Peel en Maas

Alle Kesselse mannen keerden terug, behalve de vader van Lenie

Lenie omringd door beelden van haar vader. Foto: Eva Faché

Van alle mannen uit Kessel die te werk werden gesteld in Duitsland, keerde alleen de vader van Lenie Geraats-Giesbertz niet terug. Nog altijd weet ze niet waaraan hij is gestorven. 

Deel dit verhaal

Terwijl de bevrijding van Nederland buiten met luide muziek gevierd wordt, zit Lenie Geraats-Giesbertz (85) als 9-jarig meisje binnen. De gordijnen zijn dichtgetrokken, ze hoort de inwoners van het Limburgse dorp Kessel feesten. Haar moeder en broer zitten verstild in de woonkamer. Nederland is bevrijd, ja, maar Lenies vader is dood.

Vijf jaar geleden kwamen deze pijnlijke uren weer boven. Die zondag zou het in de dorpskerk een bijzondere mis worden, vanwege het 70-jarige jubileum van de bevrijding.

Zoals elk jaar kreeg de Limburgse kerkrazzia veel aandacht. Maar de pastoor maakte in zijn preek een fout. ‘Hij zei dat alle Kesselse mannen waren teruggekomen uit Duitsland', zegt Lenie, opnieuw geëmotioneerd. 'Het voelde alsof ze mijn vader waren vergeten.’

Lenie Giesbertz met twee van haar kinderen in haar huiskamer. Foto: Eva Faché

Dorpscafé

In haar huis met uitzicht over de Maas wil Lenie vertellen over haar vader. Dit 75-jarige jubileum voelt als het moment om het verhaal van Frits Giesbertz wel te vertellen, is het idee. Ze kijkt glimlachend naar een foto van hem, achter de tap in het café van haar moeder. Ze klinkt nerveus als ze herinneringen in detail naar boven probeert te halen, maar fleurt op wanneer ze over het café vertelt.

‘Kessel was in de oorlogsjaren een intiem dorp, iedereen kende elkaar. Ons café lag tegenover het gemeentehuis. Het zat vaak vol, er werd gekaart en gebiljart. Mijn moeder was zorgzaam, hield in de gaten of gasten niet te veel dronken. Als het nodig was gaf ze iemand een kop koffie, daar stond ze om bekend.’

Lenie moest als klein meisje al veel meehelpen. Afwassen, opruimen. Het café was van haar oma op moeder Stina doorgegeven, haar vader hielp er vaak. ‘Echt een ouderwets café’, zegt ze over de ruimte. ‘Mijn vader hield van vogels, dus het hing vol met opgezette dieren.’

Lenie als meisje rond de oorlogstijd. Beeld: Lenie Giesbertz

En er was de ruil, weet Lenie. ‘In 1940 hadden mijn ouders veel jenever voor de Nederlandse soldaten gekregen, maar door de snelle bezetting hadden we flessen over. Bezoekers kwamen met kaas en vlees bij ons en gingen met jenever naar huis. Ik herinner me vrouwen met pakken koffie, verstopt in hun rokken.’

Ondanks de voortdurende drukte – het woonhuis van het gezin was boven het café – herinnert Lenie ook de momenten waarop ze samen met haar vader was. ‘Hij nam me mee naar de Maas, ik op zijn schouders. Ik verstopte appels in onze tuin, hij moest die dan gaan zoeken. En hij leerde me alle kaartspellen die in ons café werden gespeeld.’

Lenie's ouders met Nederlandse militairen (1940). Beeld: Lenie Giesbertz

Grimmige sfeer

Als meisje merkt Lenie tot 1944 weinig van de bezetting. Pas als de geallieerden dichterbij komen, wordt de sfeer in het dorp grimmig. Haar broer Pierre noemt 1944 en 1945 de ‘rampjaren’ van Kessel. Voor zijn dood schreef hij zijn herinneringen op, onder andere over ‘het vliegtuig met bommenlast’ dat in juli 1944 neerstortte in de Maas.

De glasscherven na de explosie zorgen voor gewonden, 22 gezinnen worden dakloos, de kerk raakt beschadigd en het kasteel wordt verwoest. Niet veel later ontstaat volgens Pierre de angst dat Kessel in zijn geheel zou worden platgebrand, als represaille voor een aanval op een Duits legervoertuig.

Maar het ergste moet nog komen. Op zondag 8 oktober, ruim een maand voor de bevrijding van het dorp, worden zo'n tachtig Kesselse mannen na hun kerkbezoek opgewacht door militairen. Duitse mannen zijn naar het front gestuurd, in dit laatste stadium wordt alles en iedereen ingezet voor de oorlogsindustrie. Die zondag worden in dorpen in Noord- en Midden-Limburg tweeduizend mannen opgepakt om in Duitsland te gaan werken (zie kader).

Wo sind die Männer?’, hoort Lenie de Duitse militairen aan de deur aan haar vader vragen. Hij was die ochtend niet in de kerk omdat Lenie’s moeder ziek was. Lenie herinnert zich de angst die ze als 9-jarig meisje voelde. ‘Ich bin der Einzige’, antwoordt haar vader. Hij probeert haar broer Pierre te beschermen, die dan vijftien is. In Lenies herinnering heeft hij zich bij haar zieke moeder in de achterkamer verstopt.

Veerpont

De mannen moeten met het pontje de Maas over, richting Duitsland. Lenie ziet het nog voor zich, zegt ze met trillende stem. ‘Honderden mannen, ook uit de omliggende dorpen, in een lange rij, op elkaar gedrukt. Niet iedereen paste in één keer op de veerpont, dus langzaam bewoog de groep naar voren. Ik stond bovenaan de weg, met meer vrouwen en kinderen. Vanaf daar lukte het nog één keer om mijn vader in de verte te zien, toen de menigte heel even stilstond. Dat was de laatste keer dat ik hem zag. Ik zwaaide. Hij zwaaide terug.’

Lenie in haar achtertuin, met uitzicht op de Maas en de veerpont. Foto: Eva Faché

Nooit heeft ze precies geweten waaraan haar vader is gestorven, legt ze uit. Volgens haar liepen de Kesselse arbeiders na de capitulatie in veertien dagen terug naar het dorp. Aangekomen in Kessel, waar nog steeds gefeest werd, overhandigden de verzwakte mannen een brief van Lenies vader. Hij had geschreven dat hij in een Duits ziekenhuis lag. Een bierbrouwer is in Duitsland nog op zoek gegaan naar Lenies vader. Frits Giesbertz bleek overleden te zijn.

In de weken, maanden en jaren na de bevrijding blijft Lenies moeder vragen stellen aan de mannen in haar café. Wat is er met haar man gebeurd? Is hij echt ziek geworden, was er een conflict met Duitsers? Een antwoord krijgt ze nooit. De mannen denken niet graag terug aan het harde werken en de lijfstraffen in Duitsland. Er wordt decennialang niet over gesproken.

Wat Lenie denkt dat hem overkomen is? ‘In het café vertelden ze mijn moeder niets. Alleen dat mijn vader loopgraven moest aanleggen en dat hij sterk anti-Duits was. Misschien was dat de oorzaak van zijn dood. Dat hij het vertikte bij Duitse boeren te bedelen om voedsel, en zo ondervoed is geraakt.’

Lenie's vader in het café (ca. 1940). Beeld: Lenie Giesbertz

Overhoop

Zijn dood zou Lenies levensloop voorgoed bepalen. Pierre gaat studeren in Delft, zij blijft in Kessel om te helpen in het café van haar moeder, die nu in haar eentje kostwinner is voor het gezin. ‘Ik wilde een cursus Engels doen’, herinnert Lenie zich. ‘Als het rustig was in het café, probeerde ik huiswerk te maken. Dan kwam mijn moeder steeds om te vragen of ik al klaar was. Ik was gek op lezen en leren, maar ik heb nooit kunnen studeren.’

Ze neemt het haar moeder niet kwalijk. ‘Zij heeft zich uit de naad gewerkt voor ons. In 1959 verkocht ze het café, en liet ze een huis bouwen aan de Maas. Na haar dood kreeg ik het huis. Dat was haar manier om mij te bedanken voor mijn hulp.’

De Volkskrant zoekt nog steeds bijzondere bevrijdingsverhalen, met name van boven de rivieren. Mailen kan naar bevrijding@volkskrant.nl.

Lenie in haar woonkamer, het huis kreeg ze van haar moeder. Foto: Eva Faché

Wat gebeurde er tijdens de kerkrazzia?

De mannen uit Kessel werden opgepakt als represaille voor een incident. ‘Eerder moesten Limburgers verdedigingswerken rondom de Maas aanleggen’, legt historicus Fred Cammaert uit. ‘Ze moesten zich daarvoor melden, maar bijna niemand deed dat. Nu zeiden de Duitsers: we pakken in één dag tweeduizend mannen op en sturen ze de grens over.’

Cammaert schreef het boek Sporen die bleven over de uiteindelijke drieduizend Limburgers die bij de kerkrazzia en in de weken erna naar Duitsland werden gestuurd. Dat waren er minder dan de 52 duizend mannen die een maand later in Rotterdam opgepakt zouden worden, maar voor de dunbevolkte omgeving van Limburgse dorpen bracht het een klap. De jongste die werd meegenomen, was volgens de historicus pas veertien jaar oud, de oudste was ver in de zestig.

Bloedhonden

In Duitsland belandden de Limburgers in erbarmelijke omstandigheden, volgens Cammaert soms vergelijkbaar met concentratiekampen. ‘In de fabrieken raakten ze ondervoed, kregen ze amper slaap, vatten ze kou en kregen ze lijfstraffen. Op plekken waar suiker werd gemaakt van bieten, begonnen de mannen suiker te eten, wat leidde tot opgezette benen en voeten.’

Van de drieduizend mannen overleden er ongeveer 120. Dat van de ongeveer tachtig mannen uit Kessel alleen Lenie’s vader stierf, was in die zin een geluk van het dorp. Kesselse mannen die loopgraven hadden aangelegd, kwamen daarna soms bij boeren terecht, waar de omstandigheden milder waren.

In een uitzending van Nieuwsuur is te zien hoe de Limburgse mannen getekend werden door hun maanden in Duitsland. Vaak praatten ze er decennialang niet over. Eén van hen huilt in de uitzending als hij vertelt over de bloedhonden in een werkkamp, en de keer dat hij zo met een knuppel werd toegetakeld dat hij niet meer kon lopen.

Deel dit verhaal