Gaanderen

Tiny (91) had de saamhorigheid na de oorlog ‘voor geen goud’ willen missen

Beeld: Rebecca Fertinel

Tijdens de oorlog maakte ze genoeg naars mee, maar de uitzonderlijke tijd erna had Tiny van de Graaf-Burgers (91) nooit willen missen. ‘Mensen hielpen elkaar.’

Deel dit verhaal

Ze wil de oorlog heus niet mooier maken dan het was. Tiny van de Graaf-Burgers (91) heeft genoeg naars meegemaakt. Zoals die keer dat haar vader door de Duitsers werd meegenomen. Haar moeder was bang dat hij niet meer terug zou komen. En ook de bende in huis, nadat ze maanden geëvacueerd waren geweest. ‘Arnhem lag in puin, al onze meubels waren weg. In elke kamer hadden Duitsers gepoept en geplast. Mijn leesboeken waren weg: met het papier ervan hadden ze hun billen afgeveegd.’

Maar toch. ‘De saamhorigheid daarna had ik voor geen goud willen missen’, zegt ze.

‘Dat heb ik nooit meer meegemaakt.’ Ze heeft een sigaret opgestoken en wijst voor het raam van haar appartement naar buiten. ‘Tegenwoordig is het: ieder voor zich. Mensen gooien hun troep bij de vuilnisbakken op de grond. De huizen van mijn oude buren zijn verkocht en aan studenten verhuurd, die rennen hier als wilden over de trap.’

Dat was in de oorlog wel anders, zegt ze met een glimlach. ‘Mensen hielpen elkaar. Het was wij of de Duitsers’, herinnert ze zich. ‘Die tegenstelling bestond in mijn beleving altijd, dus dat ‘wij’ voelde almaar sterker. Het was een uitzonderlijke tijd.’

Opgepoetst

Tuurlijk, geeft ze ook toe. Nu is ze een oude vrouw, zijn veel familieleden en vrienden dood, leeft ze relatief geïsoleerd. Ze wil ook niet zeuren tegen die studenten. In de oorlog was ze zelf een meisje in de bloei van haar leven, in de binnenstad van Arnhem ‘waar iedereen elkaar kende’.

Dat kwam ook door het beroep van haar vader: hij was de wagenmaker van de stad. Een beetje wat nu een automonteur is. ‘Vroeger waren houten karren het vervoer: bakfietsen, wagens om achter paarden te spannen.’

Haar vader leek een stugge man, herinnert Tiny zich. ‘Als iemand in zijn werkplaats kwam en hij had geen zin om met ze te praten, dan negeerde hij ze gewoon. Maar ik wist wel beter. Af en toe streek ik over zijn arm, of liep ik achter hem langs om een kus op zijn kale kruin te geven.’

Hij was apetrots op zijn drie dochters, waarvan Tiny de oudste was. ‘Na het kerkbezoek wandelde hij elke zondag met ons door de drukke winkelstraat. Dan moesten we opgepoetst met hem mee, mijn moeder op hoge hakken. Hij wilde ons aan de hele stad laten zien.’

Tiny (helemaal links) en het gezin. Beeld: Rebecca Fertinel

Weinig inbreuk

In de oorlog zag Tiny dat saamhorigheidsgevoel al aan hoe ‘de volwassenen’ wisten wie de NSB’ers in de stad waren. ‘Die werden dan volledig genegeerd.’ Van haar vader wist ze wel dat hij sterk anti-Duits was. Ze kon er maar beter niets over zeggen thuis, want dan was het ‘rotmoffen dit’ en ‘rotmoffen dat’. Als Duitse militairen hem vroegen om hun karren te repareren, vertelt Tiny ernstig, dan maakte hij weleens ‘kleine foutjes’.

Zelf was ze ‘een lief en vroom meisje’. Misschien wel een draak voor haar vriendinnen, zegt Tiny, maar verder hield ze zich netjes aan de regels. Eigenlijk maakte de oorlog zelf relatief weinig inbreuk op haar leven als tiener – ze ging naar pianoles, naar zangles. Tot ze in 1944 een goede vriend verloor bij het bombardement op Nijmegen. ‘Dat hakte er wel in.’

Later dat jaar moesten Tiny’s vader, moeder, haar zusjes en 150.000 andere Arnhemmers hun woning verlaten. Op 17 september begon Market Garden: de geallieerden probeerden een strook van Nederland te bevrijden, zodat ze via die route de fatale klap aan Duitsland konden geven.

Eindhoven en Nijmegen werden bevrijd, maar het plan mislukte bij de Slag om Arnhem. Een week lang werd er om Arnhem gevochten, uiteindelijk wonnen de Duitsers. Aan het eind kregen Arnhemmers te horen dat ze de volgende dag zouden moeten evacueren. De frontstad was niet meer veilig.

Tiny van de Graaf genoot van de saamhorigheid na de bevrijding. Foto: Rebecca Fertinel. 

Vrij als een vogeltje

Met haar vader, moeder en zusjes fietste Tiny naar familie in de Achterhoek. ‘Opnieuw die saamhorigheid’, zegt Tiny. ‘We moesten met een bootje de IJssel over, daarna was het te laat om tot ons eindpunt te gaan. We kwamen een oude knecht van mijn vader tegen, die regelde een slaapplek voor ons bij wildvreemden.’

De volgende dag had het gezin in het dorp Gaanderen opnieuw geluk: een oom had net een huis laten bouwen, waar tot een dag eerder Duitsers in gelegerd zaten. ‘Nu had hij graag dat wij er tijdelijk kwamen wonen, omdat ‘ie niet opnieuw moffen in zijn huis wilde’.’

Tiny’s ouders hielpen in die maanden veel mee met familie, haar zusjes gingen naar school. Maar omdat Tiny als 16-jarig meisje net aan het hoger onderwijs begonnen was en er in de buurt geen geschikte school voor haar was, voelde het voor haar als een lange vakantie. ‘Ik was zo vrij als een vogeltje.’

Beeld: Rebecca Fertinel

Opwindend

Het was maart 1945, de geallieerden kwamen dichterbij. Tiny voelde de grond elke dag trillen, als de Duitse plaats over de grens weer gebombardeerd werd. Het was de week voor Goede Vrijdag, elke dag ging ze naar de kerk, en zag ze luchtgevechten boven haar hoofd.

Op 1 april was het zo ver, herinnert ze zich. ‘We sliepen in de kelder vanwege alle luchtgevechten. Vroeg in de ochtend riep mijn moeder dat ik buiten moest gaan kijken omdat de geallieerden kwamen. Ik rende naar buiten. Iedereen praatte met elkaar. Met jeeps en een heleboel lawaai kwamen de Canadezen het dorp binnenrijden. Dat was heerlijk om te zien. Opwindend voor een meisje van 16! De bevrijders waren er.’

Tiny rende terug naar huis om haar vader te halen. ‘Mijn moeder en de andere kinderen stonden buiten. Maar mijn vader lag in de kelder. Ik ging naar hem toe, en zei: ‘Pap, kom naar boven, want de Canadezen zijn er.’ ‘Mwah’, zei hij slaperig. ‘Het is 1 april.’ Hij draaide zich om en bleef liggen. Hij kon het niet geloven en dacht dat we een grap met hem uithaalden.

‘Mijn vader heeft niets van die bevrijding gezien of meegemaakt. Zoals ik al zei: het was een stugge man. Hij geloofde alleen wat hij zelf zag en wat hij zelf gemaakt had. Dat hij meteen aan 1 april had gedacht, vind ik achteraf wel indrukwekkend.’

‘Mijn vader heeft niets van die bevrijding gezien of meegemaakt.' Beeld: Rebecca Fertinel

Volwassen

Tiny’s moeder was na de bevrijding van Gaanderen de eerste die terugging naar Arnhem. Zij trof een lege en smerige woning aan – de keukentafel was weg, de stoelen waren weg, de bedden waren weg. Overal lagen uitwerpselen. Tiny heeft het nooit hoeven zien. ‘Ik weet niet hoe ze het gedaan heeft, want er was geen water. Maar mijn moeder heeft alles daar schoongemaakt.’

Een neef van haar moeder was meubelhandelaar in Doetinchem en zorgde voor nieuwe meubels. Al het gereedschap van haar vader was gestolen, maar een oude knecht was al eerder teruggegaan naar Arnhem en had wat meegenomen – ‘weer die saamhorigheid.’ Met een vrachtautootje vol meubels reed het gezin een paar weken later terug naar huis.

‘Vader maakte bedden van oude wielnaven. Moeder haalde overal potten, pannen en servies vandaan. Ze was zo’n inventieve, vrolijke vrouw. Mijn boeken waren weg, maar de piano stond er nog. Die hadden de Duitsers door het raam geprobeerd naar buiten te krijgen, maar dat paste niet.’

Tiny herinnert zich de wederopbouw van hun huis, van de stad Arnhem. ‘Mijn vader kreeg nieuw hout van een oude relatie. Elke paar weken kwam er wagens van Amsterdam helpt Arnhem en Hulp Aktie Rode Kruis, dan mocht je spullen uitzoeken. Ik vond via-via een baantje als administratief medewerker.’ Voor de oorlog was ze een meisje geweest, zegt Tiny, na de bevrijding was ze volwassen.

Hulpmateriaal uit vrachtwagens van het initiatief 'Amsterdam helpt Arnhem' wordt uitgedeeld. Beeld: NIOD. Bron: Beeldbank Wo2. 

Vrachtauto’s vol meubels en kleren: solidariteitsacties na de bevrijding

Zoals burgers in de coronacrisis hulpacties starten, zo helpen Nederlanders elkaar ook na de bevrijding. Dat begint al voor mei 1945, legt historisch onderzoeker Regina Grüter uit. Brabanders en Limburgers, die al bevrijd zijn, maken pakketten met voedsel en spullen. Wanneer nieuwe gebieden bevrijd worden, rijden vrachtauto’s van het Rode kruis onder het motto 'Zuid helpt Noord'. Ze brengen de pakketten naar dorpen en steden met schaarste en honger. Later ontstaat ook ‘Noord helpt Zuid’, waarmee Hollanders iets teruggeven aan getroffenen in Zeeland, Noord-Brabant en Limburg.

Veel hulp kwam in het zwaar getroffen Arnhem terecht. De schade daar was enorm, zegt Gruter, met kapotgeschoten stadsdelen en plunderingen door Duitse militairen. 'Rotterdam was ook hard getroffen, maar die stad was tijdens de oorlog deels al heropgebouwd.’ Arnhemse evacués wordt na de bevrijding verboden om terug te gaan naar hun verwoeste stad. ‘De overheid wilde het puin eerst ruimen.’ Toch kwam de stroom Arnhemmers op gang, deels omdat gemeenten in Groningen, Friesland en de Achterhoek van hun evacués afwilden. Thuis troffen families zoals die van Tiny verwoeste huizen aan, met meubilair, keukenspullen en boeken die massaal weggeroofd waren.

De Hulpactie Rode Kruis verzamelt in 1945 spullen voor Arnhem: kleren uit Amerika, potten en pannen, bestek, meubilair. Ook komen particuliere initiatieven op gang en de Amsterdamse gemeenteraad zet de actie ‘Amsterdam helpt Arnhem’ op touw. Eén oproep aan Amsterdammers om oude spullen te doneren aan Arnhem luidde zo: ‘Men achte niets ongeschikt, doch zij ook niet spoedig tevreden.’ Op foto’s zijn volle vrachtauto’s te zien met schoteltjes, borden, stoelen, banken. Meisjes zoals Tiny zoeken er naar spullen om hun leven weer op te pakken. ‘Bedenkt’, lezen Amsterdammers op een affiche uit die tijd, ‘dat Gij nog altijd gebruik kunt maken van bibliotheken. In Arnhem is dit niet mogelijk.’

Dat juist Arnhem veel hulp kreeg, was niet zo gek. Elke Nederlander wist hoe hard er in Arnhem was gevochten, en dat de geallieerden daar een fatale nederlaag hadden geleden. Met operatie Market Garden lukte het Britten, Amerikanen en Canadezen niet om Arnhem in te nemen en al in 1944 door te stoten naar Duitsland. Arnhem was in de ogen van Nederlanders de tragische stad die bij uitstek medeleven verdiende, en daarom extra steun kreeg.

Hielpen al die solidariteitsacties in de wederopbouw? Gruter, lang werkzaam als hoofd Oorlogsnazorg voor het Rode Kruis en onderzoeker bij het NIOD, heeft dat nooit onderzocht. ‘Maar als je kijkt naar het verhaal van Tiny – hoe zij gedoneerde spullen kan uitzoeken en hoe haar vader met nieuw gereedschap weer aan de slag kon – is duidelijk dat die steun cruciaal was.' Vooral psychologisch, denkt Gruter, heeft het de Arnhemmers geholpen er weer bovenop te komen.

Deel dit verhaal