Well

Ser Laarakker was een van de laatst bevrijde Limburgers

Ser Laarakker in zijn huis in de grensstreek in Limburg. Foto: Eva Faché.

In het Limburgse Well waren Duitsers je buren en soms familieleden. Tot de oorlog dat verstoorde. De schaamte over het verleden speelt nu nog steeds in de onderlinge contacten.

Deel dit verhaal

‘Welkom in Duitsland’, de sms komt binnen als je het erf van Ser Laarakker oprijdt, nog nét in Nederland. Even later, in de achtertuin, wijst de 80-jarige Limburger een rij bomen aan, zo’n zestig meter achter zijn huis. In dik Noord-Limburgs accent vertelt de gepensioneerde boer dat het de grens is, en het gras achter de bomen dus Duits gras.

In deze streek woont Ser al zijn hele leven. De boerderij van zijn vader lag in de oorlog op zeven kilometer van het dorp Well, tegen de Nederlands-Duitse grens. Toen Well eind 1944 aan de frontlinie kwam te liggen en geëvacueerd werd, bleef alleen de boerderij van de Laarakkers bewoond. De bevrijding van Nederland begon met het Limburgse dorpje Mesch, maar een groot deel van de provincie bleef lang bezet. Pas een half jaar later, in maart 1945, werden de allerlaatste Limburgers bevrijd, onder wie Ser en zijn ouders.

Na de bevrijding ging het boerenleven gewoon door, herinnert Ser zich. Tegelijkertijd was alles anders. Sers vader verkocht zijn stuk Duitse grond en Duitse knechten van voor de oorlog bleven voortaan in hun eigen dorp over de grens. Vanaf zijn achtertuin kijkt Ser naar zijn Duitse buren achter de bomen, mensen van dezelfde leeftijd. ‘Volgens mij schamen ze zich nu nog een beetje over die oorlog.’

Ser Laarakker woont in de grensregio. Achter de bomen ligt Duitsland. Foto: Eva Faché, 

Geen vijanden

Tot de Tweede Wereldoorlog hadden veel Wellse boeren juist stukken land in Duitsland, legt lokaal archivaris Michel Stevens uit. ‘Tot 1794 was dit allemaal Pruisen. Daarvoor al trouwden veel inwoners hier met Duitsers, en raakten families verbonden.’ De bezetting van Well in 1940 verliep gemoedelijker dan op andere plekken in Nederland. ‘Duitse soldaten waren soms familieleden’, zegt Stevens. ‘Op de dag van de bezetting gingen zij in Well op de koffie bij een Nederlandse oom of tante.’

In het Noord-Limburgse dorp waren geen Joden, lange tijd werden Duitsers nauwelijks als vijand gezien. ‘De Wellnaren hadden generaties lang tussen Nederland en Duitsland geleefd’, zegt Stevens. Hij vertelt over de ongeveer twintig NSB’ers uit het dorp, die in het dorp weinig aanzien verloren. ‘Ze werkten op het vliegveld in Venlo. Als ze met de bus terugkwamen, wilden de mensen uit het dorp alle verhalen van ze horen.’

Grens op papier

In de jaren twintig had Sers vader zijn boerderij van een ‘notabele Duitser’ gekocht, het huis zag er eerder Duits dan Nederlands uit. Hij verbouwde vooral graan en had voor die tijd veel land. ‘Als je voor de oorlog een stuk grond in Duitsland had, mocht je aan beide kanten van de grens afzetten’ legt Ser uit. ‘Dus dat deed hij.’ Voor de oorlog werkten er altijd Nederlandse en Duitse knechten, volgens Ser bestond de landsgrens ‘alleen op papier’.

Tijdens de oorlog werd die Duitse invloed op de boerderij militair van aard. Luitenant Cardel betrok zijn kantoor in het huis van de familie, achter de boerderij lag een Duitse bunker. Ser, die toen 4 jaar was, herinnert zich dat zijn vader en Cardel ‘normaal’ met elkaar omgingen, ‘van vijandigheid was niets te bespeuren’.

Schuur aan flarden

Een maand nadat geallieerden in 1944 voet op Nederlandse bodem zetten, raakte Well in het nauw. De geallieerden kwamen de Maas niet over, die Limburg verticaal in tweeën sneed. Well lag ingesloten tussen de rivier aan de westkant en de Duitse grens aan de oostkant. In oktober begonnen de Engelsen vanaf hun kant van het water op de kerktoren van het dorp te schieten, die de Duitsers als uitkijkpost gebruikten. Als reactie schoten Duitse kanonnen aan de grens over het dorp terug. Well werd zwaar getroffen, op een gegeven moment was eenderde van de huizen onbewoonbaar.

Ser speelde in die maanden buiten, toen hij plotseling ‘luide knallen’ hoorde en ‘vier enorme vuurmonden’ van Duitse kanonnen zag. ‘Ik rende naar huis, want als Duitsers vier granaten schoten, kwamen er veertig van de Engelsen terug.’ Hij moest zoals zo vaak de schuilkelder in, waar Ser het kabaal van de granaten hoorde dreunen. Zijn broer ontsnapte in die tijd op het nippertje aan een granaatscherf. Toen Well in januari nog niet bevrijd was, werden alle inwoners geëvacueerd. Op de boerderij van Sers vader na.

‘Ik begreep daar niets van’, herinnert Ser zich. ‘Ik had al mijn spullen al in een juten zak gedaan, want we stonden op het punt om te vertrekken. Maar dan ging het toch niet door, en dat ging een paar keer zo. Terwijl we nog meer aan het front kwamen te liggen en onze hele schuur aan flarden werd geschoten.’

De boerderij van de familie Laarakker. Foto: Eva Faché. 

Gegijzeld

De boerderij van vader Jozef Laarakker ligt die maanden vol met Duitsers. Twintig man slapen in het ‘schaftlokaal’, onder wie militairen, chauffeurs van de luitenant, een dokter, een kok en onderofficiers. Dat valt allemaal te lezen in het verslag van de boekhouder van de boerderij uit 1964. Ser weet nog wel dat het huis altijd vol en de tafel altijd gedekt was, omdat er ook evacués waren. ‘Ik denk soms dat we gegijzeld werden door luitenant Cardel, zodat de boerderij niet beschoten zou worden.’

De boekhouder schrijft dat Duitse ‘hoogwaardigheidsbekleders’ wel pogingen deden om de Laarakkers weg te krijgen, maar dat Cardel daar steeds een stokje voor stak. De explosies namen toe, dakpannen vlogen van het dak. Ser: ‘Mijn moeder was erg gelovig. Ik moest van haar elke avond knielend de rozenkrans bidden, om onze boerderij te beschermen.’

Klein blokje chocolade

Eind februari wordt het stiller. De Duitsers zijn gevlucht. Kort na zijn vertrek sneuvelde luitenant Cardel in een Duits buurdorp, blijkt later.

Ser ziet nog voor zich hoe de drie of vier Canadezen begin maart het erf op komen lopen. Als 5-jarige kruipt hij het keldergat uit om ze te begroeten. Maar het wordt geen makkelijke bevrijding. De Canadezen denken dat ze al in Duitsland zijn, door het uiterlijk en de ligging van de boerderij. Sers ouders hebben moeite hen ‘te overtuigen dat ze Nederlanders zijn’ en dat hun boerderij op Nederlands grondgebied ligt, schrijft de boekhouder.

Wanneer de Canadezen de ouders van Ser uiteindelijk geloven, hijsen ze de Nederlandse vlag, maar per ongeluk ondersteboven. Ser herinnert zich nog het ‘kleine blokje’ chocolade dat hij kreeg. ‘Waarschijnlijk was de meeste chocolade opgegaan bij dorpen die eerder bevrijd waren.’

Foto's van de familie Laarakker. Ser staat op de foto rechtsboven. Foto: Eva Faché. 

Gejat spul

Voor Sers gevoel wordt die bevrijding in mei 1945 nauwelijks gevierd. Dat gebeurt pas 19 jaar later, als het bakhuisje (waar brood werd gebakken) tot kapel wordt omgetoverd, als dank aan God dat het huis nooit getroffen is. ‘Mijn moeder kon daar nooit over ophouden. Dus dat jaar werd er wel gefeest. Knechten, buren, vrienden van mijn ouders. Er was vlaai, lekker eten en bier en wijn. Maar er was geen Duitse knecht of kennis meer te bekennen.’

De boerderij was vlak voor de bevrijding tweemaal geplunderd door SS’ers, beide keren werd zijn vader bijna doodgeschoten. Duitse mannen fietsten met karren vol ‘gejat spul’ terug de grens over, paarden en rijtuigen verdwenen. ‘Zelfs de beste Pruis heeft een paard gejat’, werd volgens Ser en de lokale archivaris een gezegde in de streek.

Sers vader verkocht zijn Duitse land, exporteerde niet meer naar Duitsland en nam geen Duitse knechten meer aan, ook door nieuwe wetgeving. Het gevoel van verwantschap met het buurland stierf uit.

Klappen

Anno 2019 is die band tussen Well en Duitsland grotendeels hersteld, zegt voorzitter van de heemkundekring Ger Peters (68). ‘De burgemeester van een Duits buurdorp komt hier sinds een paar jaar naar de herdenking in mei. En elk jaar worden er kaarsjes gebrand op het Duitse oorlogskerkhof bij Venray, door een Nederlandse jongen die bij het leger zit nota bene.’

Maar voor de generatie van Ser en de ouders van Ger ligt dat anders, geeft Ger toe. Hij herinnert zich hoe zijn ouders het altijd over de ‘moffen’ hadden, en hoe hij als jongetje tegen elke Duitse voetbalclub was. Gers ouders vertelden hem over de dansavonden in de jaren vijftig en zestig in het dorp, waar Duitse jongens standaard klappen kregen als ze aanpapten met Limburgse meisjes.

Het is die tijd waarin Ser één oude Duitse werknemer zag, die terugkwam op de boerderij om toch een praatje met zijn vader te maken. ’Jozef,’ zei hij volgens Ser, die het zich precies zegt te herinneren, ‘ik heb me zo geschaamd dat ik niet durfde te komen.’

Ser denkt dat die schaamte nog steeds een rol speelt. Met de Duitsers die de afgelopen 36 jaar asperges bij hem kochten, voelde het contact vaak ‘anders’ dan met Nederlandse klanten. ‘Iedereen van mijn generatie is zich bewust van de geschiedenis.’

Hoe een zachte grens een harde grens werd

Het verhaal over de boerderij van Sers vader staat niet op zichzelf, zegt historicus Jan Brauer, die aan de UvA promoveert op de Nederlandse grensstreek in oorlogstijd. Brauer beschrijft hoe de grensregio voor de Tweede Wereldoorlog vol lag met Nederlandse en Duitse boerderijen met grond aan beide kanten. Een traktaat uit 1816 regelde het dagelijkse grensverkeer, legt hij uit. ‘Elke Nederlandse en ook Duitse boer met grond aan de andere kant, mocht met z’n spullen – mest, hooi, graanoogst en vee - de grens over. Dat was gunstig, want nu hoefden ze geen invoerbelasting te betalen.’

Maar na de oorlog verkochten veel boeren hun Duitse stukken land, net zoals Sers vader. Niet omdat dit verplicht was, maar omdat het deel van Duitsland over de grens in de handen was van de geallieerden en de grenscontrole stevig aangescherpt werd. ‘Eerder kon je op heel veel punten de grens over, nu had je maar enkele centrale punten. Voor boeren was dat niet te doen.’

Daarnaast verhardde de sfeer. Vooral in het laatste jaar groeide het anti-Duitse gevoel in grensdorpen als Well: na ‘militaire paniek’ werd er geroofd, geplunderd en werden Nederlandse mannen met razzia’s opgepakt en naar Duitsland gestuurd om te werken. ‘Vanaf de herfst in 1944 werden Well en veel andere Limburgse grensdorpen grotendeels verwoest, terwijl de Duitse dorpen over de grens betrekkelijk weinig schade leden. Dat leverde ook na 1945 een spanning op: wij zijn van een koude kermis thuisgekomen, jullie zijn de daders.’

Brauer beschrijft hoe de dorpen zich na de oorlog ‘met ruggen tegen elkaar’ ontwikkelden (we spraken hem daarover al voor dit verhaal). ‘Er kwam minder huwelijksintegratie, minder arbeidspendel over de grens.’ Volgens Brauer geldt dat nog steeds, maar heeft dat niet alleen met de oorlog te maken. ‘De economie werd minder lokaal, industrieën trokken in de jaren vijftig weg uit de dorpen en concentreerden zich. Boeren gingen niet langer met hun producten naar het buurdorp in Duitsland, maar naar de centrale veiling in Venlo, waar ze op grotere schaal exporteerden.’

Brauer denkt dat Ser de vinger op de zere plek legt. ‘Volgens mij treft hij het heel goed met die schaamte. Als je kijkt naar de lokale ontwikkelingen, dan voel je gewoon dat dit een belangrijke rol speelt.’

Ser Laarakker op het Limburgse platteland. Foto: Eva Faché. 

Deel dit verhaal