Midden-Drenthe

Virry werd bevrijd uit Westerbork, maar het grote zwijgen ging door

Virry de Vries Robles. Foto: Sabine van Wechem

Virry de Vries Robles (87) zag hoe niemand iets zei of deed toen ze naar Westerbork werd afgevoerd. 'De buren stonden drie rijen dik te kijken. Ik voelde me een crimineel, ik was pas 11.' Tegen de mensen aan wie ze haar oorlogsverhaal vertelt, zegt ze daarom: 'Als je ziet dat iets niet deugt, handel daar dan ook naar.' 

Deel dit verhaal

Maand na maand heeft ze ’s avonds laat in haar krappe stapelbed de namen horen afroepen van de mensen die zouden worden gedeporteerd, zestien keer stond ze niet op de lijst maar op woensdag 13 september 1944 kan ook de 12-jarige Virry de Vries Robles niet langer aan het noodlot ontsnappen en moet ze op transport naar het oosten. De trein die de ochtend ervoor in Kamp Westerbork is aangekomen is de 93ste. Bestemming: Bergen-Belsen. Die ochtend zit ze naast haar moeder in de volgepakte wagon, haar koffertje gepakt, babybroer Eric in de reiswieg, maar kort voordat de deuren worden vergrendeld grijpt kampcommandant Albert Gemmeker in. Het lijkt hem beter om te wachten op de vader van Virry, die huisarts is en op verzoek van de Duitsers tijdelijk naar Amsterdam is teruggekeerd. Dan kan het gezin in zijn geheel op transport.

Vier dagen later breekt de spoorwegstaking uit. Er zal nooit meer een trein uit Westerbork vertrekken. Daarom noemt Virry de Vries Robles, inmiddels 87 jaar, zichzelf ‘een gelukskind’, ondanks het zware leven dat daarna kwam en de oorlog die ze nooit helemaal achter zich heeft kunnen laten. ‘Wat die kampcommandant heeft bezield, is me een raadsel maar dat raadselachtige besluit heeft mij het leven gered. De mensen uit die trein zijn bijna allemaal omgekomen.’

Veel bewoners zijn er in Westerbork niet meer over als Virry die woensdag onverwachts weer in de barakken terugkeert. In twee jaar tijd zijn via het doorgangskamp op de Drentse hei 107 duizend Joden gedeporteerd, waarmee de nazikopstukken ‘het Jodenvraagstuk’ in Nederland wel zo ongeveer als opgelost beschouwen. Enkele honderden Joden zijn aan deportatie ontkomen, af en toe druppelen in het kamp nog wat nieuwe gevangenen binnen, opgepakt op hun onderduikadres. De kampschool is gesloten, er zijn te weinig kinderen. En ook geen leraren meer. Virry vult haar dagen vooral door op haar broertje te passen, haar moeder werkt in de keuken.

Virry als klein meisje. Bron: Virry de Vries Robles. 

En dan, precies zeven maanden nadat de laatste trein Westerbork heeft verlaten, lonkt de vrijheid. Kampcommandant Gemmeker is op die woensdagochtend in zijn dienstauto richting de Afsluitdijk vertrokken, op de vlucht voor de oprukkende geallieerden; zijn bewakers zijn verdwenen. Virry herinnert zich die onwerkelijke dag, zondag 75 jaar geleden: ‘Ze hadden op de kampboerderij alle dieren doodgemaakt, zodat we niets meer te eten hadden. Daar ben ik nóg boos over.’ Niemand durft het kamp uit, uit angst dat er ergens nog een bewaker in de bosjes ligt. In de verte lijkt het te onweren, een dag later wordt duidelijk waar dat gerommel vandaan komt: om 3 uur ’s middags stijgt een grote stofwolk op en ziet ze tanks met Canadese soldaten tevoorschijn komen. ‘Toen waren we niet meer te houden. We zijn naar buiten gerend richting de stofwolk en op de tanks geklommen. Zo zijn we het kamp binnengereden.’

Gevangenen op en rondom een Canadees pantservoertuig bij de bevrijding van Westerbork. Bron: Kamp Westerbork  

Witte anjers

De intocht van de Canadezen maakt deel uit van de tweede fase van de bevrijding, in de lente van 1945. De geallieerden, het najaar ervoor gestrand bij de grote rivieren, hebben een omtrekkende beweging gemaakt en zijn eind maart alsnog, vanuit Gelderland, naar het Noorden opgerukt. In Westerbork treffen ze bijna 900 Joodse gevangenen aan, die hen geëmotioneerd verwelkomen met de witte anjers uit de kas van de voormalige kampcommandant.

De Canadezen blijven twee weken, om de omgeving rondom het kamp te zuiveren voordat ze verder trekken. En in die weken beleeft Virry haar eerste liefde, voor een jonge Canadese soldaat die iedere dag bij haar moeder langskomt voor koffie met zelfgebakken appeltaart. ‘Toen heb ik mijn eerste Engelse woordjes geleerd’, herinnert ze zich. Ze maakt twee ringetjes van vliegtuigglas, met daarin hun initialen, éen voor hem en één voor haar. Ze weet nog hoe blij haar Canadees ermee was.

De ring voor de Canadees, met de initialen SR. Bron: Virry de Vries Robles. 

De bewoners van kamp Westerbork vieren de vrijheid, maar blijven gevangen. Naar huis kunnen ze niet, een groot deel van het land is immers nog bezet. Zelfs na de capitulatie, die een maand later plaatsvindt, worden ze gemaand om voorlopig in het kamp te blijven en daar zien ze de barakken opnieuw volstromen. Dit keer met NSB’ers, die bizar genoeg gevangen worden gezet op de plek waar ruim twee jaar lang Joden, Sinti en Roma bijeen zijn gedreven en waar ze worden bewaakt door de Joodse jongens die aan transport zijn ontkomen. ‘Een onvoorstelbare situatie. Opeens zag ik onze mensen hetzelfde gedrag vertonen als de Duitsers eerder tegen ons. Ik kon daar geen begrip voor opbrengen.’

Pas half juni weet haar vader hun terugkeer te regelen en staat Virry weer in Amsterdam, waar ze twintig maanden eerder is weggevoerd. ‘We werden eruit gezet op de Stadionweg. We belden aan bij vrienden, die net de verjaardag van hun dochtertje vierden. Waar komen jullie vandaan?, vroegen ze. Nee, een warm welkom was het niet. Ons huis werd bewoond door anderen, onze spullen waren weg. Ik heb daar later nog weleens voor de deur gestaan maar ik durfde niet aan te bellen, zo bang was ik dat ze me zouden afwijzen.’

Ze wonen een tijdlang in het huis van een oom, na de zomer gaat Virry naar het gymnasium. Om haar heen doet iedereen alsof er niets is gebeurd. ‘Als ik erover begon, dan klonk het: hou er maar over op, wij hebben het ook moeilijk gehad.’

Rare gele ster

Twintig jaar geleden is Virry alsnog haar verhaal gaan vertellen, op scholen door het hele land én op de plek die een van overlevenden ooit ‘een in tranen gedrenkte stukje grond’ noemde. In Herinneringscentrum Kamp Westerbork treedt ze regelmatig op als gastspreker. Dan keert ze terug naar de beginjaren van de oorlog, als ze opeens naar een nieuwe school moet, helemaal aan de andere kant van de stad, en ze zo’n rare gele ster moet gaan dragen. Haar ouders zwijgen over wat er om haar heen gebeurt. Als ze op haar autoped naar oma wil, zegt haar moeder alleen maar dat oma niet thuis is. ‘Dat ze was opgepakt, zei ze er niet bij. Na de oorlog heb ik nog zo vaak gedacht dat ik mijn oma op straat zag lopen. Veel later pas ben ik erachter gekomen wat er met haar is gebeurd, dat ze is vergast in Sobibor.’

Haar vader, huisarts, werkt voor de Joodse raad in de Hollandsche Schouwburg, de plek waar alle opgepakte Joden worden verzameld in afwachting van hun deportatie. Hij zet er een ziekenboeg op en helpt met zijn goede vriend Walter Süskind stiekem kinderen naar de crèche aan de overkant te smokkelen. Süskind wordt later verraden en vermoord in Auschwitz, haar vader weet uit het zicht te blijven.

Lange tijd behoedt zijn werk het gezin voor deportatie, maar uiteindelijk worden ze in november 1943 alsnog opgepakt, thuis op de Amsterdamse Willem de Zwijgerlaan. Haar moeder is twee maanden zwanger. In Westerbork belanden ze in een overvolle barak, met 150 andere vrouwen, zonder licht, zonder kachel, zonder privacy. Virry moet op het land werken, hout sprokkelen, in een barak batterijen uit elkaar slopen. Haar vader wordt vrij snel door de nazi’s teruggeroepen naar Amsterdam, ze heeft nooit geweten waarom. Ze speelt, haalt kattenkwaad uit, zoals kinderen dat in alle omstandigheden blijven doen, zegt ze. Maar vriendinnen krijgt ze er niet: de kinderen die ze leert kennen, gaan altijd weer met de trein mee, en ze komen nooit terug.

Wat haar van die anderhalf jaar in kamp Westerbork vooral is bijgebleven, is de machteloosheid. ‘Er gebeurde van alles om mij heen waar ik niks van begreep, en er werd niets uitgelegd. Ik wilde alleen maar naar huis, maar dat kon kennelijk niet. Ik heb een fantasiewereld gecreëerd waarin ik me veilig voelde, een eigen werkelijkheid om te kunnen overleven. Dat is mijn redding geweest.’

‘Er gebeurde van alles om mij heen waar ik niks van begreep, en er werd niets uitgelegd.' Foto: Sabine van Wechem. 

Het grote zwijgen

Eenmaal terug uit het kamp, stuit Virry met haar vragen overal op afweer. Op school is de oorlog geen gespreksonderwerp en thuis gaat de deur definitief op slot. ‘Er is zelfs een periode geweest waarin ik dacht: zou het wel echt gebeurd zijn? Of heb ik alles gedroomd?’

Dat grote zwijgen heeft ook veel andere kindoverlevenden dwars gezeten, zo blijkt uit het proefschrift van historicus Eva Moraal, die brieven en dagboeken van kinderen in kamp Westerbork bestudeerde. ‘Kinderen kwamen vlak na de oorlog haast niet aan het woord, kregen daartoe ook weinig de kans’, concludeerde Moraal in 2013 in haar promotie-onderzoek. ‘Hun ervaringen stonden vooral in de schaduw van die van volwassen overlevenden.’ Lang na de oorlog vraagt Virry haar moeder of ze wil vertellen wat ze de hele dag zoal deden. ‘Toen zei ze: ik heb me onzichtbaar gemaakt en jij hebt nergens last van gehad. Ik was geschokt. Het was vast nuttig om onzichtbaar te zijn maar dat was ze daardoor ook voor mij. Om ruzie te vermijden heb ik mijn mond maar gehouden, maar ik voelde me in de steek gelaten.’

‘Voor de meeste overlevenden van Westerbork gold dat zij er nooit helemaal van bevrijd raakten’, schrijft Moraal in haar proefschrift: de oorlog mocht dan voorbij zijn, de nasleep duurde vaak levenslang en voor veel kinderen luidde de periode in Westerbork het einde van hun jeugd in. ‘Ik hoorde nergens meer bij en dat gevoel is altijd gebleven’, zegt Virry, terwijl ze door de map met jeugdfoto’s bladert. ‘Vrienden waren allemaal weg, onze familie ook voor een groot deel. Wij waren als gezin gespaard gebleven en dat was uitzonderlijk. Ik heb lang gedacht dat ik me daarvoor moest verantwoorden.’

Op het gymnasium kan ze niet meekomen, omdat ze jaren onderwijs heeft gemist. Als ze in de tweede klas twee keer blijft zitten, moet ze van school af. ‘Ik voelde me dom, dacht dat ik nergens goed voor was.’ Na tal van baantjes slaagt ze erin om de sociale academie af te ronden en specialiseert ze zich in gezinstherapie. Haar ouders scheiden in 1947, de oorlog heeft daarbij zeker een rol gespeeld, zegt ze. Haar moeder verhuist, haar vader studeert verder en wordt de eerste anesthesioloog van Nederland. En Virry dobbert maar rond, zoekend naar houvast in het leven, vaak wantrouwend naar anderen. Ze is nooit getrouwd.

Herinnering voor altijd

‘Ik heb mijn ouders lange tijd bittere verwijten gemaakt, maar nu neem ik ze niets meer kwalijk’, zegt ze. ‘Ik ben beschadigd geraakt maar daar kan ik mee omgaan. Ik heb leren relativeren, en ook humor helpt. Nu pas zie ik dat ik het in het leven zo slecht nog niet heb gedaan. Laatst vond ik brieven van oud-cliënten die me schreven hoe waardevol de therapie voor hen was geweest. Die complimenten zijn me dierbaar.’

Door steeds opnieuw haar verhaal te vertellen, door alle details te blijven benoemen, krijgt de tijd van toen alsnog een plaats. ‘Het is alsof ik daar zoveel jaar later alsnog mijn identiteit aan ontleen.’ En altijd geeft ze haar gehoor deze boodschap mee: als je ziet dat iets niet deugt, handel daar dan ook naar en spreek je uit.

Ze herinnert zich voor altijd de ochtend van haar arrestatie: ‘Ik zie me nog de deur uitlopen met mijn koffertje, naar de auto die ons naar de gevangenis zou brengen. De buurtbewoners stonden drie rijen dik te kijken. Niemand zei wat, niemand deed wat. Ik voelde me een crimineel, ik was pas 11.’

De ring die ze maakte voor haar Canadese militair heeft ze bewaard en aan het herinneringscentrum in Westerbork geschonken. Zes jaar geleden heeft ze via een tv-programma een poging gedaan hem op te sporen. Ze wist niets van hem, had alleen zijn initialen die ze in de ring had gekerfd: SR. Ze was te laat, hij leefde niet meer. Ze heeft begrepen dat hij zijn leven lang verzot is gebleven op appeltaart.

Bevrijde gevangenen in Kamp Westerbork. Bron: Kamp Westerbork 

Voor dit verhaal werd gebruikgemaakt van de boeken:

  • Ad van Liempt: Gemmeker. Commandant van kamp Westerbork.
  • Eva Moraal: ‘Als ik morgen niet op transport ga, ga ik ’s avonds naar de revue.’ Kamp Westerbork in brieven, dagboeken en memoires (1942-2010).

Deel dit verhaal