Amersfoort

Opgekropte trauma’s: 80-plussers als Ria gingen pas tientallen jaren na de bevrijding in therapie

Ria Kitselaar, hier op een oorlogsgedenkplaats in Amersfoort, ging tientallen jaren na de bevrijding pas in therapie. Beeld: Eva Faché.

Ze zijn de tachtig gepasseerd en merken dat de wonden van de Tweede Wereldoorlog 75 jaar na de bevrijding nog niet zijn geheeld. Kunnen nieuwe technieken hen helpen? Hoe Nederland omging met het psychische leed van de oorlog - toen en nu.

Deel dit verhaal

‘Waar blijft papa nou?’, hoort Ria Kitselaar (10) haar moeder vragen. Ze loopt onrustig door de huiskamer. Aan haar rode gezicht zien Ria en haar zusje dat ze gespannen is. Het is 1944, hun vader is weer laat thuis van zijn werk bij de voedselvoorziening. Hij helpt het verzet, op zolder zit een onderduiker. Buiten klinkt ineens het metalen geklik van Duitse laarzen. Het geluid komt dichterbij.

Ria voelt de spanning in de woonkamer stijgen. Ze denkt aan wat haar vader elke dag tegen haar zegt voordat hij de deur uitgaat. ‘Goed voor je moeder zorgen, hè?’ Voorzichtig probeert ze haar moeder gerust te stellen. ‘Hij komt wel thuis, mam.’

Kennissen en vrienden van Ria’s ouders verdwenen, maar haar vader kwam uiteindelijk altijd thuis, vertelt Ria (nu 85) in haar woonkamer in Amersfoort. Na de oorlog vroeg ze aan haar ouders wat er thuis precies aan de hand was geweest. Daar was geen ruimte voor. ‘‘Wees blij dat we er allemaal nog zijn’, zei mijn moeder. ‘We praten er niet meer over.’’

Pas vijftig jaar later eiste dat zijn tol. Ria kreeg een burn-out, stortte in, lag trillend in bed als er vliegtuigen overvlogen. Met een therapeut ontdekte ze de schade die de oorlog bij haar had achtergelaten: de vliegtuigen waarvan ze schrok, klonken precies als de V1’s die ze als kind had horen overvliegen. ‘Na de oorlog was er geen enkele begeleiding voor kinderen. Eigenlijk ongelofelijk.’

Ria Kitselaar op een oorlogsgedenkplaats in Amersfoort. Beeld: Eva Faché. 

Ria is niet alleen. De Volkskrant bezoekt dit jaar tachtig-, negentig- en honderdplussers door het hele land voor deze reeks van 75 persoonlijke bevrijdingsverhalen. Lei (83) zat huilend achter de tv toen hij in 2000 de slachtoffers van de vuurwerkramp zag. Hij was na de bevrijding van een Limburgs dorp zelf verbrand geraakt na een explosie. Julius (94) heeft nog nachtmerries waarin hij wordt gefusilleerd, hij was in de oorlog ter dood veroordeeld en tegen de muur gezet. Kees (86) wordt de afgelopen jaren steeds somberder in de herfst. Het was de tijd waarin hij 75 jaar geleden in de nacht van de bevrijding van zijn dorp Driewegen zijn moeder en twee zusjes verloor door Duits vuur.

Bij Centrum ’45, onderdeel van het ARQ Nationaal Psychotrauma Centrum, melden zich nog elk jaar nieuwe patiënten als Ria, Lei, Julius en Kees. Vanwege de leeftijd slinkt die groep, zegt psychiater Patricia Dashorst, maar de intensiteit van hun leed doet dat niet altijd. Zijn de wonden van de Tweede Wereldoorlog na 75 jaar nog steeds niet geheeld? En kunnen nieuwe therapieën oorlogsbetrokkenen nu beter helpen dan toen?

Ria Kitselaar in haar woonkamer in Amersfoort. Beeld: Eva Faché. 

Verbroken evenwicht

‘Na deze oorlog zal het vraagstuk van het verbroken psychische evenwicht het grootste probleem blijken te zijn’, voorspelde psychiater Joost Meerloo al voordat Nederland bevrijd was. Desondanks bleek Nederland na de bevrijding minder voorbereid op de psychische schade van een oorlog dan onze buurlanden, schrijft historisch onderzoeker Annet Mooij in haar essay De langste schaduw (2004). Er was vooral aandacht voor materiële schade en de materiële wederopbouw.

Voor psychische schade ontbraken opvangcentra, over ‘aantal en aard van de psychische stoornissen’ bestonden ‘geen gegevens’ en ‘veel teruggekeerden wisten niet waar ze hulp konden vinden’, schrijft Mooij. Psychiater Louis Tas constateerde toen al dat Nederland op ‘beschamende wijze’ achterliep bij de behandeling van oorlogsslachtoffers, zoals de overlevenden uit concentratiekampen. ‘Nu hebben we voor traumatherapie duizend psychiaters en psychologen’, zegt hoogleraar psychologie Jos de Keijser (RUG). ‘Na de Tweede Wereldoorlog waren ze op een hand te tellen.’

Een reden was dat Nederland geen ervaring had met oorlog op deze schaal. Na de Eerste Wereldoorlog werd in de betrokken landen al gesproken over ‘oorlogsneuroses’ bij getraumatiseerde militairen, met psychotherapie als beste behandeling, schrijft Mooij. Nederlandse psychiaters waren bekend met die literatuur, en na de bevrijding kwamen behandelingen voor militairen hier voor het eerst op gang, met een ‘militair neurosecentrum’ dat in 1946 in het Utrechtse Austerlitz werd geopend. Pas later kwam aandacht voor ex-verzetsstrijders en overlevenden uit concentratiekampen.

Gesprekstherapie

De kern van de behandeling was toen hetzelfde als nu, zegt Dashorst: erover praten. ‘Voor iemand die in een kamp tussen de lijken heeft gezeten is dat moeilijk – ze hebben het gevoel dat niemand hun ervaring zal begrijpen. Maar woorden eraan geven en een luisterend oor hebben, helpt vaak al.’

Toch bleek voor veel oorlogsslachtoffers gesprekstherapie onvoldoende om de traumatische ervaring te kunnen uiten, schrijft Mooij. Voor deze groep werd in 1946 gebruikgemaakt van hypnose en ‘narcoanalyse’, waarbij patiënten een licht slaapmiddel kregen ingespoten, waarna ze in een soort halfslaap ongeremd van alles vertelden. De resultaten vielen tegen: wat in de roes werd verteld, bleef niet in de herinnering achter, psychische klachten verminderden hooguit tijdelijk.

Onder burgers ontstond een taboe om over hun ‘kleine leed’ te praten. Wat zij hadden meegemaakt, werd gerelativeerd door de verhalen uit de vernietigingskampen, over martelingen en executies van verzetsstrijders. ‘Je moest vooruit’, zegt Kees Platschorre (86), die zijn moeder en twee zussen verloor, over die tijd. Thuis werd zijn vader stiller, ja, maar gepraat werd er niet. Als 11-jarige werd hij zelfs bij de begrafenis van zijn moeder en zussen weggehouden. ‘Ze probeerden me te beschermen.’

Kees Platschorre over de verwerking van zijn trauma. 'Je moest vooruit’. Beeld Katja Poelwijk. 

Dashorst benadrukt dat de cultuur in de jaren veertig en vijftig compleet anders was dan nu. ‘Over gevoelens werd niet gesproken, het waren omgangsvormen die wij ons nu moeilijk kunnen voorstellen. Ouderen die ik behandel hebben nu nog vaak moeite om de juiste woorden voor hun emoties te vinden.’

Zwijgen en doorgaan was sterk

Daarnaast leefde volgens Dashorst en Mooij het sentiment dat je door het tonen van psychische oorlogsschade toegaf dat de vijand je had weten te raken. Zwijgen en doorgaan was sterk zijn, je niet gewonnen geven was het devies. Zelfs overlevenden uit concentratiekampen kregen te horen dat ze ‘blij mochten zijn dat ze het hadden overleefd’.

Pas in de jaren zestig en zeventig veranderde die houding. De later omstreden psychiater Jan Bastiaans begon lsd te gebruiken in zijn behandelingen. Hij boekte successen, omdat de roeservaringen bij patiënten nu niet langer verloren gingen, zoals bij het halfslaapmiddel wel het geval was. Over zijn therapieën met de slachtoffers van concentratiekampen werd in 1969 de documentaire Begrijpt u nu waarom ik huil? gemaakt, die drie jaar later op tv werd uitgezonden.

Jan Bastiaans in een stil uit Begrijpt u nu waarom ik huil? van regisseur Louis van Gasteren. Bron: NPO/VPRO. 

Het zou ertoe leiden dat uiteindelijk massa’s burgers zich ruim 25 jaar na de oorlog alsnog meldden voor psychische hulp. De overheid kwam met nieuwe oorlogswetten en vergoedingen, Centrum ’45 werd in 1973 in Oegstgeest geopend, als eerste therapeutische behandelcentrum voor alle soorten oorlogsslachtoffers. ‘De rijen zwollen aan’, schrijft Mooij, zowel bij Centrum ’45 als bij therapeuten door het hele land.

In nieuwe cijfers van een adviescollege van de overheid werd de groep Joden in aantal als kleinste groep oorlogsslachtoffers geschat, met dertienduizend in 1985. De grootste groep bleek nu die van de burgerslachtoffers: 1 miljoen Nederlanders zouden in 1985 nog met de psychische gevolgen van de oorlog kampen. Mensen zoals Julius, Lei, Ria en Kees.

Ria ging zelf niet naar Centrum ’45 in Oegstgeest, maar naar een psycholoog in haar woonplaats Amersfoort. Ze klopte oorspronkelijk aan met een burn-out, maar ‘ontdekte toen pas hoe diep die oorlog bij mij zat’, dat de stress die ze als kind ervoer eigenlijk ten grondslag lag aan al haar psychische klachten.

Het gezin van Ria Kitselaar. Ria is het rechtse meisje. Beeld: privéarchief Ria Kitselaar. 

Terugkijken

Ria schreef al haar ervaringen op voor de therapeut, en huilde en huilde. ‘Het begon al bij de evacuatie van Amersfoort in 1940. In de mensenmassa op straat, met de angst van een bombardement net als op Rotterdam, vroeg mijn moeder of ik kon gaan kijken of mijn tante ergens rondliep. Ik was alleen maar bang dat ik mijn ouders kwijt zou raken. Achteraf dacht ik: hoe kun je zoiets aan een kind vragen? Ik heb door de oorlog geen kans gehad om kind te zijn.’

Hoewel Ria’s ervaringen niet met die uit een kamp te vergelijken zijn, zegt psychiater Dashorst dat de ervaringen uit je jeugd en adolescentie ‘veel meer impact kunnen hebben’ dan dat wat je als volwassene meemaakt. De groep burgers die in hun kindertijd is getroffen is in aantal groter dan de overlevenden uit kampen, zeker vandaag de dag. Dashorst: ‘Als kind sta je emotioneel open in de wereld en ben je jezelf nog aan het vormen. Een kind heeft nog geen volwassen afweermechanisme opgebouwd, is kwetsbaar.’ Ria absorbeerde als het ware de spanning van haar moeder wanneer haar vader niet thuiskwam. ‘Dat kan een stempel drukken.’

Na de oorlog keek Kees Platschorre vooruit, zegt hij in Zeeuwse tongval, niet achteruit. Maar waar hij toen ‘wist’ dat zijn moeder en zussen dood waren, zo ‘voelt’ hij dat nu. Dashorst ziet dat vaak bij mensen van Kees’ leeftijd: eerder leidden ze zich af met werk of driftig in de tuin werken als de emoties bovenkwamen, maar als ze ouder worden zitten ze vaker in hun stoel. ‘Dan ga je terugkijken op je leven, reflecteren. Dan kan het korstje van een wond loskomen. Dat doet pijn.’

Hoogleraar psychologie Jos de Keijser (Rijksuniversiteit Groningen) specialiseert zich in complexe rouw, vooral bij slachtoffers van door mensen veroorzaakte rampen, zoals MH17 of de Tweede Wereldoorlog. Hij legt uit dat het rouwproces vaak beter verloopt als mensen sterven of lijden door een natuurlijke oorzaak, zoals ziekte of een tsunami, dan wanneer het komt door menselijk handelen.

Het gezin van Kees Platschorre. Kees is het voorste jongetje. Beeld: Privéarchief Kees Platschorre. 

Nieuwe technieken

Het verbaast De Keijser niet dat Kees elk jaar somberder wordt in de tijd waarin hij destijds zijn moeder en zussen verloor, ook om biologische redenen. ‘Wie ouder wordt, wordt mentaal minder weerbaar. Je krijgt minder controle over de frontale hersenkwab, waardoor het moeilijker is om emoties te controleren. Ouderen die vroeger nooit huilden, kunnen nu door een toneelstuk tot tranen geroerd worden, zonder dat ze daar controle over hebben.’

Zowel Dashorst als De Keijser ziet het vaker voorkomen dat mensen zoals Kees op late leeftijd wél over hun verlies gaan praten, en dat gesprekken met (klein)kinderen een therapeutisch effect kunnen hebben. In de behandelpraktijk wijzen ze ook naar de voordelen van nieuwe technieken van de afgelopen vijftien jaar.

De eerste is EMDR, waarbij mensen praten over hun traumatische gebeurtenissen terwijl ze met hun ogen een vinger of lichtbalk volgen die snel heen en weer beweegt. Hierdoor raakt het brein ‘afgeleid’ en dempt de emotionele lading van een herinnering. ‘Nu hebben we het sneller over moeilijke dingen’, zegt Dashorst. ‘Juist het uitstellen, wat we vroeger deden, maakt getroffenen instabiel.’

Bij tachtig- en negentigplussers die terugkijken en geconfronteerd worden met wat ze in de oorlog meemaakten, werkt de tweede techniek, Narrative Exposure Therapy (NET), volgens Dashorst vaak nog beter. ‘Daarbij leggen we de levensweg van een patiënt uit met een touw en plaatsen we stenen op de pijnlijke herinneringen en bloemen op de mooie herinneringen.’ De therapie is begin deze eeuw ontwikkeld door hulpverleners in vluchtelingenkampen in Soedan. Bij ouderen werkt deze vorm goed omdat zij vaak al in een fase zitten waarop ze terugkijken op hun leven, zegt Dashorst, en op deze manier ook over hun mooie herinneringen kunnen praten.

Rituelen en herdenken

Was de schade minder groot geweest als mensen als Kees en Ria na de oorlog meer over hun gevoelens hadden kunnen praten? De Keijser denkt van wel. ‘Wetenschappelijk onderzoek laat zien dat rituelen en herdenken het verwerkingsproces op lange termijn bevorderen, bijvoorbeeld bij nabestaanden van 9/11-slachtoffers.’ Dashorst twijfelt. ‘In de jaren veertig en vijftig werd nergens over gepraat zoals nu: over seks of relaties ook niet. Het is geen denkbaar scenario dat er over rouw en verdriet wel zou worden gesproken, zonder dat de complete cultuur en historie ook anders zouden zijn.’

De vrouw van Kees Platschorre merkt dat hij elk jaar prikkelbaarder wordt in de tijd waarin hij zijn moeder en zussen verloor, dat hij dan slecht slaapt en stemmingswisselingen heeft. Als kinderen tegenwoordig doormaken wat hem op zijn 11de overkwam, zouden ze therapie krijgen. Heeft hij dat gemist? ‘Als er nu een schietpartij is op een school’, antwoordt hij, ‘dan moet iedereen met elkaar praten. Leerlingen, ouders, leraren.’ Hij pauzeert en denkt even na. ‘Ik vind dat soms verschrikkelijk’, zegt hij dan. ‘Je moet het zelf verwerken. Je kunt dat alleen maar in je eentje doen.’

Is dat gelukt volgens hemzelf? Om de dood van zijn moeder en zussen te verwerken? ‘Het trauma is weg. Maar zij zijn er nog.’

Kees Platschorre op de dijk in Zeeland. Beeld: Katja Poelwijk.

Deel dit verhaal