Valkenswaard

Vreemden in huis: Tini woonde samen met Duitsers, een jodin en Britten

Tini Plompen in verzorgingstehuis Kempenhof. Foto: Katja Poelwijk

In het huis van het gezin-Plompen in Valkenswaard zaten tijdens de oorlog Duitsers ingekwartierd: Hans en Karl. In hetzelfde huis zat later een Joodse vrouw ondergedoken. En zij was niet de laatste gast.

Deel dit verhaal

‘Ik kan nauwelijks meer horen en zien, maar mijn geheugen is nog zó goed.’ Foutloos zingt Tini Plompen (89) het Duitse kerstlied Leise rieselt der Schnee (Zachtjes dwarrelt de sneeuw) dat ze als kind moest leren van de nonnen op school.

Herinneringen aan de oorlog lepelt ze makkelijk op. Vooral herinneringen aan die ene ruimte in het huis, de opkamer. Ze zag hoe achtereenvolgens twee nazi’s, een Joodse vrouw en - direct na de bevrijding - twee Engelse soldaten er hun intrek namen. ‘En allemaal hebben ze in hetzelfde bed geslapen, ha!’

Aan optimisme geen gebrek in verzorgingstehuis Kempenhof in Valkenswaard. ‘Vanochtend dacht ik: ik voel me goed, het kan wel, een dagje zonder paracetamol. Stom natuurlijk, nu doen mijn benen pijn. Normaal slik ik er zes per dag.’

Haar zoon Peter zit dicht tegen haar aan, het lichaam gebogen naar het oor van zijn moeder. Met luide stem vertaalt hij de vragen in Brabants accent.

Peter: ‘Effe bij die Duitsers houden nog.’
Tini: ‘Wablief?!’
Peter: ‘Wat kunde gij nog herinneren van die Duitsers?’
Tini, glimlachend: ‘Die ene, Hans, dat was een lieve man. Hij zat tegen zijn zin in dienst. Maar Karl, dat was een echte mof! Elke dag de laarzen poetsen, dan glommen ze als ik weet niet wat. Dat was met de Engelsen later wel anders. Ja, het was een rare tijd, hoor.’

Dat laatste herhaalt Tini deze middag nog zeker drie keer.

Tini Plompen bij haar ouderlijk huis in Valkenswaard. Foto: Katja Poelwijk.

‘Mond dicht en dooreten’

Als klein meisje zat ze grote delen van de oorlog opgescheept met wildvreemden in huis. ‘Iedereen die plek had, kreeg Duitsers ingekwartierd. Ingekwartierd ja, zo heette dat. En zo kregen wij dus Hans en Karl. Als jong gezin met kleine kinderen heb je liever geen vreemden in huis. Maar als wij in de huiskamer zaten, zaten zij er gewoon bij. Mamma en ik aan het breien, ons pap die de krant las en de Duitsers die in tijdschriften bladerden.’

‘Mond dicht en dooreten’, zei mijn vader altijd. Met de Duitsers erbij werd aan tafel alleen over het weer en andere bijzaken gesproken. Een echt verhaal vertellen, dat kon niet. Je kon jezelf niet uiten. Het was altijd ja en amen.’

‘Iedereen wist dat er Duitsers bij ons zaten, dat was heel normaal. Maar behalve een buurvrouw wist niemand dat we daarna ook een Jodin in huis kregen. Sina Moses, toen een jaar of 20, zat bij een tante ondergedoken, vlak bij een café waar ook veel Duitsers kwamen. Dat kon niet langer en dus kwam ze in het najaar van 1942 bij ons in de opkamer.’

Peter: ‘Wat kunde gij vertellen over Sina?’
Tini: ‘Toen ze ’s avonds kwam, zaten wij als kinderen allemaal op de trap. We waren bang, omdat ze niet zo knap was. Dat is niet iedereen gegeven hè, om knap te zijn. Maar ze was wel heel lief.’

‘Ik weet nog dat ze altijd zat te studeren in de opkamer, bang om gezien te worden. Ze leerde Hebreeuws, omdat ze na de oorlog naar Israël wilde.’

Sina Moses, het Joodse meisje dat onderdook in de opkamer van de familie Plompen. Foto: Katja Poelwijk. 

'’s Ochtends de vliegtuigen, ’s avonds de wagens'

‘Een keer ging ik samen met haar de straat op, omdat ze naar de tandarts moest. We wachtten tot het regende, zodat we samen onder een paraplu konden. Ze had dezelfde lengte als ik, dus dan viel het iets minder op. Ja, dat was wel spannend hoor. Maar in 1943 vertrok ze alweer, omdat ik nog een broertje kreeg. Er was geen ruimte meer.’

Zo verdween Sina uit huis. Waar ze naartoe ging is niet bekend, maar ze overleefde de oorlog. ‘Na de oorlog schreef ze ons vanuit Israël. Ik ben blij dat we haar het leven hebben kunnen redden.’

Jacky en Blondy

Tini: ‘Ja, het waren rare tijden, Peter.’
Peter: ‘En de bevrijding, wat weet je daar nog van?’

Tini: ‘’s Ochtends de vliegtuigen, ’s middags de bommen en ’s avonds de wagens met Engelsen. Ik weet nog dat ik bang wakker werd in een leeg huis, ze waren allemaal naar de Engelsen kijken. Daar kregen ze Kwatta (chocola, red.) en witbrood.’

Tini Plompen bij haar ouderlijk huis in Valkenswaard. Foto: Katja Poelwijk.

'Ergens zag ik ze als gelijken'

Valkenswaard werd bevrijd, maar voor Tini was de oorlog nog niet afgelopen. ‘Nu kregen we Engelsen in huis, Jacky en Blondy (‘een knappe, blonde man’). Er werd veel gesjanst door de soldaten. Zo ging Blondy met ons buurmeisje. Dat vond mijn moeder niks, ze wilde niet dat ze samen op straat liepen. Want ja: je weet niet wat een soldaat doet, hè. Je had eerder een kind van een soldaat te pakken dan de 100.000 in de loterij. Daarom zaten ze avond na avond bij ons binnen. Vrijen mocht niet: als ze in het portaaltje stonden te scharrelen, had mijn moeder altijd net ‘toevallig’ even iets nodig van achteren. Zelf wist ik van toeten noch blazen. Ik was 14 en echt nog een klein kind. We werden in de oorlog kort gehouden, niets mocht.’

Peter, nog steeds dicht tegen zijn moeder: ‘Aan wie heb je de meeste herinneringen?’
Tini: ‘Hans en Blondy, dat waren fijne mannen. Ja, de een was van de vijand en de ander een bevrijder. Maar als klein meisje zag ik ze ergens als gelijken.’

Deel dit verhaal