‘Ik kan nauwelijks meer horen en zien, maar mijn geheugen is nog zó goed.’ Foutloos zingt Tini Plompen (89) het Duitse kerstlied Leise rieselt der Schnee (Zachtjes dwarrelt de sneeuw) dat ze als kind moest leren van de nonnen op school.
Herinneringen aan de oorlog lepelt ze makkelijk op. Vooral herinneringen aan die ene ruimte in het huis, de opkamer. Ze zag hoe achtereenvolgens twee nazi’s, een Joodse vrouw en - direct na de bevrijding - twee Engelse soldaten er hun intrek namen. ‘En allemaal hebben ze in hetzelfde bed geslapen, ha!’
Aan optimisme geen gebrek in verzorgingstehuis Kempenhof in Valkenswaard. ‘Vanochtend dacht ik: ik voel me goed, het kan wel, een dagje zonder paracetamol. Stom natuurlijk, nu doen mijn benen pijn. Normaal slik ik er zes per dag.’
Haar zoon Peter zit dicht tegen haar aan, het lichaam gebogen naar het oor van zijn moeder. Met luide stem vertaalt hij de vragen in Brabants accent.
Peter: ‘Effe bij die Duitsers houden nog.’
Tini: ‘Wablief?!’
Peter: ‘Wat kunde gij nog herinneren van die Duitsers?’
Tini, glimlachend: ‘Die ene, Hans, dat was een lieve man. Hij zat tegen zijn zin in dienst. Maar Karl, dat was een echte mof! Elke dag de laarzen poetsen, dan glommen ze als ik weet niet wat. Dat was met de Engelsen later wel anders. Ja, het was een rare tijd, hoor.’
Dat laatste herhaalt Tini deze middag nog zeker drie keer.