Leiden

Nico moest met zijn klompen dreigen om de uitgehongerde stadsjongens van zich af te houden

De bevrijding van Zoeterwoude begon als een groot feest voor Nico van der Poel (86), totdat daar opeens een stel stadsjongens stond. ‘De Leidenaren waren pissig omdat wij nooit honger hadden gehad en zij wel.’ 

Deel dit verhaal

Het was zo mooi begonnen, die 8ste mei 1945. De 11-jarige Nico van der Poel was met zijn broer en vrienden van hun boerderij naar de weg naar Leiden gelopen. De bevrijders waren in aantocht en dat wilden ze zien. Ze werden opgepikt door Canadezen en mochten meerijden naar de stad. Maar toen ze in de stad aankwamen, kregen ze het aan de stok met Leidenaren.

‘Gelukkig hadden we onze klompen aan’, herinnert Van der Poel. ‘Daarmee konden we dreigen en ons verdedigen.’ De reden van de opstootjes: de plattelandsjongens zagen er goedgevoed uit. ‘De Leidenaren waren pissig omdat wij nooit honger hadden gehad en zij wel.’

Van der Poel (86) vertelt het via de telefoon vanuit zijn woonplaats Boxtel, vanwege corona de enige mogelijkheid om contact te hebben. Het was even onzeker of het gesprek door kon gaan, want de dag ervoor was hij naar de tandarts geweest en kon hij amper praten. Maar daar is nu niks van te merken en zeker over de oorlog haalt hij graag herinneringen op.

Schuilkerk

Van der Poel woonde aan de Weipoortseweg in de gemeente Zoeterwoude, een lange weg met boerderijen met voornamelijk katholieke families. De boerderij van Nico’s familie werd in vroeger tijden als schuilkerk gebruikt. In de oorlog werkten veel boeren mee aan het verzet, vooral door eten te leveren, en er waren veel onderduikers.

Ook bij Van der Poel thuis verbleven twee jongens die waren opgeroepen om te werken in Duitsland. Om de onderduikers te beschermen, hadden de inwoners van Weipoort een waarschuwingssysteem bedacht. ‘Als iemand Duitsers zag, werden de kinderen er op uitgestuurd om de anderen te waarschuwen.’

De ondergrondse zorgde ook dat er voedsel van de boeren werd verdeeld. Op de jonge Van der Poel maakte één actie grote indruk. Op een avond gingen de buurtbewoners met z’n allen de bomen aan het Weddepad rooien. Tot diep in de nacht werden ze in stukken gehakt en met platte schuiten vervoerd naar mensen die geen hout meer hadden om te stoken. Ook de kinderen hielpen, zij verzamelden de takken en maakten er bossen van. ‘Toen het ’s morgens licht werd, was die hele lang weg helemaal kaal. Zo mooi, ongelooflijk.’

Angstige momenten waren er ook, maar de oud-boekhouder praat er ruim 75 jaar later onderkoeld over. ‘We hadden wel eens razzia’s, maar die stelden meestal niet zo veel voor’, herinnert hij zich. ‘Die Duitsers waren meestal boerenjongens, die vonden het wel best.’

Fles jenever

Bij één razzia vroegen ze aan zijn vader: ‘Haben Sie Gläser’. Ze hadden een fles jenever bij zich, die ze voor een groot deel leeg dronken. Een dag later vroeg de buurman waar die fles jenever vandaan kwam. Van de Duitsers, antwoordde zijn vader. Van der Poel begint te lachen: ‘Toen zei de buurman: ‘Maar die hebben ze bij mij gestolen!’’

Toch werd het tegen het eind van de oorlog nog een keer echt spannend, toen twee soldaten op de boerderij kwamen. Het waren volgens Nico geen Duitsers, maar vermoedelijk Wit-Russen. Aan het Oostfront waren veel Sovjet-soldaten door de Duitsers krijgsgevangen genomen, een deel van hen besloot eieren voor zijn geld te kiezen en tot het Duitse leger toe te treden. ‘De onderduikers hielden zich verstopt op een geheime zolder’, zegt Van der Poel. ‘Even leek het of een van de soldaten daar naartoe wilde, maar toen kwam zijn kameraad uit de kelder met eten. Daar was het ze om te doen.’

De onderduikers werden nooit gevonden. Tijdens de oorlog hielpen ze vaak mee op de boerderijen en Van der Poel heeft aan een van hen te danken dat hij kan zwemmen. In de Weipoortse Vliet, achter hun huis, waren wel eens kinderen verdronken. Tot een van de onderduikers vroeg waarom niemand ze leerde zwemmen. Volgens Van der Poel was hij ‘een zwemkampioen’, maar zijn naam kan hij niet meer herinneren. ‘Hij kwam uit Amsterdam en was een communist’, weet hij nog wel.

Munitie opduiken

‘En toen we konden zwemmen, konden we ook duiken.’ In de Weipoortse Vliet was genoeg te vinden, want aan het begin van de oorlog hadden Friese soldaten allemaal munitie in het water gegooid. Zij hadden tegen de Duitsers gevochten op vliegveld Valkenburg.

‘Voor ze zich overgaven, gooiden ze dat allemaal in het water. En wij doken dat natuurlijk op. We maakten die kogels open en stopten het kruit in een blik. Dat gaf een geweldige knal. In de middag sliepen de boeren, die werden dan allemaal wakker. Maar het was natuurlijk levensgevaarlijk.’

Van der Poel hoorde op 4 mei voor het eerst dat heel Nederland bevrijd was. ‘Overal kwamen opeens vlaggen tevoorschijn. Ook bij ons op de boerderij. We waren in een euforische, hemelse stemming, maar toen kwam al snel de politie. We moesten alles weghalen, want als de Duitsers het zouden zien, kwamen we misschien nog in de problemen.’

Een paar dagen later kon niemand ze meer tegenhouden en vierde Nico feest tussen de hongerige Leidenaren. Tot ze het met de stedelingen aan de stok kregen. Maar de klompen hielpen, tot vechten kwam het niet en ze liepen weer terug naar de boerderij.

‘Eén ding heb ik nooit begrepen’, zegt hij. In september ging hij naar de middelbare school in Leiden en toen zag hij er vuilniszakken vol met oude witte broden. ‘Terwijl ze zo’n honger hadden gehad. ‘Hoe kan dat nou?’, zeiden we tegen de Leidenaren. Jullie verrekten toen nog van de honger. Wij hebben nooit honger gehad, maar we hebben ook nooit iets weggegooid.’

Deel dit verhaal