Utrecht

Merlyn en Peter overleefden als kleuters de onderduik, maar hun oorlog was nog lang niet voorbij

Merlyn Frank en Peter Hein. Beeld: Jiri Buller  

Als op 5 mei overal in Nederland de vlaggen uitgaan, zal het voor Peter Hein en Merlyn Frank opnieuw geen feest zijn. Als kleuters zaten ze ondergedoken, helemaal alleen. Die angstige tijd heeft de rest van hun leven getekend. ‘Ik ben veel te lang blijven zwijgen.’

Deel dit verhaal

Op een maandagmiddag staan ze opeens in de kamer, twee rare, onzekere mensen die hij niet kent. Een bleke man op pantoffels met een zelfgemaakte zeilboot onder zijn arm en een kleine, huilende vrouw die hem wil kussen. Pa en Moe hebben hem verteld dat hij zijn echte ouders vandaag zal terugzien. Ze zijn komen lopen vanaf hun laatste onderduikadres, bijna 10 kilometer verderop, gebroken maar zielsgelukkig vanwege de hereniging met hun enige kind, dat ze ruim twee jaar hebben gemist. Buiten klinkt muziek, de Canadezen zijn in aantocht, binnen hangt een nerveuze stilte. ‘We zochten samen naar een sloot om het bootje te water te laten, maar de kiel bleek niet zwaar genoeg, het kapseisde. Symbolisch voor wat er aan de hand was.’

*

Ze wordt er midden in de nacht voor wakker gemaakt, het is vrede, de oorlog is voorbij! Het eerste wat ze denkt is: nu komen papa en mama terug. Ze was lief geweest, zoals haar pleegvader had geëist, want anders zouden haar ouders haar nooit meer komen ophalen. Het wachten duurt jaren, en ze zit al in de vierde klas als de directeur van de school haar uit de rekenles komt halen omdat er bezoek voor haar is. Eindelijk, denkt ze, daar zullen ze zijn, maar het is haar pleegvader, met een brief van het Rode Kruis. Haar ouders zijn naar alle waarschijnlijkheid in Sobibor vermoord. Ze slikt, gaat terug naar haar klas en haar sommen en vertelt niemand wat ze net heeft gehoord.

Geen feest

Als deze week de vlaggen uitgaan en voor de 75ste keer het einde van de Tweede Wereldoorlog wordt gevierd, zal het voor Peter Hein en Merlyn Frank opnieuw geen feest zijn. Twee jaar lang zaten ze ondergedoken, helemaal alleen, kleuters nog, afgestaan door hun ouders, die hoopten dat hun kind zo een betere kans zou hebben op een toekomst. Het had voor altijd invloed op hun leven. ‘De oorlog was niet over in 1945’, zegt Merlyn Frank. ‘Het was een valse bevrijding.’

‘Terugkijkend realiseer ik me dat ik veel te lang ben blijven zwijgen.’ Foto: Jiri Büller

Elk jaar slaat bij Peter Hein al voor 4 mei de melancholie toe: dat zachte voorjaarsgevoel, met de merels die fluiten en de Japanse kers die in bloei staat, associeert hij altijd weer met onheil. ‘Is de ouwe alweer gek aan het worden?’, vragen de kinderen soms gekscherend aan zijn vrouw als de eerste meiweek aanvangt. ‘Alle akelige dingen gebeurden in het voorjaar’, zegt hij, ‘de dag dat ik moest onderduiken én de dag dat mijn ouders terugkwamen. Voor mij is al het ongeluk samengebald in de geur van de lente.’ De dagen van 4 en 5 mei, zegt hij, zijn altijd beladen gebleven.

Vier- tot zesduizend Joodse kinderen overleefden de oorlog, meestal via de onderduik, en voor hun geschiedenis kwam pas laat aandacht. Wat hadden zij nou meegemaakt? Afgezet tegen wat er was gebeurd in de kampen was dat helemaal niks. ‘We dachten: nou, dat zal wel zijn meegevallen’, zeiden de vrienden van Peter Hein veel later, ‘je had ondergedoken gezeten en je was er nog.’

‘Mijn ouders hadden geen idee of ze me ooit nog zouden weerzien, dat is niet voor te stellen.’ Foto: Jiri Büller  

Dat zich bij veel onderduikkinderen een levenslang trauma heeft ontwikkeld, werd pas duidelijk toen een van die kinderen er vijftig jaar na de bevrijding onderzoek naar ging doen. Ontwikkelingspsycholoog Bloeme Evers-Emden, die als enige van haar familie de Holocaust overleefde, vroeg honderden lotgenoten naar hun ervaringen en ontdekte een patroon: waar de onderduikouders meestal met een gevoel van voldoening op de onderduikperiode terugkeken – ze hadden immers een kind gered – waren hun ‘geleende kinderen’ beschadigd geraakt. Ze waren voor hun gevoel weggegeven, in de steek gelaten, op volwassen leeftijd had een groot deel van hen mentale problemen gekregen, ook als hun ouders waren teruggekeerd. Ze kampten met depressies, met sentimenten van angst en onveiligheid, ervoeren een overlevingsschuld of hadden last van een doordringend gevoel van verlatenheid.

Peter Hein schreef een paar jaar geleden een boek over zijn onderduiktijd, een ontroerende geschiedenis van een angstig jongetje dat met zijn kleine gele valiesje twee jaar lang van adres naar adres trok en dat na de oorlog voor zijn gevoel opnieuw moest onderduiken, maar dan bij zijn eigen ouders. Hij doopte zijn boek veelzeggend Het zesde jaar: ‘Omdat het na die vijf jaar niet afgelopen was.’

Merlyn Frank vertelt op scholen wat ze heeft meegemaakt. Dan gaat het over het moment waarop ze door Utrechtse studenten uit de trein werd gehaald, over de vreemde mensen die ze vader en moeder moest noemen, en over de nieuwe naam waarop ze hard oefende, maar die nooit wende: Puck van Neck. ‘Ik weet alle details nog. Ik blijf het moeilijk vinden om erover te vertellen maar ik doe het wel, uit respect voor de mensen die niet wegkeken en me hebben gered. Als we er niet over praten, is het net alsof het nooit is gebeurd.’

Eenzaamheid en verwarring

De 4-jarige Peter heeft vreselijk last van heimwee, maar toch besluiten zijn Joodse ouders in april 1943 om apart van hem onder te duiken; dat kan, denken ze, hun beider kansen vergroten. De eerste avond huilt hij zichzelf in slaap, op het kleedje voor het ijzeren ledikant, maar daarna zal hij nauwelijks nog aan zijn ouders denken – tekenend voor het onvoorstelbare aanpassingsvermogen dat alle onderduikkinderen kenmerkt. ‘In mijn herinnering overheerst het gevoel van eenzaamheid en verwarring’, zegt hij terugblikkend.

Zeker negen adressen doet hij aan, in heel Nederland, steevast weggebracht door tante Cor, een vrijgezelle, moederlijke vrouw, die overloopt van liefde voor het kleine jongetje. Aan het einde van de oorlog keert hij terug op de plek waar zijn onderduik begon, bij het Utrechtse gezin Jongerius, stugge maar liefdevolle mensen bij wie hij zich thuis gaat voelen.

Peter in 1945. Beeld: Peter Hein

De verwarrende bevrijdingsdagen zijn hem altijd bijgebleven. Na de stroeve kennismaking met de mensen die beweren zijn ouders te zijn, gaan ze samen de stad in. Overal vlaggen, verderop klinken nog schoten, om hen heen worden NSB’ers gearresteerd. ‘Mijn vader, met zijn lange zwarte haar, had nog naar de kapper gewild, maar die had gezegd: nee joh, ik ga moffenmeiden kaalknippen. Ik zat in een karretje, gewond door een granaatscherf die me een paar weken eerder had getroffen. En tante Cor liep in ons kielzog. Wat een rare, kleine optocht moet dat zijn geweest.’

Dan volgen weken, maanden, waarin hij alwéér moet wennen aan vreemde mensen, maar dit keer zijn die vreemden zijn eigen ouders, getraumatiseerd door wat ze hebben meegemaakt en door het verlies van zoveel familieleden en vrienden.

‘Het is goed gekomen’, zegt hij. ‘Mijn ouders hadden alles voor me over. Ze lieten me begaan, ik mocht rondzwerven door de weilanden, slootje springen en vissen vangen. Dat gevoel van vrijheid overheerst als ik aan mijn jeugd terugdenk.’ Veel later, als hij het vreselijke onderduikverhaal van zijn ouders kent, vraagt hij zijn vader hoe hij het heeft volgehouden. ‘Hij zei: ik wilde jou terugzien en meemaken dat de moffen het zouden verliezen. Mijn ouders hebben mijn toekomst voor ogen gehad, daar ben ik me heel erg van bewust. Ze hadden geen idee of ze me ooit nog zouden weerzien, dat is niet voor te stellen.’

De ouders van Peter, Paul en Netta Hein, in 1951. Beeld: Peter Hein

De laatste strohalm

Jaren na de bevrijding treft Merlyn Frank een vriendin van haar moeder die haar in Westerbork nog heeft gesproken en precies weet te vertellen wat zich tijdens die laatste treinreis heeft afgespeeld. Onderweg van Amsterdam naar Westerbork had de trein, vermoedelijk om technische redenen, in Utrecht een tussenstop gemaakt. Opeens waren voor het coupéraam een jongen en een meisje opgedoken die gebaren maakten. Haar moeder was in een impuls naar de deuropening gelopen en had haar babyzoon en haar 3-jarige dochtertje meegegeven. Het zou, vermoedde ze, erg lastig worden om met twee kleine kinderen in een werkkamp te leven.

Nu, 77 jaar later, herinnert dat meisje van toen zich nog altijd de snelle fietstocht die volgde, de strik die uit haar haren waaide, het zuurtje dat ze nog van haar moeder had gekregen en dat uit haar handen viel, omdat ze het zadel stevig moest vasthouden. En dat ze op het perron nog naar haar moeder had omgekeken maar haar niet meer zag.

Merlyn Frank in 1946. Beeld: Merlyn Frank

Ze doen hun best, haar pleegouders, ze krijgt een mooi kamertje en een pop en ze mag naar de kleuterklas, waar ze een beetje leert lezen en schrijven, maar een band zal er nooit ontstaan. De dag na de bevrijding krijgt ze – het is een plechtig moment – haar eigen voornaam terug; haar achternaam moet nog even wachten. De rest van haar oude leven zal volgen, daarvan is ze overtuigd. Totdat in juni 1949 die brief komt: ‘Vast is komen te staan dat Abraham Eliazar Frank en Koosje Frank-Witteboon op 13 juli 1943 uit Westerbork zijn vertrokken en op 16 juli in Sobibor zijn aangekomen. Omdat ze niet zijn teruggekomen, moet aangenomen worden dat ze daar nog dezelfde dag zijn vergast.’

Ze klampt zich vast aan het kleine voorbehoud in de brief, de dood van haar ouders is gebaseerd op een aanname. ‘Daar zat nog ruimte in. En die strohalm heb ik gepakt, daar ben ik in gaan geloven.’ Dat haar opa’s en oma’s zijn gestorven in een kamp ver weg, dat kan ze als kind nog begrijpen, die waren al best oud en misschien wel ziek. Maar haar ouders, jong en gezond, moeten nog in leven zijn. Ze doet navraag bij iedereen die mogelijk meer kan vertellen, gaat naar Jules Schelvis, een van de weinige overlevenden van Sobibor, naar een arts die in Westerbork heeft gewerkt, naar journalisten van Het Parool, die verslag doen van de Sobibor-processen. Iedereen is aardig, maar niemand kan haar helpen. Ze wordt een onhandelbaar kind, dat vaak van huis wegloopt en boos is op de hele wereld, vooral op haar moeder, die zomaar haar kinderen heeft weggegeven. Het is haar oom die erin slaagt haar broertje te traceren, hij zal pas veel later te horen krijgen dat zijn echte ouders niet meer leven; Merlyn gaat lange tijd door voor een nichtje.

Met haar pleegouders is het nooit meer goed gekomen, ze is zich altijd een buitenstaander blijven voelen. Haar pleegbroer helpt haar met wiskunde, haar pleegmoeder naait haar kleren, haar pleegvader geeft dure cadeaus, maar eist van haar ook dankbaarheid. ‘Hij had voor de duur van de oorlog een Joods kind in huis genomen, maar bleef nog vele jaren met een heel lastig meisje opgescheept. Hij had me gered en wilde dat ik hem daarvoor erkentelijk was. Dat was ik ook wel, maar ik kon het niet uiten. Mijn dankbaarheid bleek uiteindelijk minder groot dan mijn aversie jegens hem.’

Merlyn met haar broertje Philip in 1947. Beeld: Merlyn Frank

Heel langzaam ebt de hoop weg dat haar ouders nog zullen terugkeren. ‘Toen ik al in de vijftig was heb ik mezelf uiteindelijk streng toegesproken, mijn liefdeloos oordeel heroverwogen en meer respect gekregen voor wat mijn pleegouders voor me hebben gedaan.’ Aan het sterfbed van haar pleegmoeder zegt ze de woorden die ze een halve eeuw eerder had willen uitspreken: ‘Dank voor alles wat je voor me gedaan hebt.’ Het lucht haar op.

Zwijgen

‘Hebben ze me verdomme toch nog te pakken gekregen’: dat zijn de woorden waarmee Peter Hein het opgejaagde gevoel omschrijft als zijn vrouw hem midden in de nacht beneden op de bank aantreft. Het is 43 jaar na de oorlog – hij is vader van drie kinderen en werkt als universitair hoofddocent verloskunde in Nijmegen – als hij instort en in een diepe depressie belandt. Later zal hij zijn al langer bestaande angsten, zijn vermijdingsgedrag en gebrek aan assertiviteit leren duiden – het gedweeë jongetje van toen had de lessen uit zijn onderduiktijd nooit verleerd. ‘En dan val je opeens om.’ Als hij een paar jaar later een congres bezoekt voor onderduikkinderen, staat hij versteld van de vergelijkbare verhalen die hij te horen krijgt, zoveel lotgenoten die net als hij ver na de bevrijding in de problemen zijn gekomen en soms een langdurige psychologische of psychiatrische behandeling nodig hebben gehad.

Over zijn onderduik is thuis weinig meer gepraat, Paul en Netta Hein hebben genoeg aan hun eigen herinneringen. Zijn vader zwijgt, zijn moeder overspoelt hem met ijzingwekkende details over wat zij hebben meegemaakt, de lotgevallen van hun zoon komen nauwelijks aan bod. ‘Ik wist alles van hen, zij wisten niks van mij. Als ik ergens mee zat, zei mijn moeder altijd: als wij ons zo hadden aangesteld, dan waren we er niet meer geweest. Het betekende eigenlijk dat mijn problemen nooit wat voorstelden.’

 Peter met zijn moeder vóór de onderduik, in augustus 1942. Beeld: Peter Hein

Hij laat een grote doos met cassettebandjes zien, opnamen van tientallen gesprekken met zijn ouders over hun onderduikjaren. Pas als hij na hun dood besluit om ook over hun ervaringen een boek te schrijven, ontstaat er langzaam begrip. Postuum leert hij alsnog zijn zwijgende vader kennen als een man die heldhaftige, levensreddende beslissingen nam. ‘Hun besluit om mij te laten onderduiken heeft mij en waarschijnlijk ook hen het leven gered. Dat ze er daarna niet met mij over wilden praten, is vermoedelijk lijfsbehoud geweest. Nooit opgeven, er is altijd wel ergens een regenpijp of een dakgoot waarlangs je kan vluchten. Dat is een mooie les die ik van ze heb geleerd.’

Dankbaarheid, nog zo’n les. Met Pa en Moe Jongerius houdt hij tot hun dood contact en ook tante Cor hoort voor altijd bij het gezin Hein. Hij laat foto’s zien uit het familiealbum: op veel belangrijke momenten in zijn leven waren ze erbij.

Peter met tante Cor. Beeld: Peter Hein

Alsnog afscheid nemen

Ook Merlyn Frank krijgt na de oorlog enige psychologische hulp bij Centrum ’45, gespecialiseerd in oorlogsproblematiek. ‘Terugkijkend realiseer ik me dat ik veel te lang ben blijven zwijgen.’ Ze is, zegt ze zelf, een sceptisch, wat afstandelijk mens geworden, ‘soms onaanraakbaar en altijd op het puntje van mijn stoel en met de deuren op een kier om er ieder moment vandoor te kunnen gaan’.

Ruim zestig jaar nadat ze achterop de fiets voor altijd bij haar moeder is weggereden, reist ze met haar broer naar Sobibor, om alsnog afscheid te nemen. Aan de rand van een glooiende heuvel, gemaakt van as en menselijke botten, zet ze een grote foto van haar ouders neer. Het maakt de plek waar ze stierven opeens minder anoniem. Daarna spreekt ze hen toe. ‘Pappa en mamma, hier zijn we’, zegt ze, ‘we hebben het overleefd, het gaat ons goed. Hoe kort jullie leven ook was, het was niet zinloos. Jullie leven voort, in ons en in onze kinderen en kleinkinderen.’ Als ze achteruit terugloopt, zwaait ze nog een paar keer. ‘Ik weet zeker dat ze ons hebben gehoord en gezien.’

De ouders van Merlyn, Abraham en Koosje Frank. Deze foto liet Merlyn achter op de plek waar haar ouders stierven. Beeld: Merlyn Frank

Voor altijd getekend

‘Het gaat bij jullie altijd over de oorlog’, zeiden de twee niet-Joodse schoondochters van Peter Hein laatst toen hij een achteloze opmerking maakte over een vreemde geur die hem aan een onderduikadres deed denken. Hij had het zich nooit zo gerealiseerd, maar het is wel waar, erkent hij: de oorlog komt nog vaak terug, in subtiele verwijzingen naar een periode die hem voor altijd heeft gevormd. ‘Maar zwaar en larmoyant wordt het niet.’

‘Néé, niet de oorlog de schuld geven’, zeggen ze schertsend bij Merlyn Frank thuis als er iets vervelends gebeurt. ‘Nu, op afstand, kan ik relativeren. En ik tel mijn zegeningen, dat zijn er niet weinig. De oorlog heeft me getekend, maar niet stuk gekregen.’

In deze video vertelt Peter Hein zijn bevrijdingsverhaal

Peter Hein: Het zesde jaar en De onderduikers (Boekerij)

Deel dit verhaal