Echt-Susteren

Leven op de grens: ‘Als ik naar oma wilde, moest ik de Hitlergroet brengen’

Annie Hintzen-Peulen voor het raam waardoor haar moeder keek om te zien of zij de oversteek naar oma kon maken. Beeld: Katja Poelwijk. 

Voor Nederlanders dicht bij de grens met Duitsland, betekenden bezetting én bevrijding nog wel eens een ruwe scheiding binnen families. Dat is het verhaal van Annie Hintzen-Peulen uit Echterbosch en haar oma die net over de grens leefde.

Deel dit verhaal

‘Kijk, nu sta ik in Duitsland’, zegt Annie Hintzen-Peulen (85) als ze de deur van haar ouderlijk huis uitstapt. Ze leunt op het grenspaaltje vlakbij de voordeur. De grens loopt recht langs het huis, en dwars door de tuin. ‘Heerlijk om hier weer te zijn’, zegt ze opgewekt. Aan de omgeving is weinig veranderd en toch is alles anders dan 75 jaar geleden. ‘Nu kan ik gewoon de grens over.’

Annie wijst naar het gevelraam aan de zijkant van de woning. Ze woont er zelf niet meer, maar de boerderij is nog wel in bezit van de familie. ‘Daar stond mijn moeder altijd voor het raam om te kijken of ik wel naar oma in Waldfeucht kon (het Duitse dorpje 150 meter verderop, red.), zonder dat ik de Hitlergroet zou hoeven brengen. Als de Gestapo of Grenzpolizei er stond, dan ging ik niet. Stonden ze er niet, dan nam ik de gok. Maar soms stond de Gestapo er toch als ik terug wilde. Dan móést ik de Hitlergroet wel brengen.’

Uit elkaar

Annie schiet er nog steeds vol van. Zij, als klein meisje bij de slagboom van de grenspost. ‘Oma was eenzaam en had veel verdriet. Haar jongens moesten vechten voor de Duitsers. Ik nam dan eten uit onze groentetuin mee. Voor de oorlog had ik al een warme band met haar en ik was een meisje, dus ik werd vaak gestuurd. De kans op problemen was kleiner. Maar ik wist: bij de grens moest ik voorzichtig zijn. ‘Oorlog’ zegt je niets als kind, maar de spanning en angst voelde ik wel.’

De familie van Annie viel uit elkaar toen de bezetting begon, zoals dat bij veel gemengde families in de grensstreek gebeurde. Voor de oorlog kon Annie zonder problemen de grens over, in de oorlog werd dat moeilijker. Maar na de bevrijding van Limburg en het einde van de oorlog veranderde dat niet, sterker nog de controle werd alleen maar verder aangescherpt.

Annie Hintzen-Peulen bij het grenspaaltje. De grens liep recht langs het huis, en dwars door de tuin. Beeld: Katja Poelwijk. 

Rotmoffen

‘Duitsland kreeg na de nederlaag een militaire bezetting door de geallieerden. In het begin was er een strak regime aan de grens, die in Limburg aan de Duitse kant werd bewaakt door de Engelsen. De grens ging voorlopig op slot’, zegt Jan Brauer, die promotieonderzoek doet naar dit thema aan de Universiteit van Amsterdam. ‘Alle Duitsers waren vijanden.’ Na de oorlog ontwikkelden de dorpen aan beide zijden van de grens zich daarom ‘met de ruggen tegen elkaar’. ‘Er was minder huwelijksintegratie en er werd minder over de grens gewerkt. De sfeer was verhard.’

Voor Annie kreeg de grens pas betekenis toen de Duitsers binnenvielen. Voor de oorlog speelde ze vooral met vriendinnetjes in Waldfeucht. ‘Het maakte niet uit of iemand Duits of Nederlands was, er werd vooral dialect gesproken. Ik ging wel in Nederland naar school. Daar kreeg ik les van een non die sprak van ‘die rotmoffen’. Annie, opnieuw geëmotioneerd: ‘Dan dacht ik altijd: hoe kan ze dat nu zeggen? Mijn oma is geen rotmof, mijn oma is lief.’

De grens met Duitsland, bij het Duitse dorpje Waldfeucht dat na de bevrijding op slot ging. In Waldfeucht woonde de oma van. Beeld: Katja Poelwijk. 

Harde knallen

Toch bleef Annie in de oorlog naar Waldfeucht gaan. Voor oma, maar ook voor de kerk en het dorpshuis. ‘In de gemeenschapszaal werden tekenfilms gedraaid, dat was schitterend. Een vriendin van mijn moeder hield een plekje vrij, zodat ik uit school in Nederland direct kon komen kijken. Vóór de kinderfilm liet Hitler in nazi-propaganda altijd zien welke gebieden hij allemaal al had veroverd.’

Toen de bevrijding naderde, was naar buiten gaan niet meer mogelijk. Annie pakt een zware koperen huls van tafel. ‘Hier hebben we meerdere inslagen van gehad.’ Na operatie Market Garden was een groot deel van Limburg bevrijd, maar aan de oostkant van de Maas werd nog hard gevochten. ‘Het dak en de bovenverdieping waren helemaal kapot, dus vanaf september sliepen we op stro in de kelder van de schuur. Als het fluiten van de vliegtuigen begon, wist ik dat we naar de kelder moesten. Ik krijg het nog steeds koud van dat geluid, bijvoorbeeld bij herdenkingen met vliegtuigen of bij vuurwerk en harde knallen.’

De huls die op het huis van de familie werd geschoten. Beeld: Katja Poelwijk. 

Tafeltje op straat

Pas middenin de hongerwinter werd Annie bevrijd. ‘Ik herinner me het gestommel van de geallieerde soldaten. We zaten in de kelder en durfden eerst niet naar buiten. Tot mijn kleine zusje begon te huilen, daardoor zouden ze weten dat we burgers waren. Ik ging met mijn vader naar boven, hij huilde toen hij de verwoesting van de boerderij zag. Zelf zag ik voor het eerst een zwarte man. Zwarte Piet, dacht ik. Ja, wat weet je als kind hè?’

Annie was bevrijd, alleen ging juist op dat moment de grens nog verder op slot. ‘Vooral in het laatste jaar van de oorlog groeide het anti-Duitse sentiment in de grensdorpen’, zegt Brauer. ‘Er was geroofd, geplunderd en Nederlandse mannen werden bij razzia’s opgepakt en naar Duitsland gestuurd om te werken.’

Tot in de jaren ‘50 blijft de grens naar Waldfeucht dicht. ‘We zijn er jaren niet geweest en oma kon ook niet zomaar hier komen. Ik herinner me de eerste communie van mijn zusje, in 1947’. Ze wijst naar de weg voor het huis, die toen braak lag. ‘Toen hebben we hier een tafeltje op straat gezet, met een paar stoelen, koffie en gebak. Ze mocht niet naar binnen, zelfs niet naar de wc. Dan was ze de grens gepasseerd.’

Annie Hintzen-Peulen bij het grenspaaltje. Beeld: Katja Poelwijk. 

Deel dit verhaal