Oudelande

Isaäk (97) vond het geen probleem om voor de Duitsers te werken

Isaäk Helmstrijd. Foto: Katja Poelwijk

Isaäk Helmstrijd werd op 26 oktober 1944 bevrijd in het Zeeuwse Oudelande. Nu ziet hij hoe verschrikkelijk het naziregime was, toen liet het hem ‘vrij koud’. Zijn dagelijkse strijd om te overleven was ‘belangrijker dan politiek’.

Deel dit verhaal

Opgelucht, blij of zelfs euforisch waren veel Nederlanders toen ze na vier of vijf jaar oorlog eindelijk bevrijd werden. De beelden van juichende mensen die geallieerde soldaten verwelkomen, staan op ons netvlies. Maar Isaäk Helmstrijd (97) voelde daar weinig van, toen een handvol Schotten het Zeeuwse dorp Oudelande in oktober 1944 binnenkwamen. Ja, zegt hij, hij bietste een sigaretje bij ze en een week lang speelde hij accordeon in het stampvolle dorpscafé, waar flink ‘gefeest en gezopen’ werd. ‘Maar dat de Duitsers weg waren liet me vrij koud.’

Voor Isaäk was er iets dat in die tijd een veel grotere rol speelde: armoede. De dagelijkse strijd om te ‘overleven was belangrijker dan politiek’. Hij had weinig tegen de Duitsers, zegt hij, ‘net als de andere arbeidersjongens in het dorp’. Aan het begin van de oorlog had hij ook geen moment getwijfeld toen hij de kans kreeg om voor de Duitsers te werken. De Zeeuwse tiener had tot dan hoogstens een paar gulden per week verdiend als laagste knecht op een boerderij. Nu werd hem 28 gulden per week beloofd. ‘Dat was een kapitaal.’

Isaäk (rechts) als vrijwilliger bij het Nederlandse leger na de oorlog. Beeld: Isaäk Helmstrijd

Tijdens de oorlog werkte hij meermaals op het militaire vliegveld van Vlissingen, eerst als vrijwilliger en later verplicht. Vond hij het geen probleem om de vijand te helpen? ‘Nee joh!’, zegt de hoogbejaarde Zeeuw resoluut in zijn kamer in een verzorgingstehuis. Isaäk vertelt dat zijn vader in de vroege jaren dertig invalide was geworden door het harde werk op een schip – ‘hij was zo krom dat hij dat hij met zijn neus op straat liep’. Bij de Zeeuwse jongen thuis was één ding belangrijk: verdienste. ‘Dat je geld had zodat het gezin kon eten. Denk jij dat we moeite hadden met Duits geld? Mijn moeder was trots toen ik thuiskwam met dertig gulden.’

Met de komst van de geallieerden was Isaäk enigszins blij, geeft hij toe, maar echt opgelucht of euforisch wil hij het niet noemen. ‘We hadden weinig last gehad van de Duitsers. Nu waren we bevrijd. Ja, dat was gewoon zo.’

Klassenverdeling

Isaäk denkt met een nare bijsmaak terug aan het Zuid-Beveland van de jaren dertig, in zijn woorden ‘één van de achterlijkste regio’s in het Nederland van toen.’ In zijn dorp heerste volgens hem een duidelijke klassenverdeling: je had de rijke boeren aan de ene kant en de arme arbeiders aan de andere. ‘De boeren: die hadden aanzien, maakten bij ons de dienst uit. Op school had één jongen een fiets, een boerenzoon. Zij hadden speelgoed. Het leukste wat ik kon doen was stropen, dat deed ik sinds mijn 12de, net als mijn opa en ooms. Als we geen eten hadden, ging ik op zoek naar de eieren van vogels.’

Begin 1940 had Isaäk zich dus opgegeven om met zo’n 25 andere jongens naar Vlissingen te gaan, waar ze op het Duitse vliegveld munitiedozen zouden camoufleren. Het voelde als een avontuur. ‘We kenden elkaar allemaal, dus de sfeer was hartstikke goed. Als het luchtalarm ging moest je als de sodemieter een bunker in. Na het werk gingen we naar een café in Westkapelle. Sommigen konden goed bier zuipen, ’t was best plezierig.’

Duitse militairen op het vliegveld van Vlissingen (ca. 1943). Beeld: Gemeentearchief Vlissingen

Of hij in het dorp niet vreemd werd aangekeken met zijn werkzaamheden voor de Duitsers? ‘Nooit’, zegt Isaäk stellig. ‘Door niemand, ook niet uit andere dorpen en ook niet na de oorlog.’ Historicus David Barnouw gelooft dat wel. ‘Bakkers verkochten brood aan Duitsers en verdienden daar ook hun geld mee. Dat was niet moreel verwerpelijk.’ Isaäk wijst zelf naar de boeren, ‘die leefden van hun landbouwproducten die naar het oosten gingen.’

‘Een meeloper’

De historicus zegt dat je moet onthouden dat de bezetters niet overal als het absolute kwaad werden gezien, zeker aan het begin van de oorlog. En zelfs toen Isaäk later in de oorlog geruchten hoorde over de Jodendeportatie, geloofden hij en zijn vrienden daar weinig van. ‘Een miljoen Joden die naar concentratiekampen werden gestuurd? Dat kon niet, in onze ogen.’

Hij herinnert zich ook dat het als 20-jarige arbeider moeilijk debatteren was met lokale nazi-sympathisanten. ‘Zij werden goed geïnformeerd, kregen NSB-kranten. Zij schepten op hoe Duitsland Nederland en België in een paar dagen tijd onder de duim had gekregen. Wat moest je daar tegenin brengen?’

Als werkman, dacht Isaäk toen, kon je je beter niet te veel met politiek bezighouden. Plus: hij was in die tijd ‘een meeloper’, zegt hij. ‘Iemand die achter de kudde aanliep.’ Hij keek wel met afkeer naar de NSB’ers uit de dorpen, maar vooral omdat het de ‘buitendijkers’ waren, de outsiders die voor de oorlog geen of weinig vrienden hadden en nu in uniform rondmarcheerden. ‘Je was geen Duitser, dus dan moet je niet bij de NSB gaan. Dat voelde toch als een soort verraad, ook voor ons.’

Duitse militairen op het vliegveld van Vlissingen (1943). Beeld: Gemeentearchief Vlissingen

Wittebonenmaaltijden

Isaäk bleef werken voor de Duitsers, maar naarmate de oorlog vorderde al snel niet meer op vrijwillige basis. ‘We werden gevorderd: als je niet kwam, stond er onder de brief, dan zat je in de problemen.’ De 28 gulden veranderde in wittebonenmaaltijden op het vliegveld. Toen Amerika zich in de oorlog mengde, werd de situatie voor Duitsland steeds penibeler. Isaäk herinnert zich zijn angst bij de luchtalarmen, zeker als de Duitsers sneller in de bunkers geraakten dan hijzelf en zijn kameraden.

Het werd pas echt link toen hij vlak voor de bevrijding voor de laatste keer gevorderd werd. Hij moest ‘s nachts Duitsers uit hun fort aan de Schelde helpen verhuizen, weg van de kust. ‘Overdag durfden ze niets, zo bang waren ze voor de geallieerden die al aan de overkant van het water zaten. Nu hoorden we de bommenwerpers steeds luider overvliegen. Het was mistig, ondanks dat kon ik ze bijna zien, zo laag raasden ze over. De Duitsers vluchtten weg met hun de paarden en wagens, mij lieten ze achter. Ik moest in het donker alleen thuis zien te komen, tussen al die bommenwerpers. Ik was doodsbang.’

Duitse revolver

Aan de bevrijding van het dorp heeft Isaäk maar één glinsterende herinnering: die van de ‘prachtige Duitse revolver’, die vlak voor de komst van de Schotten voor zijn voeten lag. De Duitsers waren gevlucht en hadden overal troep achtergelaten. ‘Ik durfde de revolver niet te pakken. Die Schotten waren link: een kennis was tussen zijn ogen geschoten, omdat hij bij het zuiveren van een dorp uit een raampje keek. Toch heb ik spijt dat ik hem niet heb gepakt, want in die tijd had ik nog altijd niks.’

Isaäk Helmstrijd. Foto: Katja Poelwijk

Zwarte markt

Isaäk zegt dat het klassenverschil aan het einde van de oorlog ‘geen moer’ was veranderd, ondanks zijn sporadische inkomsten. Integendeel: het was kort voor de bevrijding alleen maar erger geworden. ‘De boeren drukten graan achterover bij het dorsen, en verhandelden het onder elkaar op de zwarte markt. Eten werd naar het front gestuurd, dus toen wij als arbeiders minder voedsel hadden, zaten die boeren goed.’

Dat klassenverschil veranderde voor Isaäk pas lang na de bevrijding. Eerst werd hij oorlogsvrijwilliger, om te ontsnappen aan de sleur van het leven in het dorp. Een paar jaar later kregen boeren trekkers door de Marshallhulp, ‘waardoor ze minder knechten nodig hadden’. Isaäk werd strandjutter, vond werk bij een veiling in Goes, op de haven van Rotterdam. In de jaren zestig kwam hij bij een Zeeuws fosforbedrijf terecht. ‘Stapje voor stapje klom ik uit de armoede.’

Isaäk Helmstrijd. Foto: Katja Poelwijk

Nieuwsgierig man

Nu is hij een nieuwsgierige man, zegt Isaäk met een glimlach. Iemand die iets meer van de wereld begrijpt. Hij kan zich nog herinneren dat hij op zijn 44ste voor het eerst op vakantie ging. ‘Ik mocht van mijn werk gratis naar een bungalowpark in Nederland.’ Daarna ging hij dikwijls met zijn eigen auto op vakantie, heel West-Europa door, ‘en mensen vonden dat ik er nog wat van wist ook’.

Met de kennis van nu mijmert hij over het Duitse regime, over het Derde Rijk, hoe verschrikkelijk het eigenlijk allemaal was. Maar spijt dat hij als jongen voor Duitsland gewerkt heeft, voelt hij nog steeds niet. ‘Dat deed je gewoon.’

De Volkskrant zoekt nog steeds bijzondere bevrijdingsverhalen, met name van boven de rivieren. Mailen kan naar bevrijding@volkskrant.nl.

Werken voor de Duitsers

Isaäk was lang niet de enige voor wie de bezetting een tijd van relatieve welvaart bracht, zegt historicus Peter Romijn van het NIOD, die onderzoek deed naar de bestraffing van collaboratie. ‘Nu vergeten we vaak hoe arm delen van Nederland waren, hoe hoog de werkloosheid was.’ Volgens Romijn telde Nederland voor de oorlog miljoenen burgers die net als Isaäk weinig bestaanszekerheid hadden. ‘Een man in Drenthe vertelde me ooit hoe de oorlog een positieve omslag in zijn leven bracht. Daarvoor was hij jaren werkloos, net als zijn vader. Nu kon hij voor verschillende aannemers werken.’

De historicus zegt dat het ook de boodschap van Nederlandse overheid in Londen aan het volk was: ga aan de slag, zorg ervoor dat je je broek kan ophouden. ‘In de zomer van 1940 werd er aan het vliegveld in Leeuwarden gewerkt, toen gingen er geruchten dat alleen NSB’ers daar konden werken. De Nederlandse regering in ballingschap vond dat oneerlijk en uitte dat ook: die kansen moesten er voor iedereen zijn. Daarna mocht iedereen daar werken.’

Niet gestraft

Aan het einde van de jaren dertig lag de werkloosheid in Nederland soms tegen de 25 procent, in de oorlog werd dat in een half jaar tijd opgelost. Maar voor veel Nederlanders werd het minder geaccepteerd om voor de bezetter te werken. Tegen het einde van de oorlog doken honderdduizenden jongeren onder om niet in Duitsland te hoeven werken. Voor Isaäk was dat lastig geweest, denkt ook Romijn. ’Zeeland stond onder militaire controle en was afgesloten. Zuid-Beveland was een vesting, en een relatief klein eiland waar iedereen elkaar kent. Probeer daar maar eens ongezien onder te duiken.’

Hoewel het werken aan defensiewerken van de Duitsers officieel verboden was, werden mensen als Isaäk na de oorlog niet vervolgd. ‘Dat gebeurde pas bij aannemers die bunkers voor de Duitsers bouwden. En zelfs zij werden licht gestraft, omdat er in Nederland na de oorlog veel gebouwd moest worden.’

Romijn herkent de politieke onverschilligheid in het arme milieu van Isaäk wel, waar ondanks het eigen werk voor de Duitsers toch op NSB’ers neergekeken werd. ‘Dat wringt ook een beetje. Het is natuurlijk comfortabel om te kunnen zeggen: zij zijn erger dan ik.’

Deel dit verhaal