Nijmegen

Miep wachtte maandenlang op haar vader. ‘Hij komt wel thuis’, bleef ik zeggen

Miep Polman-Tummers in Nijmegen met de banjo die ze van haar vader kreeg. Foto: Rebecca Fernitel. 

Mieps vader werkt bij een sigarenfabriek in Groningen als de geallieerden in september 1944 beginnen aan hun operatie Market Garden. Het offensief splijt Nederland in tweeën. Het lukt Mieps vader niet meer om terug te keren naar zijn gezin in Nijmegen. En ook na de bevrijding blijft het akelig stil.  

Deel dit verhaal

Op haar banjo spelen doet Miep Polman-Tummers (95) al lang niet meer. Ze stopte 21 jaar geleden, toen ze naar de ouderenflat aan de bosrijke rand van Nijmegen verhuisde, vertelt ze. ‘Het is hier zo gehorig, de buren zouden gek worden van mijn getokkel.’

Ze is er inmiddels ook te oud voor. Kijkend naar haar gerimpelde, eeltloze handen, vermoedt ze dat ‘die E-snaar nu zo door mijn vingers snijdt’. Toch zal Miep de banjo nooit wegdoen. Het is een van de weinige bezittingen die niet in vlammen opgingen toen haar ouderlijk huis in Nijmegen kort na de bevrijding in brand vloog. Het was het laatste grote cadeau dat ze van haar vader kreeg, op haar 18de verjaardag in 1942.

‘Hij was mijn held, leerde me spelen. We gingen samen naar concerten, naar de film. Hij speelde liedjes van George Formby op de banjo.’ Miep laat een korte stilte vallen. Haar vader werkte in Groningen tijdens de oorlog, maar kwam elk weekend thuis. Tot Nijmegen op 20 september bevrijd werd en voor haar juist een heel angstige, onzekere periode begon. ‘Ik heb maanden gewacht, denkend dat hij thuis zou komen, maar dat is nooit gebeurd.’

Een nieuw leven in Groningen

Voor vader Paul Tummers (destijds 54) was het een uitzonderlijke kans geweest. Hij hoorde in 1940 over een Groningse zakenman die een sigarenfabriek had gekocht, maar geen verstand had van sigaren. Tummers, vertegenwoordiger in sigaren, kwam in contact met hem. De twee besloten een compagnonschap aan te gaan: samen zouden ze de sigarenfabriek gaan runnen. De Groninger stond in voor het geld, Mieps vader bracht zijn vakkennis mee.

De vader van Miep, Paul Tummers. Beeld: Miep Polman-Tummers.

Tummers’ plan was om samen met zijn vrouw en dochter naar Groningen te verhuizen en daar een nieuw leven te beginnen. Maar het vinden van een woning bleek niet makkelijk in oorlogstijd, zeker niet toen in 1942 een bouwstop werd afgekondigd. Dus werkte hij doordeweeks in het Groningse dorp Zuidhorn, sliep hij in de stad Groningen, en nam hij elke zaterdagochtend de trein naar Nijmegen, om telkens tot maandagochtend bij zijn gezin te blijven.

Zijn dochter Miep, 15 en scholier toen de oorlog begon, verheugde zich elke week op zijn komst. Met zijn tweeën gingen ze naar de bioscoop, kaartten ze bij vrienden, maakten ze muziek en lazen ze thuis boeken. ‘Hij en ik konden uren naast elkaar zitten, zonder iets te zeggen. Ik las alles van Dickens in het Engels, hij las kunstboeken. ‘Jullie verlezen je verstand’, zei mijn moeder altijd.’

Bij haar moeder kon Miep nooit haar verhaal kwijt zoals ze dat bij haar vader kon. ‘Hij ging altijd rustig zitten om naar me te luisteren, nam de tijd voor me.’ Ze herinnert zich hoe ze ging solliciteren maar een onprettig gevoel had bij de man die haar wilde aannemen. ‘Toen ik dat aan mijn vader uitlegde, zei hij meteen dat ik daar niet moest gaan werken. Hij was een gevoelsmens, hij begreep dat daar iets niet pluis was.'

Miep was 19 aan het einde van de oorlog. Beeld: Miep Polman-Tummers. 

De banjo

Miep kan zich het 'prachtige’ moment nog herinneren waarop ze de banjo van haar vader kreeg. Het was 1942, de Duitse invloed werd steeds grimmiger. Joodse vriendinnetjes werden gedeporteerd, elke maand werd er wel weer een nieuwe regel afgekondigd. De avondklok werd in het leven geroepen. Maar voor Miep, die inmiddels werkte als facturist in de Nijmeegse C&A, vrolijkte de banjo haar op. ‘Ik nam hem overal mee naartoe, speelde er buiten met vriendinnen op. Als Duitsers naar ons keken, keerden wij ze de rug toe. ‘We spelen voor onszelf, niet voor jullie’, op die manier.’

Tot 1944 maakte Miep zich ook weinig zorgen om haar op- en neerreizende vader. Ze begon pas ongerust te worden toen treinen steeds vaker door geallieerde vliegtuigen beschoten werden om de logistiek van het Duitse leger lam te leggen. Elke week moest hij via Deventer en Zwolle naar Nijmegen. Dat traject werd vanwege het voor Duitsland belangrijke knooppunt Zwolle in de zomer van 1944 geregeld bestookt.

Miep Polman-Tummers op de banjo die ze van haar vader kreeg. Foto: Rebecca Fernitel. 

Toch bleef haar vader trouw de reis naar huis maken, elk weekeinde, tot half september. Aan zijn laatste bezoek heeft Miep geen specifieke herinnering, ‘omdat ik dacht dat hij het volgende weekend weer bij ons zou zijn’.

Maar toen begon op 17 september de operatie Market Garden, die een doorbraak naar Duitsland moest forceren en waarvoor de geallieerden een aantal strategische bruggen in Nederland in handen moesten krijgen, waaronder die bij Nijmegen. Miep herinnert zich het onderduiken in een klooster nabij de Waal, het continue gefluit van granaten, de angstige sfeer waarin ze dagen verkeerde.

Het bevrijden van Nijmegen duurde langer dan verwacht, pas op de vierde dag lukte het de Amerikanen om de Waalbrug in te nemen. Deels door deze vertraging mislukte Market Garden, werd Duitsland niet zoals was beoogd voor het eind van 1944 verslagen en zou ook Groningen nog maandenlang bezet blijven.

Nederland splijt door operatie Market Garden

Terwijl in frontstad Nijmegen voorzichtig gefeest werd om de bevrijding te vieren, begon Miep zich zorgen te maken. Haar vader was het weekend na de bevrijding niet thuisgekomen. Reizen tussen bevrijd en niet-bevrijd gebied was onmogelijk, zegt ook historicus Lennert Savenije van de Radboud Universiteit in Nijmegen. ‘Het bevrijde Nederland en het bezette Nederland moet je zien als twee losse werelden, een beetje zoals het Verenigd Koninkrijk en de rest van Europa in de oorlog, waartussen verkeer en post niet meer mogelijk waren.’

Miep wilde brieven aan haar vader schrijven, maar herinnert zich dat haar bij het opsturen werd verteld dat dit ‘zinloos’ was. Ze zag hoe pessimistisch haar moeder al snel werd. ‘Die komt niet meer thuis’, hoorde de 19-jarige Miep haar na een paar weekeinden zeggen. ‘Ik ging tegen haar in. ’Hij komt wel thuis’, bleef ik zeggen. Als heel Nederland bevrijd is, staat hij hier op de stoep.’

Begin oktober trof een Duitse granaat die bedoeld was voor de Waalbrug het ouderlijk huis van Miep. Alle bezittingen, kleren en foto’s gingen bij de brand verloren, behalve de banjo, ‘die had ik altijd bij me’. In november, december, januari ging het leven in de frontstad verder, Miep werkte elke dag in de C&A, moest vaak schuilen als ergens weer een granaat ontplofte. In februari werd het langzaam rustiger in Nijmegen. In maart, april, was er nog steeds geen teken van vader.

En dan wordt Nederland in mei bevrijd.

De verwoesting van Nijmegen. Beeld: Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid.

Hopen en wachten

‘Ik dacht dat hij eindelijk weer thuis zou komen’, zegt Miep, haar rollator stevig vasthoudend naast het Valkhofpark, de plek in Nijmegen waar haar ouderlijk huis stond, net over de Waalbrug. Hier wachtte ze haar vader in de dagen na de bevrijding in mei op. Het was de plek waarvan ze wist dat evacués uit Groningen en Friesland vanuit vrachtauto’s afgezet werden, de plek waar ze haar vader eindelijk zou kunnen omhelzen, meer dan acht maanden na de laatste keer dat ze elkaar zagen. Miep herinnert zich hoe ze hier 75 jaar geleden rondliep. ‘Ik was bang dat mijn vader bij ons afgebrande huis zou aankomen en zich zorgen zou maken over mijn moeder en mij, dus wachtte ik hier op hem.’

Eén keer kreeg ze het gevoel dat hij er was, nadat ze een groep van zo'n twintig personen uit een vrachtwagen had zien stappen. Ze snelde naar de groep toe, keek vluchtig naar de mannen en vrouwen, en dacht haar vader te herkennen in de rug en het achterhoofd van iemand die net van de vrachtauto kwam. ‘‘Hij leeft’, dacht ze opgelaten, en ze greep hem bij zijn arm. Toen de man zich omdraaide en Miep zijn gezicht zag, bleek het hem niet te zijn.

‘Ik kon alleen maar huilen, was mezelf niet meer. De man van wie ik dacht dat het mijn vader was, moest me kalmeren en vragen of hij me ergens naartoe kon brengen. Langzaam verdween mijn hoop.’

Miep Polman-Tummers in het Valkenhofpark in Nijmegen. Foto: Rebecca Fernitel. 

Noodkreet

Die hoop zou één keer terugkomen, een maand later, toen Miep twee brieven van haar vader ontving. ‘Zie je wel’, riep ze tegen haar moeder terwijl ze de post liet zien. ‘Hij leeft!’ Maar na het openen bleken de brieven in september verstuurd te zijn, dik acht maanden eerder. In de ene vroeg hij om warme kleding, omdat hij het koud had. In de tweede schreef hij dat hij ‘verging van de pijn’ omdat hij zo ziek was, en dat hij hoopte dat hij snel weer met Miep kon ‘babbelen’.

Niet veel later kwam een brief van de notaris, waaruit bleek dat vader Tummers overleden was. In januari al was hij op een ochtend dood in zijn bed aangetroffen, bij de familie waar hij verbleef. De doodsoorzaak kregen Miep en haar moeder niet te horen.

‘Even dacht ik nog: dit is niet echt, wie heeft deze brief geschreven?’, zegt Miep. Tegelijkertijd voelde ze dat haar zoektocht nu afgelopen was. ‘Ik ben geen pillenslikker’, zegt ze. ‘Maar in de nachten erna heb ik pilletjes van de dokter moeten krijgen om te kunnen slapen. Zo verdrietig was ik.’

'Ik verga van de pijn', schreef Mieps vader. Foto: Rebecca Fernitel. 

Twee brieven van haar vader

Nu liggen de twee brieven van haar vader voor haar, op het bijzettafeltje in de seniorenwoning in Nijmegen. Een jaar of tien geleden keek ze in deze kamer naar de herdenking van 4 mei op het Journaal en begon ze te huilen. Ze zag kinderen bloemen op de graven van geallieerde soldaten leggen. ‘Zij konden naar de graven van mensen die ze niet kennen’, dacht ze, ‘en ik weet niet eens waar mijn eigen vader begraven ligt.’

In 1945 wilde Miep meteen naar Groningen afreizen, vertelt ze. ‘Om uit te zoeken waaraan hij was gestorven en waar hij begraven lag.’ Via een leidinggevende van C&A kon ze de reis maken, maar Mieps moeder verbood het. ‘Het was duidelijk dat de zakenpartner van mijn vader de boel had lopen flessen, en mijn moeder was bang dat we schulden zouden erven als ik erachteraan ging. Ik wilde zo graag gaan, maar van haar moest ik het uit mijn hoofd zetten.’

Daar heeft ze nog steeds spijt van. ‘Mijn moeder was vaak ziekig. En omdat ze heel kwaad kon worden, durfde ik haar niet met opstandigheid te belasten. Ik had koppiger moeten zijn, maar heb me laten lamleggen.’

Miep Polman-Tummers in het Valkenhofpark in Nijmegen. Foto: Rebecca Fernitel. 

Laatste rustplaats

Zeventig jaar lang wist Miep niets over de dood van haar vader. Ze trouwde, kreeg kinderen, bleef banjo spelen, begon vragen te stellen over het huwelijk van haar ouders. ‘Mijn moeder deed doordeweeks van alles – schoonmaken, koken, huishouden. Maar als mijn vader in het weekend thuiskwam, was ze soms ziekig, of lag ze op bed. Hadden ze niet het goede huwelijk dat ik vroeger dacht dat ze hadden? Wilde ze hem na zijn dood achter zich laten?‘

Nooit zette ze de stap om de dood van haar vader verder uit te zoeken, altijd bleef het onbevredigende gevoel hangen. Tot ze in 2011 geïnterviewd werd door Bart Janssen, die sinds 1994 Nijmeegse ooggetuigen spreekt over de Tweede Wereldoorlog. Janssen zegt telefonisch dat hij zich herinnert hoeveel indruk het verhaal van Miep op hem maakte: ‘Hoe kan iemand zeventig jaar lang met deze vragen blijven zitten?’ Na hun gesprek zocht hij contact met de Groningse begraafplaatsen die in 1944 actief waren.

Hij vond het graf van Paul Tummers in de stad Groningen, waar hij sinds januari 1945 begraven ligt. Janssen herinnert zich hoe ‘dolgelukkig’ Miep was toen hij haar het nieuws vertelde. Miep benadrukt hoe dankbaar ze is voor wat Janssen heeft gedaan. Met een goede vriend en haar schoonzoon ging ze op haar 90ste naar Groningen, naar de laatste rustplaats van haar vader.

Uit het mapje waarin de brieven van haar vader zitten, haalt Miep een stapeltje foto’s tevoorschijn. Daarop is op het Groningse kerkhof een leeg en kaal rechthoekig stukje gras te zien. Aan beide kanten staan grafstenen waar namen, leeftijden en wensen van nabestaanden op staan. Miep legde op het stukje gras een klein boeketje roze rozen neer.

‘Het voelde akelig’, zegt ze. ‘Ik voelde weer hoe eenzaam hij gestorven moest zijn, zonder zijn vrouw en dochter. De vragen die ik al die jaren had gesteld, kwamen terug: had ik iets kunnen doen om hem te redden? Had ik bij hem kunnen zijn toen hij stierf? Had ik toch naar Groningen moeten gaan?’

‘Maar’, voegt ze na een korte stilte toe, ‘ik kon het wel afsluiten, daar op dat kerkhof. Die vragen gingen hem niet terugbrengen. Ik heb eindelijk afscheid kunnen nemen van de man die me heeft leren banjospelen.’

De laatste rustplaats van Paul Tummers, zonder grafsteen. Beeld: Miep Polman-Tummers.

Leven tussen de granaten

Na operatie Market Garden leefden de Nijmegenaren maandenlang in de meest noordelijke stad van het westelijke geallieerde front, legt historicus Lennert Savenije uit. Anders dan Arnhem werd de stad na het mislukken van Market Garden niet of nauwelijks geëvacueerd. ‘Weinig Nederlandse steden hebben na hun bevrijding zo lang tegen de Duitse linie gelegen.’

De bevrijding werd nauwelijks gevierd. Nijmegen was in het voorjaar van 1944 al getroffen door een groot Amerikaans bombardement, waarbij tussen de 700 en 800 doden vielen. Nu bleven Duitsers op de stad schieten, onder andere met het doel de Waalbrug op te blazen. ‘Nijmegenaren waren bevrijd maar niet vrij. Ze leefden in schuilkelders en zagen hoe hun stad verder werd verwoest.’ In deze 'granatentijd' vielen veel burgerslachtoffers, over hen verschijnt van Bart Janssen (zie tekst) binnenkort een postuum monument, Het verdriet van Nijmegen.

Pas in mei 1945 werd de vrijheid uitbundiger gevierd. Toch bleef het volgens Savenije voor veel Nijmegenaren vreemd feesten, ‘tussen de verwoeste huizen van vrienden en familie’.

Deel dit verhaal