Ten Boer

Op het platteland hebben de geëvacueerde Ina en Volkert de tijd van hun leven

Ina en Volkert Keizer op weg naar Ten Boer, waar ze 75 jaar geleden werden ondergebracht tijdens de hongerwinter. Foto: Eva Faché.

De tweeling Ina en Volkert Keizer bracht na een ‘kindertransport’ op 8-jarige leeftijd de Hongerwinter door bij pleeggezinnen op het Groningse platteland. Hoe gek dat ook klinkt: ze hadden er de tijd van hun leven. 

Deel dit verhaal

‘Was Reina jouw moeder? Ik noemde haar mijn zus!’ Er is 75 jaar verstreken, maar de ontvangst is even hartelijk als destijds. Ina Keizer (bijna 83) had al een zucht van herkenning geslaakt na het uitstappen op het Hendrik Westerplein: ‘Ja, hier was het.’

Met haar tweelingbroer Volkert Keizer bracht Ina de laatste maanden van de oorlog door in het Groningse dorp Ten Boer. Nu blijken in het huis waar zij onderdak kreeg Willem en Annie Hoekstra te wonen, een kleindochter van haar pleegouders. Zwart-witfoto’s gaan al gauw over tafel. De tweeling op leeftijd zoekt in alle opwinding naar namen en verhalen uit andere tijden. Zoon Djoerd (15) komt binnen. ‘In de oorlog? Da’s wel een poos geleden.’

‘Misschien heb ik daar wel gelegen’, zegt Ina als Willem haar de vroegere plek van de bedstee wijst. Op de weilanden waar de Canadezen hun pantservoertuigen parkeerden, is een nieuwbouwwijkje verrezen. ‘In Amsterdam woonden we driehoog’, zegt Ina, ‘hier was alles land en lucht.’

Drie jaar oud was de tweeling toen de oorlog begon. In Amsterdam was moeder altijd thuis, vader werkte hard, als logistiek medewerker op de expeditie bij Heineken. Ze hadden het goed, blikt Ina terug. ‘Je miste heel veel dingen niet, want niemand had ze.’

Ina (links) en Volkert (midden) Keizer zijn terug in het huis in Ten Boer. Foto: Eva Faché. 

Smokkelvest

Honger hadden ze niet. Omdat hun vader soms ’s nachts moest werken, had hij een Ausweis. Daarmee kon hij in spertijd op ‘hongertocht’: eten zoeken, met bier van de brouwerij als ruilwaar. Hij fietste ervoor naar plaatsen als Ilpendam en Aalsmeer. ‘Hij had een zinken gordel waarin hij melk kon vervoeren, een soort smokkelvest’, weet Volkert nog. Op verjaardagen aten ze zelfs taart van suikerbieten.

Het gevaar bestond echter dat de riolering niet meer gespoeld zou kunnen worden, waardoor het drinkwater niet meer te vertrouwen zou zijn. Dat risico wilden hun ouders niet lopen. In belang van hun gezondheid werden ze op een zogeheten ‘kindertransport’ gezet, zoals tienduizenden stadskinderen overkwam. ‘Toen het IJsselmeer ijsvrij was’ – de exacte datum weten ze niet. Eind februari 1945 moet hij zijn geweest; de tweeling moest nog 8 jaar worden.

De boot vertrok achter het Centraal Station van Amsterdam, in het IJ. Ze hadden allebei een mooie nieuwe jas, gemaakt van jassen van opa en oma. ‘Ik kan me nog herinneren dat mijn moeder bij de Oranjesluizen stond’, zegt Ina. ‘Daar ging een jongetje van boord dat steeds huilde omdat hij meende dat zijn moeder niet zonder hem kon.’ Volkert: ‘Mijn moeder zei toen we weggingen: ‘Let jij op Ina?’ Wij huilden niet, we vonden het spannend.’

Volkert Keizer met kinderfoto's van hemzelf en zijn tweelingzus Ina. Foto: Eva Faché. 

Noodbedjes in het ruim

Een vrachtschuit was het, met noodbedjes in het ruim. Alles was nat. Volkert: ‘Ik was bang dat ik in mijn bed had geplast, maar het bleek condens.’ Door de nacht voeren ze over het IJsselmeer, om uit zicht van vliegtuigen te blijven.

Ze wisten dat ze naar Ten Boer gingen. Maar ze hadden geen idee waar dat lag. Ina: ‘We waren met vakantie weleens op de Veluwe geweest. Maar nog nooit in Groningen.’ Volkert wilde als stadsjongen altijd al naar de boeren. ‘En toen gingen we naar Ten Boer. Ik dacht: dat zit goed!’

In 2020 duurt de autorit vanuit Alphen aan de Rijn (waar Ina tegenwoordig woont) via Amersfoort (de woonplaats van Volkert) naar Ten Boer zo’n drie uur. In 1945 kostte de reis drie dagen. Vanaf Lemmer reden ze in een vrachtauto met gasgenerator verder. ‘Toen er een vliegtuig aan kwam vliegen, moesten we langs de kant van de weg gaan liggen om dekking te zoeken.’

Eenmaal In Ten Boer werden de kinderen op het plein over pleeggezinnen verdeeld. Tamelijk willekeurig: wie wilde een meisje, wie wilde een jongetje? Als tweeling hadden Ina en Volkert het geluk bij buurgezinnen terecht te komen. Die vonden de tweeling met hun goede gebit aanvankelijk veel te netjes voor hulpbehoevende kinderen. ‘Wat komen die hier doen, vroegen ze zich af.’

Vluchtelingen

Ina werd ondergebracht bij het gezin van een loonwerker, een landarbeider. ‘Later heb ik pas beseft: die mensen hadden zelf weinig. En toch namen ze kinderen in huis. Het was echt liefdadigheid. Vergelijk het met het opnemen van vluchtelingen.’

Volkert kwam twee deuren verder terecht in het gezin van een kleermaker. Hij werd verzorgd door de al volwassen dochters. ‘Het waren ontzettend hartelijke en goede mensen. Heerlijk vond ik het er.’

Het gekke is, zegt Ina: in Ten Boer hadden ze helemaal geen contact met kinderen die ook uit Amsterdam kwamen. ‘Daar hadden we helemaal geen zin in. Wij waren Groningers. Binnen de kortste keren sprak ik plat Gronings.’

De dokter vond Ina wel te mager. ‘Toen kreeg ik alleen maar pap. Het eten vond ik sowieso niet echt lekker. Grote aardappels die je uit een pan moest prikken.’ Ze miste haar ouders amper, heimwee had ze niet. ‘We waren de hele dag buiten en hoefde niet naar school, want die was gesloten. Het was het hoogtepunt van mijn kindertijd.’

Het leven was buitenleven. ‘Je kon overal rennen en draven’, zegt Ina. ‘Mijn pleegbroer Manske was echt mijn broer. Met hem kon ik kattenkwaad uithalen. Vissen vangen met onze handen, muizen zoeken. Enge, maar spannende dingen. Mijn pleegouders lieten ons lekker onze gang gaan.’

Ina Keizer: ‘In Amsterdam woonden we driehoog, hier was alles land en lucht’. Foto: Eva Faché. 

Landjepik

Die pleegbroer had een grote fantasie, weet Volkert nog. Hij speelde in de tuin met duizendpoten die hij draken noemde. ‘In de sloot achter de grote boerderij aan de overkant bouwden we een dammetje. We leerden nieuwe spelletjes, en leerden hem onze spelletjes, zoals ‘oorlogje verklaren’, een soort landjepik.’

Buitengesloten voelden ze zich nooit. ’s Zondags ging Volkert met zijn pleegfamilie naar de gereformeerde kerk, terwijl ze bij hem thuis niet gelovig waren. ‘Ik heb het Wilhelmus geleerd, als voorbereiding op de bevrijding.’ Hij droomde later nog vaak over die geweldige tijd op het platteland. ‘Dan werd ik ’s morgens wakker en zei: ik heb toch zo heerlijk gedroomd, ik was terug in Ten Boer! Het paradijs was het.’

Net 8 jaar waren ze, geen besef van tijd en geen idee of en wanneer ze weer naar huis terug zouden gaan. De oorlog was ver weg. Tot ze de stad Groningen zagen branden en de Duitsers voorbij Ten Boer trokken, richting Appingedam. Grote stukken land waren onder water gezet om de geallieerden tegen te houden.

‘Toen de Canadezen oprukten, konden we schuilen in de kelder van de grote boerderij aan de overkant’, vertelt Volkert. Er werd behoorlijk geschoten en een paar huizen vlogen in brand. Toen werd het stil en waren we bevrijd.’ Dat moet op 17 april geweest zijn. ‘Een Canadese soldaat kwam aangelopen over het dammetje dat we in de sloot achter de grote boerderij hadden gelegd. Het voelde alsof ik had bijgedragen aan de bevrijding. Wij hadden hem de weg gewezen.’

Volkert en Ina Keizer met hun ouders, na de bevrijding. Foto: Eva Faché.  

‘Sigarettes, for my father’

Toen de Canadezen kwamen kregen de kinderen lekkere dingen. ‘Daar voelde ik me wel speciaal door’, herinnert Ina zich. Alle kinderen gingen bietsen: ‘Chocolate, chocolate? Wrigley, Wrigley (kauwgommerk, red.)? Sigarettes, for my father? ‘Maar die rookten we zelf allemaal op, als 8-jarigen!’, zegt Volkert. ‘Toen een soldaat vroeg waar mijn vader dan was, moest ik opbiechten: in Amsterdam, heel ver weg. De volgende dag kreeg ik geen sigaretten meer van hem.’

Ze hadden geen enkel besef dat ze na de bevrijding weer naar huis zouden gaan. Volkert: ‘We schijnen een brief naar huis gestuurd te hebben, dat we het naar onze zin hadden.’ Toen stond opeens hun moeder voor hun neus in Ten Boer. Ina: ‘Dat was heel raar. Wie is die vrouw, dacht ik. Zo netjes zag ze er uit!’ Volkert was wantrouwend, ze praatte zo anders. ‘Het was niet zo van: hiep hoi, neem ons mee naar huis!’ Ina: ‘Volgens mij zei ik na een kwartier: we gaan weer buitenspelen.’

Na de bevrijding bleef de tweeling nog een paar weken in Ten Boer, omdat hun moeder niet alleen met twee kinderen kon terugreizen. De ouders waren met vele anderen tegengehouden bij Kampen, waardoor vader in tijdnood kwam omdat hij weer aan het werk moest. Later kwam hij hen alsnog halen.

Jammer dat de oorlog voorbij was, is misschien niet het goede woord. Maar, zegt Volkert: ‘Weggaan uit Ten Boer, dat was moeilijk.’ Waar ze zich later over verbaasden: hun ouders gingen pas 25 jaar later voor het eerst terug naar Ten Boer. Misschien, denken ze, was het omdat ze geen auto hadden en de reis een te grote onderneming was.

Uiterste best

Terug in Amsterdam konden ze snel weer aarden. Al vonden Volkerts vriendjes dat hij raar praatte. ‘Terwijl ik mijn uiterste best had gedaan om niet Gronings te gaan spreken, omdat mijn moeder me dan niet meer zou verstaan.’

Eenmaal weer thuis hoorden Ina en Volkert dat heel veel mensen een nare Hongerwinter hadden gehad. Tijdens de feestelijkheden rond de bevrijding kregen hun ouders het ook naar hun hoofd geslingerd: jullie hebben de kinderen doodleuk weggestuurd. Het venijn bleef Volkert bij. ‘Zoals mensen die in jappenkampen gezeten hadden te horen kregen dat ze niet moesten klagen, omdat ze het toch lekker warm hadden gehad.’

Er bleef na de oorlog wel contact met Ten Boer, maar niet erg intensief. ‘We kregen altijd de opdracht een kaart te sturen als we met vakantie waren. Dat deden we trouw’, herinnert Volkert zich. ‘Later heb ik de banden wel aangehaald en ben ik mensen uit die tijd gaan opzoeken.’

Slechts een paar maanden woonden ze in Ten Boer. ‘Maar’, zegt Ina terug in haar huis van toen, ‘het heeft mijn leven getekend. Later, toen ik zelf kinderen had, is het besef van dankbaarheid gekomen: dat die mensen dat zomaar voor ons deden!’

Kindertransporten

Tijdens de Hongerwinter, vanaf december 1944 tot aan de bevrijding, werden ongeveer 50 duizend kinderen uit de Randstad ondergebracht in het noorden en het oosten van Nederland. Daar, ‘bij de boeren’, moesten de vaak ondervoede kinderen op krachten komen. De organisatie van deze zogeheten ‘kinderuitzendingen’ of ‘kindertransporten’ was in handen van het Interkerkelijk Overleg, een samenwerkingsverband van verschillende kerken. De ervaringen van de kinderen zijn zeer uiteenlopend. Voor sommigen was het, net als voor Ina en Volkert Keizer, een groot avontuur. Maar er waren ook kinderen die een traumatische tijd beleefden.

Deel dit verhaal