Mesch

De bevrijding van Nederland begon met koehandel in de boomgaard van boer Smeets

Boer Willem Smeets met enkele huisgenoten en buren bij een M8 pantserwagen

Het Zuid-Limburgse Mesch was 75 jaar geleden de eerste plaats in Nederland die door de geallieerden werd bevrijd. Ze waren van harte welkom. Als ze de boel maar een beetje heel lieten.

Deel dit verhaal

Voor Willem Smeets en zijn gezin, bewoners van boerderij De Muggehof in het Zuid-Limburgse Laag Caestert, was de Duitse bezetting op 12 september 1944 omstreeks 11.30 uur ten einde. Zij zaten aan het warme middagmaal toen cavaleristen van het XIXe (negentiende) Amerikaanse legerkorps in pantserwagens het erf kwamen oprijden. De Duitsers hadden zich eerder die ochtend al uit de voeten gemaakt. Ze waren ‘stug en lastig’ in de omgang geweest, herinnerde Willems zoon Willy zich veertig jaar later.

Willy’s broer Hubert ‘had voor priester gestudeerd’. Hij kon zich dus ‘met de Amerikanen verstaan’. Die wilden voor de camouflage van hun voertuigen takken van appelbomen gebruiken, maar ‘deze hingen vol Eijsdener en Gronsvelder Klumpkes die nog niet rijp waren. Het was dus zonde om die takken af te breken. We boden de Amerikanen aan takken van canadassen – populieren – te kappen; die moesten toch worden opgesnoeid.’

Wilt u dit artikel liever beluisteren?

Amerikaanse militairen te midden van de eerste door hen bevrijde Nederlanders. 

Zo begon de lang verbeide bevrijding van Nederland: met een soort koehandel in de boomgaard van boer Smeets. De volgende drie dagen zouden drie onderdelen van het XIXe legerkorps 15 kerkdorpen en 26 gehuchten in Zuid-Limburg bevrijden. Daarbij vielen ten minste 120 doden: zo’n honderd Duitse militairen, veertien Amerikanen en vijf Nederlandse burgers. Voor het XIXe legerkorps was de bevrijding van Zuid-Limburg onderdeel van de inname van Aken, op 21 oktober.

Amerikanen op weg naar Sint Geertruid.

Ruim twee uur nadat boer Smeets de Amerikanen had begroet, werd Mesch bevrijd – als eerste dorp in Nederland. Jef Warnier, hoofd van de plaatselijke basisschool, had hun de weg naar het dorpscentrum gewezen. ‘Er werd op bier getrakteerd, ik meen zelfs dat de pastoor enkele flessen wijn geofferd heeft’, schreef Warnier later in zijn herinneringen aan die periode. ‘Een Amerikaan toonde belangstelling voor een fles inkt; de eerste transactie kwam tot stand: een pakje sigaretten Raleigh (ik heb ’t omhulsel nog) voor een potje inkt.’ Met een van de bevrijders bracht Warnier een deel van de avond door – ‘me ongans rokend aan de heerlijke Amerikaanse sigaretten’. De volgende ochtend trok zijn gast weer verder, ‘zijn kameraden achterna’. ‘Bij het afscheid maakte onze logé de indruk heel erg down te zijn en hulpeloos.’

Ontvangst van de Amerikanen in Rijckholt door paters Dominicanen.

Gesneuvelde soldaten

Later trof Warnier naast zijn huis een gesneuvelde Duitser aan. Uit diens pasje maakte Warnier op dat hij Wilhelm Härtel heette en dat hij aan het Oostfront had gevochten. ‘En dan moet hij juist hier, vlak bij huis, sterven.’ Even verderop was een andere Duitse soldaat gevallen. Al zijn bezittingen, inclusief zijn uniform en onderkleding, waren geroofd. Op 12 september kwam ook de eerste Amerikaan op Nederlandse bodem om het leven, bij Noorbeek – hemelsbreed zo’n 7 kilometer van Mesch: Roy L. Booher, een boerenzoon uit Kentucky. Op 21 september 1944 zou hij 24 jaar zijn geworden.

Later die middag bereikte het eerste bataljon van het 119de regiment het plaatsje Mheer. Fina Bormans-Habets, destijds 12 jaar oud, kan zich die gebeurtenis nog goed herinneren. ‘Je hoorde het lawaai van krijgshandelingen steeds dichter bij komen, maar de eerste Amerikanen bereikten Mheer geruisloos – te voet.’ Met haar oom, een ongetrouwde molenaar die bij haar ouders inwoonde, snelde ze naar de zolder om een Nederlandse vlag – die met het oog op de naderende bevrijding al aan een stok was bevestigd – door het dak te steken. Daarna verwelkomde zij op straat de passerende soldaten met rode appeltjes. ‘Die hadden we tevoren op stro gelegd om mooi uit te kleuren.’ De Amerikanen op hun beurt deelden chocola en kauwgum uit. ‘Dingen die wij helemaal niet kenden.’

Amerikaanse militairen te midden van de eerste door hen bevrijde Nederlanders.

Gevochten werd er nauwelijks in Mheer, zegt Fina Bormans. ‘Er werd geschoten bij het kasteel van de baron (een telg van het geslacht De Loé, red.) waarbij een Duitser om het leven kwam.’ Dichterbij is de oorlog voor haar nooit gekomen. In Banholt, een dorp verderop, is wel slag geleverd. Daarbij sneuvelden veertien Duitsers en ging een boerderij in vlammen op. Maar in Mheer was het op dat moment weer rustig. Er werd, voor zover Bormans zich dat kan herinneren, zelfs niet gefeest. ‘Dat gebeurde pas in mei 1945, toen heel Nederland was bevrijd.’

De laatste fase van de bezetting was voor Bormans veel spannender geweest. Zij herinnert zich nog hoe een oom van haar op het terrein van de baron een vrachtwagen onder takken verborg om te voorkomen dat de Duitsers er beslag op zouden leggen. En hoe bezorgd haar moeder was toen broer Michel uren wegbleef nadat hij de duisternis was ingetrokken om ‘een man met koffers en een tas’ over de Belgische grens te helpen. Of dat zij op het land van haar vader – een boer – twee vrouwen (‘een Poolse en een Baltische’) aantrof die zich onder een hooiruiter verscholen voor de Duitsers.

Amerikaanse soldaten worden door leden van de Belgische ondergrondse de Maas over gezet.

Een 8 voor Duits

De laatste nacht van de bezetting was ook memorabel: alle huisgenoten hadden zich in de kelder geïnstalleerd – uit beduchtheid voor het oorlogsgeweld. Daar kregen ze bezoek van een Duitse soldaat die om burgerkleding vroeg. ‘Mijn moeder had wel te doen met die jongen, maar haar broer – van wie de Duitsers al een auto hadden afgepakt – zei: geef die kleren niet. Toen mijn moeder de volgende dag hoorde van die Duitser die bij het kasteel van de baron was gesneuveld, zei ze: dat zal toch niet die jongen zijn die vannacht bij ons is langsgeweest?’

Fina Bormans-Habets Foto: Sander van Walsum

In het najaar van 1944 ging Fina Bormans naar de ULO (school voor Uitgebreid Lager Onderwijs) in Schimmert, waar ze in een pensionaat woonde. ‘Daar schermden de nonnekes ons af van de oorlog die elders in Nederland nog woedde. Door de gesloten katholieke wereld heb ik daar niets van meegekregen.’ Met Kerstmis kwam ze thuis, waar enkele Amerikanen waren ingekwartierd. Aan één van hen, een arts, liet ze haar schoolrapport zien. ‘Ik had een 8 voor Duits en een 6 voor Engels. Ik herinner mij zijn commentaar nog: dat had andersom moeten zijn.’

De bewoners van boerderij de Muggehof en enkele buren op een halftrack van het Amerikaanse leger. Tweede van links: boer Willem Smeets.

Bijltjesdag

De bevrijde delen van Zuid-Limburg waren een proeftuin voor de rechtspleging en het herstel van het wettig gezag in de rest van Nederland. Om te voorkomen dat het land na het vertrek van de Duitsers in bestuurlijke en justitiële chaos zou vervallen, werd (al in 1940) de Ordedienst – OD – in het leven geroepen. Een van zijn doelstellingen was ‘het gevangen nemen of interneren van bepaalde elementen (mede om deze aan volkswraak te kunnen onttrekken) ter wettelijke berechting’.

Daarvoor bleek de OD in september 1944 slecht te zijn toegerust. Toen de organisatie op 14 september haar intrek nam in de Grote Sociëteit aan het Vrijthof, bleek ze over slechts dertig manschappen te kunnen beschikken. In allerijl werden nieuwe ordehandhavers gerekruteerd – waarbij minder op de kwalificaties van de kandidaten werd gelet dan op hun aantallen. Daarnaast ontstond een plaatselijke organisatie die niet van de ‘echte’ OD was te onderscheiden. En zo werd de OD onderdeel van de chaos die hij werd geacht te bestrijden.

‘Veel onschuldigen werden opgepakt’, schrijven de auteurs van het boek De Bevrijding van Eijsden-Margraten in september 1944. ‘Oude ruzies werden beslecht en veel mannen en vrouwen werden gearresteerd en ‘in optocht’ naar het politiebureau of de gevangenis gebracht. Daarbij begeleid door joelende, spugende en scheldende Maastrichtenaren. Korte tijd leek de ene helft van Maastricht de andere helft te arresteren.’ De politie werd, naar eigen zeggen, gehinderd door ‘de spontaniteit waarmede de bevolking het grootste deel der taak overnam, en wel het doen van arrestaties met alle nadelige gevolgen van dien’.

Prins Bernhard

Van prins Bernhard, bevelhebber van de Binnenlandse Strijdkrachten (waaronder de OD ressorteert), ging geen kalmerende invloed uit toen hij Maastricht op 18 september bezocht. Volgens een verslag van dat bezoek in Het Parool spoorde hij de illegaliteit aan om ‘vooral niet te zachtzinnig op te treden tegen verraderlijke elementen’ en ‘om hun zuiveringsarbeid met kracht voort te zetten’. Eind november waren in Maastricht zo’n 1.400 verdachten geïnterneerd – vaak onder mensonwaardige omstandigheden. In september 1945 was hun aantal opgelopen tot 2.606.

De enig bekende foto van de bevrijding van Mesch: een soldaat zoekt verscholen Duitsers.

Dachau in Maastricht

De behandeling van werkelijke en veronderstelde landverraders riep snel weerstand op. Zo schreef pastoor Steegmans van de parochie Sint Pieter in het najaar van 1944: ‘Is het niet af te keuren dat aan het ophalen (van NSB’ers, red.) werd deelgenomen door mensen uit de onderwereld? Dat horloges, gouden ringen, handtasjes enz. eenvoudig werden geroofd? Dat bij vele vrouwen en meisjes de haren werden afgeknipt zonder enig onderzoek naar schuld?’ In maart 1945 publiceerde Charles van Oppen, advocaat-procureur bij de rechtbank in Maastricht een aanklacht onder de veelzeggende titel Dachau in Maastricht!. Deze stemmen gingen echter nog geruime tijd verloren in het gejoel van wraakzuchtige menigten.

Voor dit verhaal is gebruik gemaakt van het boek ‘De Bevrijding van Eijsden-Margraten in september 1944’ door Frans Roebroeks, Jo Purnot, Sjef Kusters en Henk Boersma. Al het gebruikte historische fotomateriaal is eveneens uit dit boek afkomstig.

Deel dit verhaal

Naar de kaart