Oosterhout

Toon (98) reed door het ‘compleet vernietigde’ Duitsland – en kreeg medelijden met de vijand

Toon Kramer sloot zich aan bij de geallieerden. Beeld: Toon Kramer en Landesarchiv/C. A. Stachelscheid

‘Dit krijg je ervan, jullie zijn begonnen’, denkt Toon Kramer als hij het verwoeste Duitsland binnenrijdt. Toon is na de bevrijding als tolk op een Britse truck gesprongen. Maar hoe verder hij in Duitsland komt, hoe meer medelijden hij krijgt met de bevolking. 

Deel dit verhaal

Wie ooit in Münster is geweest, een klein uurtje over de Nederlands-Duitse grens, kent het als een bruisende stad. Maar dat is niet wat Toon Kramer (98) aantreft als hij er in 1945 doorheen rijdt, slechts twee weken na de Duitse capitulatie. De middeleeuwse Sint-Paulusdom? Verwoest. Het kasteel? Afgebrokkeld. De historische gebouwen rondom de markt? Ingestort.

‘Hé?’, vraagt Toon (dan 23) vol ongeloof aan de Britse chauffeur naast hem, van het legervoertuig waar ze samen in rijden. Waar ooit gebouwen stonden, ziet hij nu ‘een soort rotslandschap’ van puin, met hier en daar resten van gebouwen en gevels die overeind staan. ‘Ja’, antwoordt de Brit nuchter. ‘We hebben hier gebombardeerd.’ Langzaam manoeuvreert de truck langs bomkraters over de weg: een smalle, puinvrije strook dwars door de historische stad, waarvan ruim 90 procent verwoest is.

Het ‘rotslandschap’ waar Toon doorheen rijdt in Münster. Bron: Landesarchiv NRW. Fotograaf: C. A. Stachelscheid

Achter Toon en zijn chauffeur rijdt een kilometerslange militaire stoet. Ze zijn onderweg naar Dortmund, naar hun nieuwe militaire basis in de Britse zone in Duitsland, grofweg de noordwest-kwart van het land. Nazi-Duitsland is na bijna zes lange oorlogsjaren gecapituleerd, en ligt nu ademloos in haar eigen as. Ook Osnabrück is ‘helemaal plat’, ziet Toon als ze er doorheen rijden. Nederland is vergeleken hiermee onbeschadigd, denkt hij. Het ‘verwoeste’ Rotterdam was ‘maar’ twee keer groots gebombardeerd. Dortmund, het maanlandschap dat hij na een paar uur betreedt, is meer dan honderddertig keer gebombardeerd.

In het Britse militaire konvooi is Toon misschien wel de enige Nederlander. Zijn familie zit veilig thuis in het Brabantse Oosterhout, nog in de roes van de landelijke bevrijding. Maar Toon sprong na de bevrijding van Noord-Brabant in 1944 in een Britse truck om te helpen Duits geschut op te sporen. Na een paar weken met de Britten schreef hij zich op aanraden van een luitenant in bij het leger, zodat hij verzekerd was als hij in het ergste geval een been zou verliezen. Wat Toon zich niet realiseerde, was dat het contract drie jaar liep.

Nu kijkt hij vanuit het voertuig naar de Duitse meisjes en vrouwen die stenen aan het ruimen zijn. Mannen zijn er vrijwel niet. Als Toon er wel een ziet, dan is-ie ‘invalide of bejaard’. Alleen al aan het Oostfront stierven 3.8 miljoen Duitsers, 11 miljoen zitten in krijgsgevangenkampen.

‘Trümmerfrauen’, oftewel puinruimsters, werkten aan de wederopbouw van Duitsland. Beeld: Getty Images

75 jaar later ziet de 98-jarige Toon de totale verwoesting in het Ruhrgebied zo weer voor zich. Hele steden zonder basisvoorzieningen zoals wegen, winkels, met puinvrouwen die eindeloos lijken te ruimen. In Dortmund ontmoet hij een paar dagen na zijn aankomst een oude meneer ‘van goede stand’ op straat. Hoed op, das om. Een vrouw bikt stenen, hij maakt er stapeltjes van. Toon vraagt waarom. ‘Waarom? Hier stond een instituut waar ik directeur van was. Ik ga het weer opbouwen.’ De 23-jarige Toon luistert, knikt maar denkt: dit komt nooit meer goed. ‘Dit land was zo verwoest, dacht ik. Dat kúnnen ze niet opbouwen.’

Veel Duitse steden waren verwoest, zoals Leipzig

Geritsel

Dat Toon anders dan andere Nederlandse jongens in 1944 aan boord springt van een Britse truck, komt niet uit het niets. Met een glimlach op zijn stokoude gezicht vertelt hij over het ‘geritsel’, al in 1942. Na het gymnasium werkt Toon op een distributiekantoor. Hij hoort zijn chef ‘ritselen’: het geluid van voedselbonnen die hij achterover drukt voor onderduikers in Utrecht. Toon begint zelf ook te ritselen.

Als 19-jarige rolt hij het verzet in. In een schetsboekje tekent hij nu hoe je een spoorrails los schroeft, iets dat hij rond zijn twintigste veel deed, als onderdeel van de verzetsgroep van Deurne in het toen nog niet ontgonnen, steppe-achtige landschap van De Peel. Met kwajongensglimlach vertelt hij hoe je ‘Spaanse Ruitertjes’ maakt, ijzeren sterren die hij over de weg strooide om Duitsers klapbanden te bezorgen. Toons gezicht wordt ernstiger als hij vertelt hoe hij na de bevrijding van Brabant als tolk voor het Britse leger naar de frontlinie in de Betuwe moest. Hoe een Londense maat daar een fatale kogel ving, op een patrouille die hijzelf had moeten lopen.

Was het niet rot om na die ellende naar Duitsland te gaan? ‘Integendeel.’ Toon vertelt geërgerd hoe de Nederlandse overheid in mei 1945 aan het roer kwam. Dat oorlogspremier Gerbrandy beloofde ‘orde te herstellen.’ De hoogbejaarde Toon steekt plots zijn middelvinger op. ‘Orde? Je had in Nederland vijf jaar lang verzetsgroepen, die deden iets. Dan komt een stel ministers die vier jaar in Londen heeft zitten klootviolen, en roept de premier dat hij orde gaat herstellen? Publiceren ze een lijst met de ‘echte’, betrouwbare verzetsgroepen? Deurne werd niet eens genoemd, man!’

Even is Toon stil. ‘Nederland viel me zo tegen, jongen. Ik was blij dat ik weg kon.’

Toon (rechts voor het voertuig in Dordrecht) sloot zich als tolk aan bij de geallieerden. Beeld: Toon Kramer

In Duitsland zijn de rollen omgedraaid, met geallieerde legers die nu elk hun eigen zone ‘bezetten’. De Fransen en Russen waren ‘wraaklustig’, zegt historicus Hanco Jürgens van het Duitsland Instituut. De Britten waren relatief mild: anders dan Frankrijk waren ze niet bezet geweest en het land wist al vroeg dat ze Duitsland als bondgenoot nodig zouden hebben tegenover de Sovjet-Unie.

‘Dit krijg je ervan’, denkt Toon zelf nog even als-ie net in het verwoeste Duitsland is. ‘Jullie zijn begonnen.’ Maar naarmate hij meer door Dortmund struint en burgers spreekt, verandert dat gevoel in medelijden.

Wie geht’s?, vraagt-ie de brouwer van de bierbrouwerij waar het Britse leger nu de baas is. Gaat wel, behalve dat Amerikaanse soldaten bier afdwingen zonder iets te geven. Was brauchst du? Fusten? Oké, dan maken we een nieuwe regel: militairen mogen bier bij je halen, zolang ze een fust regelen en meebrengen. Gut? Prima.

De bezettingszones na de capitulatie van Nazi-Duitsland. Dortmund behoorde tot de Britse zone. Bron: themaparchive.com

Op het gymnasium was Toon naar eigen zeggen nog ‘heel verlegen’. Streng opgevoed: altijd met twee woorden sprekend. Pas in de oorlog kwam de rebel naar boven. Gek werd-ie van Duitse bevelen, steeds met nieuwe regeltjes: dit mag niet, dat mag niet. ‘Wanneer ben ik bevrijd? In 1942 al, toen ik bij het verzet ging. Vrij van het gezag van de bezetter.’ In het leger leerde hij Engels, door gesprekken met krijgsgevangenen werd zijn Duits beter. De rustige jongen uit een gegoede familie werd mondiger, kende weinig angst, was misschien ‘ietwat onnozel’. Een perfecte tolk.

In de oorlog had hij een hekel gehad aan de eindeloze regeltjes van het naziregime, maar haten deed hij Duitsers niet. Op een patrouille in de Betuwe vond Toon een gewonde Duitse parachutist. ‘Hij had een bontjas om, toen we die opendeden bleek dat zijn darmen eruit lagen.’ Toon beschrijft hoe hij de ingewanden terugduwde en een plan bedacht om hem snel naar een ziekenboeg te krijgen. Waarom? Toons oude hoofd denkt hard na. ‘Het was alsof je in dezelfde fabriek werkt. Hij had hier ook niet voor gekozen.’

In Dortmund ziet hij mensen die niéts meer hebben, in een land waarvan Toon denkt dat het er nooit meer bovenop gaat komen. Hij ontmoet een oud-rector van een gymnasium, in de oorlog ontslagen omdat hij geen lid werd van de nazipartij. Nu leed zijn gezin honger. Ondanks het non-fraternising-policy in de Engelse zone – militairen mochten niet met Duitsers omgaan – brengt Toon ze elke week een blik sigaretten, de valuta in het naoorlogse Duitsland.

‘Wanneer ben ik bevrijd? In 1942 al, toen ik bij het verzet ging.’ Beeld: Toon Kramer 

Duitse meisjes

Niet alleen Toon heeft lak aan het verbroederingsverbod. ‘Wäsche? Wäsche? Wäsche?’, klinkt het in vrouwenstemmen als Toon uit de kazernepoorten komt. Buiten ziet hij rijen Duitse meisjes, de meesten tegen de 18. Wassen?, denkt hij. ‘U hebt toch wasgoed?’, zegt een meisje. ‘Sokken enzo? Geef die aan mij en u hebt ze overmorgen terug.’ In de militaire basis bediende niemand de wasserij, legt Toon nu uit, dit was de oplossing. En, zegt Toon met een glinstering in zijn ogen: ‘als je een meisje jouw Wäsche gaf, dan betekende dat automatisch dat het jouw vriendin werd.’

Terwijl Toons kameraden naar het café gaan en slapen met Duitse tienermeiden, raakt hijzelf ‘geïntrigeerd’ door een vrouw van rond de 28. Ze is ‘een beetje chique’, heeft een ‘andere houding’ dan veel wasmeiden. ‘Waar is je man?’, vraagt hij als ze terugkomt met zijn was. ‘Aan het Oostfront.’ Waar kom je vandaan? ‘Oost-Pruisen.’ Daar waren Russische bevrijders stelend en verkrachtend doorheen getrokken. ‘Ze was alles kwijtgeraakt’, zegt Toon. ‘Voor de oorlog was ze gravin van een groot landgoed, haar man kolonel in het leger. Nu was alles weg en haar man was waarschijnlijk dood.’ Toon brengt haar wekelijks een blik sigaretten.

De twee uur waarin Toon uitgelaten over zijn tijd in Duitsland vertelt, klinken als een avontuurlijke Netflixserie. Hij regelt een impresario voor het entertainment op de kazerne, ooit beroemd en met bezittingen verspreid over hotels door het vernietigde Duitsland. Toon rijdt naar de Franse zone om een koffer met kleren terug te halen, in een hotel dat het hoofdkwartier van de nieuwe bezetter blijkt. Als dank krijgt hij een maatpak. Toon zorgt ervoor dat Italiaanse krijgsgevangen ‘heerlijk koken’ in een villa met Britse legercommando’s. Krijgt marsorders om naar de Moezel af te reizen, nadat hij daar een boer ontmoet die hem flessen ‘fantastische witte wijn’ geeft in ruil voor benzine.

Toon (linksachter met bril) in Duitsland met twee krijgsgevangen Italiaanse koks (linksvoor) en twee Britse militairen (rechts). Beeld: Toon Kramer

Als persoon groeit Toon. Hij leert dat hij goed kan praten. Als verzetsjongen was hij ‘een onbenul’, zegt hij zelf, nu is hij minder roekeloos. Met enige trots blikt hij bijna 75 jaar later terug hoe het Britse anti-verbroederingsbeleid werd afgeschaft, mede dankzij een tekst die hijzelf geschreven heeft.

Zijn bewondering voor de veerkracht van Duitse burgers groeit ook. De man die eerder steentjes stapelde bouwt zijn ingestorte instituut daadwerkelijk op. De gravin begint een fabriekje voor dameshoeden. Veel sneller dan gedacht herstelt Duitsland, zegt ook historicus Jürgens. ‘De laatste twee jaar van de oorlog was een totale oorlog, alles en iedereen werd ingezet om de industrie draaiende te houden. Met die mentaliteit kregen Duitsers het land weer overeind.’

Anderhalf jaar na zijn aankomst neemt Toon afscheid. Terug in Nederland, rijdend met zijn colonne door het Gooi, vraagt een Britse kameraad: ‘Is hier oorlog geweest?’ Toon zelf kan de totale vernietiging over de grens ook niet rijmen met het alweer nette, georganiseerde en vooral ‘heel brave’ Nederland. Hij praat niet over wat hij in Duitsland meemaakte. Nu veert hij op tijdens het vertellen. Toen herinnerde hij zich na terugkomst vooral hoe ‘compleet vernietigend’ een oorlog kan zijn. ‘Het was vreselijk. Ik wilde het vergeten.’

Toon wordt journalist. Vanuit Hilversum volgt hij het nieuws over Duitsland op de voet. In 1949 smelten de Engelse, Britse en Franse zones samen tot de Bondsrepubliek. Begin jaren vijftig is Duitsland deels al heropgebouwd, met een economie die redelijk functioneert en steden die leefbaar zijn. ‘Een ongelofelijke prestatie’, zegt Toon. In de oorlog had hij een hekel gehad aan het naziregime, ja. ‘Maar toen ik hoorde hoe ze daar na de oorlog aanpakten, na alle ellende en vernietiging die ik had gezien. Ja, dat maakte me toch vrolijk.’

Toon Kramer is zaterdag 23 mei overleden. Hij werd 98 jaar.

Toon Kramer (1922 - 2020). Foto: Rebecca Fertinel 

Nederlanders in Duitsland na de capitulatie

Hoeveel Nederlanders kort na de oorlog naar Duitsland gingen, is volgens historicus Jürgens moeilijk te schatten. ‘Niet veel, want Nederlanders konden niet zonder toestemming de grens over.’ Jürgens wijst op de Nederlandse jongens die zich tijdens de oorlog al bij het Britse leger aan hadden gesloten, de Engelandvaarders. ‘En je had Nederlandse priesters en dominees: die gingen voor geestelijke bijstand.’ In 1947 maakte journalist Hans Nesna een reis door Duitsland. Nesna was toen bepaald minder Duits-gezind dan Toon nu, blijkt uit zijn boek Zoo Leeft Deutschland. ‘Je leest hoe hij geniet dat de rollen omgedraaid zijn. Als hij bij Duitsers aanklopt, roept zijn fotograaf ‘Aufmachen!’.

Dit verhaal kwam tot stand met medewerking van Iris Timmer

Deel dit verhaal