-Amerika meteen aan vluchtende nazi’s denken? ‘Later hoorde je dat natuurlijk wel, maar toen wisten we dat niet.’

Even later probeer ik het opnieuw: ik kan dat idee van die nazi’s toch niet loslaten, zeg ik. Daar moet je toch wat van hebben meegekregen? ‘Nee hoor’, antwoordt mijn oma. ‘Dat merkte je nooit. De meeste mensen waren uitgestuurd door Philips of Shell. Toen ik in Argentinië was, werd nauwelijks over NSB’ers gepraat.’

Even twijfel ik. Niet alleen in de komedie Long Shot (2019) wordt gerept over vluchtende nazi’s, ook de fenomenale liefdesthriller Notorious (1946) van Alfred Hitchcock draait om een spion en de zoektocht naar een stel nazi’s in Brazilië. Die film verscheen een jaar voordat mijn oma vertrok. Gevluchte nazi’s moeten een dankbare bron van geruchten zijn geweest, zeker in zo’n hechte Nederlandse gemeenschap in Zuid-Amerika, zou je denken. Heeft mijn oma soms toch iets te verbergen?

De trailer van Notorious (1946)

Ik besluit op bezoek te gaan bij Leo Lucassen, directeur van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis en hoogleraar migratiegeschiedenis aan de Universiteit Leiden. Of het niet gek is dat mijn oma niets over NSB’ers in Argentinië wist, vraag ik hem.

Jaren zestig

‘Nee hoor’, antwoordt hij. ‘Je moet je voorstellen: alle aandacht voor de Tweede Wereldoorlog en de Jodenvervolging, dat begint eigenlijk pas in de jaren zestig.’ Notorious van Hitchcock was eerder de uitzondering, niet de regel, en mijn oma heeft die film nooit gezien.

Lucassen legt uit dat men kort na de Tweede Wereldoorlog vooral vooruit keek, en dat er in kranten meer werd geschreven over de angst voor een Derde Wereldoorlog en de nieuwe atoombom, dan over de Tweede Wereldoorlog die eindelijk voorbij was.

Pas in de jaren zestig veranderde dat bewustzijn, zegt Lucassen. In 1965 verscheen De Ondergang van de historicus Jacques Presser. Dat was het eerste grote boek in Nederland over de Holocaust en ‘dat sloeg in als een bom’.

Daarvoor werd de naar Argentinië gevluchte, hooggeplaatste nazi Adolf Eichmann in Buenos Aires al ontmaskerd. Zijn proces en doodvonnis in 1961 luidden een nieuw tijdperk in, waarin talloze onderzoeken naar de Tweede Wereldoorlog werden gestart en het beeld van naar Argentinië gevluchte nazi’s langzaam gemeengoed werd.

Dit beeld werd versterkt door de populaire TV-serie De Bezetting van Loe de Jong en in de jaren zeventig door het (fictie)boek en de verfilming The Boys From Brasil, over voormalige SS-dokters die in Brazilië klonen van Hitler maken.

Nazi-jager Jack Kooistra schat dat het niet meer dan honderd NSB’ers is gelukt om de overtocht te maken. En als die al op de Nederlandse feestjes eind jaren veertig en vijftig rondliepen, zullen ze hun best hebben gedaan dat goed verborgen te houden, voegt Lucassen toe. ‘Het was geen reclame. In Paraguay misschien wel – dat was destijds een fascistisch staatje. Maar in Argentinië moesten ze oppassen.’

'In Argentinië moesten ze oppassen.' Buenos Aires in de jaren '50. Beeld: Getty

Terug naar Nederland

Het huwelijk tussen mijn oma en Cor strandt na ruim zeventien jaar. De vonk is weg, hij heeft een andere vriendin. Hij 'heeft al een ticket naar Nederland voor haar', zegt hij volgens mijn oma. ‘Mijn moeder zei over de telefoon: als je terugkomt, heb je niets. Geen man, geen geld. Je moet daar blijven.’

Een korte maar verdrietige tijd volgt. Tot Hans van de Nederlandse Vereniging haar meeneemt naar het operagebouw in Buenos Aires. Ze worden verliefd, en op haar 41e raakt Nol onverwacht zwanger van hem. Als hun dochter Yolanda en hun zoontje Rob zijn geboren, stelt Hans voor terug te gaan naar Nederland. ‘Hij kon hier gaan werken, het onderwijs en toekomstperspectief waren beter.’

Eenderde van de 500 duizend Nederlandse emigranten keerde vroeg of laat terug, zegt Lucassen. ‘In de jaren zestig ging het weer goed met de Nederlandse economie.’

Nol heeft haar vader eigenlijk nooit gekend. Maar vanuit haar stoel in Boxtel fantaseert ze nu, op hoogbejaarde leeftijd, veel over hoe ze waarschijnlijk op hem lijkt. Ze laat een oude foto zien waarop hij in kapiteinskostuum uit het raam van zijn hut kijkt. ‘Hij was ook eenvoudig, had niet veel nodig, kon waarschijnlijk goed op zichzelf zijn.’ Door te emigreren deed zij wat hij altijd had willen doen.

De foto van Nols vader (1886 - 1944). Beeld: Nol Voorn

Na de bevrijding: de grootste emigratiegolf vanuit Nederland ooit

Nooit in de vaderlandse geschiedenis vertrokken zoveel Nederlanders als tussen 1945 en 1955, legt hoogleraar Lucassen uit. Ook een broer en zus van zijn moeder maakten deel uit van de half miljoen Nederlanders die overzees een nieuwe start maakten: zij verruilden hun dorp in Limburg voor Nieuw-Zeeland. ‘De overheid stimuleerde het ook: er reden voorlichtingsbussen van dorp naar dorp, met een luidspreker en folders met uitleg over emigratie. Er waren zelfs speciale emigratieleningen en premies.’

De reden was simpel: na de Tweede Wereldoorlog ging het slecht met de Nederlandse economie, er was maar net genoeg eten voor iedereen, de woningschaarste was nog veel groter dan nu. ‘De overheid had het idee dat Nederland met haar tien miljoen inwoners overbevolkt was’, legt Lucassen uit.

In zijn nieuwjaarstoespraak in 1950 zei PvdA-premier Willem Drees: ‘Een deel van ons volk moet het aandurven zijn toekomst te zoeken in grotere gebieden dan het eigen land.’ Koningin Juliana sprak in haar troonrede van 1950 dat ‘de snelle bevolkingsgroei en de beperkte oppervlakte aan beschikbare grond een krachtdadige bevordering van de emigratie vereisen.’

Nieuwe tijd

Ondertussen was met de bevrijding ‘het buitenland’ met de deur in huis komen vallen, in de vorm van Canadezen en Amerikanen. Een nieuwe tijd was aangebroken, het avontuur lonkte. Lucassen denkt dat de oorlog voor jonge mensen een spannende tijd was geweest waarin ze relatief veel vrijheid genoten, ‘minder knoet van ouders en familie’. Na de oorlog moesten ze weer terug in het gareel.

Ook de kerken waren bang voor ‘zedenverwildering’, en oefenden druk uit op jonge mensen om zich aan alle sociale conventies te houden. Door woningnood was wonen bij ouders of schoonouders voor twintigers en dertigers niet ongebruikelijk. ‘Emigreren was niet alleen een kwestie van geld’, denkt Lucassen, ‘maar ook een manier om aan verstikkende sociale verbanden te ontsnappen’.

In dat opzicht noemt hij het verhaal van Nol Voorn exemplarisch: ook zij vertrok nadat ze een tijdje met haar schoonvader moest wonen. Hoewel Argentinië en Brazilië onder Nederlanders minder populair waren dan Canada, de Verenigde Staten, Australië en Nieuw-Zeeland. ‘Dat kwam ook door de taal.’

Emotioneel zwaar

Heeft de Nederlandse strategie geholpen om de druk op het land te verlichten? ‘In zekere zin wel. Een half miljoen mensen gingen weg, 5 procent van de bevolking. Vandaag de dag zouden dat bijna een miljoen Nederlanders zijn. Dat gaf de woningmarkt en voedselvoorziening zeker lucht.’

Maar, voegt Lucassen toe: eenderde van die Nederlanders keerde vroeg of laat terug, omdat het ze emotioneel zwaarder viel dan gedacht of omdat het economisch niet meezat. ‘Of simpelweg omdat het vanaf de jaren vijftig beter ging met de Nederlandse economie.’ Hiernaast zorgde de immigratie van driehonderdduizend mensen uit Nederlands-Indië naar Nederland ervoor dat het bevolkingsaantal – ondanks de inspanningen van de overheid – grosso modo gelijk bleef.

In een eerdere versie van dit artikel stond dat De Ondergang uit 1956 komt. Dat klopt niet, De Ondergang komt uit 1965.

Deel dit verhaal