Amsterdam

Op Bevrijdingsdag kan Riek (103) één vraag niet loslaten: ‘Waar is Sonja?’

Riek Holman-Kluver (103). Foto: Katja Poelwijk

Een beruchte Jodenjager klopt in 1943 aan bij Riek, terwijl haar Joodse onderduiker Sonja binnen zit. Twee jaar later, als Amsterdam opgaat in het bevrijdingsfeest, zit Riek met haar hoofd bij het lot van haar vriendin. 

Deel dit verhaal

Riek Holman-Kluver (103) herinnert zich het draaiorgel op straat. Het gejoel. Haar dansende buurman. Hier, zegt ze met een glimlach op haar stokoude gezicht, voor de deur van het Amsterdamse pand waar ze nu nog steeds woont. ‘Hier werd de bevrijding gevierd.’

Nederland is in mei 1945 na vijf zware oorlogsjaren eindelijk bevrijd. Riek (dan 28) is vrolijk, opgelucht, maar ook zwak: ze weegt na de hongerwinter nog maar 45 kilo. En terwijl de muziek klinkt, rood-wit-blauwe vlaggen uithangen, zij en haar zusje Riet naar hun uitgelaten buurman kijken, lukt het Riek niet om één vraag los te laten: ‘Waar is Sonja?’

Riek kijkt naar de straat waar ze de bevrijding in 1945 vierde. Ze woont nog steeds in hetzelfde gebouw. Foto: Katja Poelwijk

Oppas gezocht

Riek en Riet hoeven niet lang na te denken als ze begin 1943 worden gevraagd of ze onderduikers in huis willen nemen. Riek is 26, met haar werk als coupeuse kostwinner voor het gezin. Niet lang daarvoor zijn haar ouders vlak na elkaar onverwachts overleden. Een enorme klap voor de zussen, maar ook praktisch zorgt het voor een probleem. Want wie moet er nu elke dag op hun 6-jarige broertje Ruud passen?

Niet lang daarna krijgen de zussen bericht via hun huisarts. Of ze plek hebben voor de zus van haar Joodse schoondochter. Eerst de 23-jarige Emmy en haar pasgeboren baby Robert, daarna ook Emmy’s zussen Bep en Sonja. Mooi meegenomen: de Joodse zussen kunnen op ‘Ruudje’ passen.

Geld hoeven Riek en Riet niet, anders dan veel andere onderduikaanbieders. Angst kunnen de Amsterdamse zussen zich niet herinneren. ‘Dit hadden veel meer mensen moeten doen’, zegt Riet Garrelfs-Kluver (97) nuchter. ‘Dan waren er niet zoveel Joden gestorven.’ Uiteindelijk vonden van de ongeveer 140 duizend Nederlandse Joden slechts 28 duizend een onderduikadres.

De Joodse zussen als meisjes. Emmy links, Sonja ernaast. Voor de oorlog wonen ze in een herenhuis, in 1943 is hun moeder gedeporteerd. Beeld: Liz Fellman

Emmy komt niet thuis

Met vijf jonge vrouwen, het broertje van Riek en Riet en baby Robert wonen ze maanden in het kleine appartementje. Ondanks de gevaren is het een gezellige tijd. De drie Joodse zussen brengen weer volop leven in huis. Vooral met Sonja bouwt Riek een vriendschap op. ‘We hadden gewoon een klik.’

Op vragen van de buren zou Riek antwoorden dat ze eindelijk kindermeisjes heeft gevonden om voor haar broertje te zorgen, wat niet eens een leugen is. Driekwart jaar gaat het goed, ze bieden zelfs even onderdak aan een ander Joods baby’tje in gevaar, Daan, die Riet uit de crèche tegenover de Hollandse Schouwbrug weet te redden nadat zijn moeder is opgepakt.

Tot Riek op een avond in september thuiskomt van werk en hoort dat ook Emmy die dag niet is thuisgekomen. Ze is moe van haar lange werkdag in het naaiatelier in de Joodse buurt, waar ze de laatste tijd vriendin na vriendin zag verdwijnen. Als Sonja vertelt dat Emmy die dag met haar kindje naar het centrum van Amsterdam is gegaan om kinderkleren te kopen, vermoedt Riek het ergste. ‘Daar wemelt het van de Duitsers.’

Emmy en Robert (hier afgebeeld) zijn niet thuisgekomen. Beeld: Liz Fellman

Kopgeld

Voordat de drie twintigers de kans krijgen om na te gaan wat er gebeurd is, staat een man in de deuropening. Hij is iets ouder dan zij, draagt een zwarte regenjas, ziet eruit alsof hij voor de Duitse geheime politie werkt. Riet stapt gespannen op hem af, de man zegt kortaf in het Nederlands dat hij het huis komt doorzoeken.

‘Wist u dat u een Jodin in huis had?’, vraagt de man op dwingende toon. Hij heeft in de kleine woonkamer plaatsgenomen. De sfeer is gespannen. De Joodse Sonja zit op nog geen twee meter van de man. Hij kijkt de vrouwen indringend aan, wachtend op antwoord. Riek geeft haar vriendin Sonja een schop onder de tafel. De boodschap is duidelijk: één verspreking en het is afgelopen.

Riek zegt dat ze van niks weet. De man beveelt de zussen en Sonja om identiteitsbewijzen te laten zien. Zodra hij dat van Sonja ziet, met een andere achternaam dan die van Riek en haar zus, wijst hij naar haar. ‘Wat doet zij hier?’

Riet (97) over de man in de regenjas: 'Zijn gezicht zag er best vriendelijk uit.' Foto: Katja Poelwijk

Riek en Riet weten het dan niet, maar de man in hun huiskamer is een van de beruchtste ‘Jodenjagers’ uit de Nederlandse oorlogsgeschiedenis. Eerder die dag heeft hij samen met zijn zwager Emmy en haar baby op straat opgepakt, blijkt uit archiefonderzoek van de Volkskrant. Hij werkt niet voor de politie of Sicherheitsdienst, maar is lid van de ‘Colonne Henneicke’: een groep van zo’n vijftig Amsterdamse premiejagers die in de lente en zomer van 1943 dagelijks op jacht gaan, voor 7 gulden 50 ‘kopgeld’ per Jood.

Martin Hinse (29) of Jan Rutgers (31): één van die twee zwagers kijkt Sonja nu aan. Als er foto’s waren konden Riek en Riet hem ‘zonder twijfel’ identificeren, 77 jaar later, maar die zijn er niet. Voor 15 gulden hebben de twee Emmy en Robert al ‘ingeleverd’ bij de Hollandsche Schouwburg, nu is één van hen hier op zoek naar meer Joden. Met hun ‘collega’s’ lukt het ze in een half jaar tijd acht- tot negenduizend Joden in Amsterdam op te pakken. Het zijn veelal mannen die mislukt zijn in de samenleving en dit doen voor het geld, zegt historisch onderzoeker Ad van Liempt, die een boek schreef over de groep.

Rutgers is een sloom type, maar Hinse, getrouwd met Rutgers’ zus, is een fanatieke NSB’er. Al in 1935 lid en nazi-sympathisant, net als zijn vader. Samen pakken de zwagers minstens 225 Joden op, die vervolgens bijna allemaal naar vernietigingskampen worden gestuurd. Ze tonen zich sadisten, die lollig tegen onderduikers vertellen dat ze eerder nog een familielid van hen hebben opgepakt, of opscheppen over hun mooie buit ‘Jodenkinderen’ van die dag. Na een ‘arrestatie’ kijken de twee vaak in de afvalmand, op zoek naar fruitschillen. Joden mogen vanaf 1942 geen fruit meer kopen – als Jodenjagers schillen vinden krijgen ze een bonus voor het inleveren van een ‘strafgeval’.

Sonja (hier afgebeeld) zit op nog geen twee meter van de Jodenjager. Beeld: Liz Fellman

Emmy is gearresteerd, beseft Riek. Als dit verhoor mis gaat, wordt zij zelf opgesloten in Kamp Vught en Sonja op een trein naar een kamp gestuurd, het lot dat Emmy en Robert ook te wachten staat.

Dit is een vriendin, verzint Riek, wijzend naar Sonja. ‘Ze is op bezoek om te kijken hoe het gaat nu onze ouders overleden zijn.’ Sonja heeft zich na Rieks schop onder de tafel voorgesteld als Tonny Prins, de valse naam op haar identiteitskaart, waar ook een vals adres in Amsterdam op staat. De Jodenjager ziet het adres en zegt dat hij het huis kent, boven de Albert Heijn.

Het is een truc, denkt Riek zonder een spier te verrekken, om Sonja in de val te lokken. Maar Sonja antwoordt kalm dat ze niet boven een Albert Heijn woont. Van binnen slaakt Riek een zucht van opluchting. Haar vriendin was gaan kijken hoe het huis op de vervalste ID eruitzag.

Het vervalste ID van Sonja. Beeld: Liz Fellman

De man richt zich weer tot Riek. Hoe kan het dat ze niet wist dat ze een Jodin in huis had? Riek reageert ineens fel: hoe moet zij weten dat haar kindermeisje Joods is? ‘Moet ik dat aan haar neus zien?’ Met een oude krantenadvertentie laat ze zien dat ze inderdaad een kindermeisje zocht. De man wil nog een vraag stellen, maar wordt onderbroken door Rieks broertje in de deuropening, die uit bed is gekomen. Met opgezwollen keel kreunt hij dat hij zich ziek voelt.

Dit is haar kans. Riek zegt dat bij Ruud op school de difterie heerst, een besmettelijke ziekte die dan de belangrijkste doodsoorzaak bij kinderen is.

Wanneer de Jodenjager ‘difterie’ hoort, staat hij op en loopt hij zonder zijn verhoor af te maken de kamer uit. Niet dat Rieks broertje zo ziek was – die had alleen een keelontsteking. Enigszins verbaasd over zichzelf blikt de 103-jarige Riek terug. ‘Tijdens de oorlog kon ik heel goed liegen.’

Riek en haar broertje Ruud. 'Tijdens de oorlog kon ik heel goed liegen.' Beeld: Riek Holman-Kluver

Hoe Emmy die dag is opgepakt, weet niemand. Sonja en Bep vluchten diezelfde avond: weg bij Riek, waar Hinse of Rutgers terug kan komen. Maar in de stad wemelt het nog van de premiejagers. Het is de Duitsers bijna gelukt om Amsterdam ‘Judenrein’ te verklaren, dit is hun laatste kans binnen te lopen. De zwagers waren eerder ontslagen als barman en scheermesjesvertegenwoordiger, nu verdienen ze zes keer zoveel als met hun uitkeringen.

De Jodenjager komt de volgende avond inderdaad terug om Emmy’s spullen op te halen, waaronder een ledikantje van Riek dat hij meeneemt omdat ‘er een Joods kind in geslapen heeft’. Die nacht slapen Riek en Riet in een huis waar geen spoor meer van de zussen te vinden is. ‘Ik had geen idee waar ze naartoe zouden gaan’, zegt Riek.

‘Ik had geen idee waar ze naartoe zouden gaan’. Foto: Katja Poelwijk

Deurbel

Anderhalf jaar later, als Riek met haar dansende buurman bij het draaiorgel op straat staat en Nederland bevrijd is, weet ze nog niet dat Emmy en haar baby Robert vermoord zijn in Auschwitz. Ook over Sonja weet ze niets. Schrijven was niet mogelijk, Riek heeft het de laatste jaren van de oorlog zelf zwaar gehad. Een keer of tien moest ze met de fiets naar Hollandse en Gelderse dorpen voor eten. Na de eerste Amerikaanse chocolade moet Riek overgeven, zo zwaar was de hongerwinter geweest. Nu is ze eindelijk bevrijd. Het is feest in Amsterdam.

Na een paar weken is Riek wat aangekomen. Sporen van de oorlog zijn nog overal in de stad zichtbaar. Haar leven herneemt ook langzaam het oude ritme. Op een middag gaat plotseling de deurbel.

Riek doet open. Haar mond valt open. Voor haar staat Sonja. Elkaar in de armen vallen – zoals je in oorlogsfilms ziet – doen ze niet. In plaats daarvan kijken de twee jonge vrouwen elkaar aan. Na een lange zwerftocht in Noord-Holland was Sonja bij een familie in Heerhugowaard beland, waar ze in huis kon helpen en blijven. Nu beginnen Riek en Sonja allebei te lachen. ‘Ik kon mijn ogen niet geloven’, zegt Riek.

Tante Sonja

‘Tante Sonja’, zo noemt Rieks zoon Marinus (69) de inmiddels overleden hartsvriendin van zijn moeder. Hij herinnert zich de vakanties in Engeland, waar Sonja deels uit angst voor een nieuwe oorlog naartoe emigreerde. Marinus laat de doos met brieven zien die Riek en Sonja tot haar dood in 2010 bleven schrijven, zes decennia lang, meestal om de week. Over één ding werd tijdens de vakanties en in de brieven nooit gesproken, zegt hij. ‘De oorlog.’

Riek en Sonja schreven elkaar zestig jaar lang, meestal om de week. Foto: Katja Poelwijk

In 2011 krijgen Riek en Riet de Yad Vashem-medaille opgespeld in het Joods Historisch Museum: de Israëlische onderscheiding voor hulp aan Joden in de Tweede Wereldoorlog. ‘Het komt bijna nooit meer voor dat mensen die de onderscheiding krijgen, nog in leven zijn en hem in ontvangst kunnen nemen’, zegt Daan Sajet (78), de baby die door Riet en Riek werd gered van de dood en de zussen voordroeg voor de onderscheiding. De 103-jarige Riek is waarschijnlijk de oudst levende Yad Vashem-houder van Nederland.

Het was een mooie dag, vinden de zussen. Ze waren officieel Righteous Among the Nations. Maar de medaille is voor hen niet veel meer dan een ding. Bij Riek ligt hij op een kastje, bij Riet ligt-ie in de la, ze weet niet eens in welke. ‘We hebben nooit hoeven nadenken over de vraag of we onderduikers zouden nemen’, zeggen ze opnieuw nuchter, los van elkaar, in twee verschillende interviews. ‘We deden het gewoon.’

Daan Sajet over Riek en Riet. 'Ik leef mede dankzij deze zussen.' Foto: Katja Poelwijk

Hoe liep het af met het beruchte Jodenjagersduo Hinse en Rutgers?

Tijdens gesprekken met Riek Holman-Kluver en Riet Garrelfs-Kluver in het najaar van 2019, die de basis vormen voor dit verhaal, weten de zussen nog niets over de ‘nare man’ die Emmy en haar baby in 1943 oppakt. ‘Een verrader’, zeggen ze. 77 jaar lang hebben ze gedacht dat hij ‘misschien Gestapo’ was. Maar in een stoffige map in de archieven van het Niod vindt de Volkskrant de ‘kopgeldverklaring’ voor het oppakken van Emmy en haar baby, met daaronder de namen Hinse en Rutgers. Dit was het bewijs waarmee ze in 1943 hun 15 gulden inden.

Op het dunne vel papier beschrijven de Jodenjagers de confrontatie met Riek en Riet vanuit hun perspectief. ‘Na uitgebreid onderzoek is gebleken dat de Arische vrouwen niet wisten dat [Emmy en Robert, red.] Joden waren’, luidt de Duitse tekst. Het woord ‘Arisch’ is onderstreept. Historisch onderzoeker Van Liempt noemt het ‘hoogst uitzonderlijk’ dat Sonja die avond niet door de mand viel. Zeker omdat Rutgers en Hinse twee van de meest ‘productieve’ Jodenjagers uit de Nederlandse geschiedenis zijn. Hun beruchte collega Dries Riphagen, in de film Riphagen (2016) gespeeld werd door Jeroen van Koningsbrugge, pakte ‘slechts’ een handvol Joden op. Bij Hinse en Rutgers stond die teller op minstens 225.

Gummiknuppel

Hinse en Rutgers lijken te beseffen dat hun geluk van korte duur is. Een Joodse vrouw die later tegen hen getuigt, herinnert zich dat ze zeiden dat ze ‘reeds overtuigd’ waren dat als Duitsland zou verliezen, zij ‘met één been in het graf’ zouden staan.

Als blijkt dat Duitsland de oorlog gaat verliezen, vlucht Hinse naar Drenthe. Hij wordt opgepakt en opgesloten in het dan bevrijde kamp Westerbork. De rollen zijn er nu omgedraaid: Joden lopen vrij rond, wachtend tot woonplaatsen als Amsterdam bevrijd worden. NSB’ers zitten achter slot en grendel. Oud-gevangenen herkennen Hinse en roepen dat hij Joden voor geld heeft opgepakt. De marechaussee gaat hem daarop te lijf met een gummiknuppel. Daarna vallen ook de Joden hem aan, aldus een ooggetuigenverklaring uit het kamp.

Narigheid

In het Nationaal Archief in Den Haag liggen dikke mappen over de naoorlogse processen tegen de Jodenjagers. De ‘kopgeldverklaringen’ die nu bij het Niod in Amsterdam liggen, onder meer over Emmy, vormen het bewijs in de strafzaken van Hinse en Rutgers. ‘Ik wist in het geheel niet’, zegt Hinse in de rechtbank, ‘wat er met de Joden, die ik aanhield, zou gebeuren.’ Iets later ontkent hij ook dat hij een premie ontving voor het oppakken van Joden.

Hinse en Rutgers krijgen als vonnis de doodstraf, net als 152 andere Nederlanders na de Tweede Wereldoorlog. Een kleine veertig van hen wordt daadwerkelijk geëxecuteerd. De zwagers krijgen gratie en zitten elk zo’n vijftien jaar vast. Eind jaren vijftig worden ze vrijgelaten. Hoe de levens van de mannen er daarna uitzien, is onbekend.

Riek, die door de interviews met de Volkskrant voor het eerst hoort over de Jodenjagers die verantwoordelijk zijn voor de dood van Emmy en haar baby Robert, is duidelijk over hun lot. ‘Ze hebben de mensen veel narigheid bezorgd. Ik hoop dat ze veel narigheid teruggekregen hebben.’

Deel dit verhaal