Tegelen

Alois werkte gedwongen voor de Duitsers. Nu vertelt zijn dochter erover op Duitse scholen

Leny Crins-Probst vertelt het bevrijdingsverhaal van haar vader aan Duitse scholieren. Foto: Eva Faché.

Leny houdt nog altijd het verhaal van haar vader Alois Probst levend, ook op Duitse scholen. Alois werd door de nazi's te werk gesteld in Tsjechoslowakije en schreef zijn verhaal op in een boek.  ‘Wat hij heeft meegemaakt, is hij nooit meer kwijtgeraakt.’

Deel dit verhaal

‘Een laaiende golf van geestdrift ging door ’t Kamp’, schrijft Alois Probst een jaar na zijn bevrijding. ‘Was ’t werkelijk waar?’ Dat de oorlog eindelijk voorbij was, was voor de 28-jarige Limburger nauwelijks te bevatten. Eindelijk vrij, maar nog ver verwijderd van huis.

In plaats van het Nederlandse rood-wit-blauw wordt de twintiger omringd door Tsjechoslowaakse vlaggen. Terwijl in Nederland meisjes in oranje versieringen om Canadese soldaten dansen, ziet Alois hoe Russen op schouders worden gedragen en hoe ‘oude moedertjes schreien van geluk.’

In die chaos in het bruinkoolgebied aan de voet van het Ertsgebergte hoort Alois op de radio dat de opvolger van Hitler de capitulatie heeft aangeboden. ‘Eindelijk, na zware doorstane beproevingen weer vrij.’

Krijgsgevangene

Alois Probst is één van de 250 duizend tot 280 duizend Nederlandse militairen die tijdens de oorlog wordt opgeroepen om als krijgsgevangene voor de Duitsers te werken. De meesten ontspringen de dans, maar net als zo’n 1.200 andere Nederlanders wordt de twintiger op de trein naar de stad Brüx - het huidige Most - gezet. Daar wordt hij gedwongen bruinkool te verwerken, waar benzine van gemaakt wordt voor tanks en andere Duitse legervoertuigen.

75 jaar later is het zijn dochter Leny Crins-Probst (69) die zijn verhaal blijft vertellen. In het door haarzelf uitgegeven boek Eindstation: De Hel van Brüx en in gastlessen aan scholieren in Nederland en Duitsland. Het begon met een leeg schrift dat Alois na de bevrijding kocht en dat hij als een bezetene vol schreef met alles wat hij in Tsjechoslowakije had meegemaakt. ‘Alsof er een film in zijn hoofd afspeelde’, zegt Leny. ‘Alsof hij het trauma van zich af wilde schrijven.’

‘Als kind heb ik dit schrift vaak in mijn handen gehad’, zegt Leny nu tegen een groep leerlingen. De tengere, deftig geklede Limburgse klapt het dunne boek open. Haar vader bewaarde het vroeger in zijn nachtkastje, herinnert ze zich. Als meisje bladerde ze er soms doorheen, dan probeerde ze de herinneringen te lezen waarover hij niet wilde vertellen.

Leny met het schrift van haar vader. Foto: Eva Faché. 

De jongvolwassen scholieren luisteren stil terwijl Leny het nette, precieze handschrift van haar vader op de bijna honderd pagina’s laat zien. ‘Wat hij in Tsjechoslowakije had meegemaakt, zat in zijn hoofd. Hij raakte het niet meer kwijt. Er wurde es nicht mehr los’, voegt ze in het Duits toe. ‘Daarom schreef hij het op.’

Leny is vandaag op een Duitse school in de buurt van Aken. Het is niet de eerste keer dat ze voor een Duitse klas staat om het verhaal van haar vader te vertellen. Ze is geboren in de Limburgse grensstreek, Duits is als een tweede taal. ‘Dat is uitzonderlijk voor gastsprekers over de Tweede Wereldoorlog.’ Het Steunpunt Gastsprekers in Westerbork stuurt haar minstens zo vaak naar Duitse scholieren als naar Nederlandse.

‘Op Duitse scholen is het misschien nog wel belangrijker om dit te vertellen’, zegt Leny. Nederlandse kinderen zijn volgens haar meer gewend aan persoonlijke verhalen uit de oorlogstijd. In Duitsland praten veel ouderen die het hebben meegemaakt niet graag over de oorlog – ‘zij waren vaak de daders’. Leny: ‘De feitjes leren Duitse jongeren wel uit de boeken. Een verhaal zoals dat van mijn vader laat zien wat een oorlog echt met een mens doet.’

Nederlandse militairen

Haar vader is in 1940 slechts een paar jaar ouder dan de scholieren die hier in de klas zitten, in truien met capuchons en met flesjes water op hun schoolbanken. ‘Hij was opgeroepen om zijn land te verdedigen’, zo begint Leny haar verhaal, ‘maar het kleine Nederland was absoluut niet opgewassen tegen dat grote sterke Duitsland. Na een paar dagen capituleerde Nederland. De nazi’s konden niets beginnen met Nederlandse militairen, dus werden ze naar huis gestuurd.’

In de eerste oorlogsjaren ziet het leven van Alois er nog niet heel anders uit dan normaal: in het Limburgse dorp Tegelen werkt hij in een fabriek waar optische instrumenten worden gemaakt, is hij gek op voetbal en krijgt hij een vriendinnetje. ‘In 1943 hoorde mijn vader dat hij zich moest melden.’ Leny richt zich in het Duits tot de jongeren. ‘Melden, wieso melden? Was möchte man von mir?’

In 1943 worden alle Nederlanders die militair zijn geweest tijdens de mobilisatie, opgeroepen voor arbeid. Leny’s vader staat dan voor een moeilijke keuze. De Nederlandse regering in Londen adviseert jongens als hij onder te duiken. ‘Mijn vader dacht: waar moet ik onderduiken? Hoe lang gaat dat duren? Hoe kom ik aan eten? Breng ik mijn vader, broer, mijn vriendin er niet mee in gevaar?’

Hij neemt het zekere voor het onzekere. In de zomer van 1943 stapt hij met een tas met voedsel, kleren en geld op de trein naar Amersfoort, om zich daar te melden. Het had een leuke dag moeten worden: hij is precies één jaar samen met zijn vriendin. Nu zwaait ze hem uit.

Alois Probst (rechts op de foto) in het kamp. Foto: Eva Faché. 

Bombardementen

Een jaar later ziet de 27-jarige Alois Probst een beeld dat hij voor de rest van zijn leven niet zal vergeten. Iets wat ‘met geen pen te beschrijven’ is, schrijft hij later in het schrift. ‘De fabriek stond in lichterlaaie. Overal lagen doden en gewonden. De lichamen waren gewoonweg aan stukken gescheurd.’

Er vallen die dag bijna 600 doden. De fabriek waar hij dan al een jaar werkt, is voor het eerst door Amerikaanse vliegtuigen gebombardeerd. Er werken zo’n 40 tot 50 duizend arbeiders, het merendeel gedwongen.

De vader van Leny voelt de trillingen en hoort de knallen van de bommen die worden gelost. Hij ziet de verminkte lichamen van de anderen. ‘Ook een van onze kamer is niet teruggekomen.’

Vernielde koeltorens bij de fabriek na bombardementen. Bron: Leny Crins-Probst. 

De aandacht in de klas verscherpt als Leny vertelt over de gruwelijkheden in het kamp. Ze vertelt dat haar vader dagelijks van zes ’s ochtends tot zes ’s avonds moest werken, bijna onafgebroken, met net ‘genoeg eten om niet te sterven’, maar ‘te weinig om ooit een vol gevoel te krijgen’. Arbeiders zijn ‘honden die men eigenlijk moet doodschieten’.

De vader van Leny schrijft over ‘SS-beulen die steeds vergezeld waren van een hond en gewapend met karabijn of pistool'. De rug van krijgsgevangenen wordt geregeld ‘bont en blauw geslagen met geweerkolven’.

Maar er zijn ook lichtpuntjes, vertelt Leny. De omstandigheden zijn nooit zo slecht als in de concentratiekampen – volgens de Conventie van Genève moesten landen krijgsgevangen officieel als hun eigen militairen behandelen. Eind 1943 arriveren voedselpakketten van het Rode Kruis, met blikjes tomaten, vis en vlees, koffie en suiker. ‘Ik kan me niet herinneren dat ik als kind ooit zo blij ben geweest met een cadeau’, schrijft haar vader. In een Tsjechisch archief vindt Leny het menu van een door gevangenen gemaakt kerstdiner: tomatensoep, Hollandse stamppot, kerstpannenkoeken, pudding en Engelse koffie.

Ook de vriendin van Alois ontvangt thuis in Limburg een klein pakketje. Alois kreeg sigaretten, maar rookte niet. ‘Hij gebruikte ze als betaalmiddel’, zegt Leny. ‘In de staalafdeling van de fabriek had hij een ringetje met zijn initialen laten maken, en dat met de post opgestuurd.’

Scholieren luisteren naar het verhaal Leny. Foto: Eva Faché. 

Bevrijding

Heel langzaam komt de bevrijding dichterbij. De Amerikanen naderen Tsjechoslowakije vanuit het westen, de Russen uit het oosten. De fabriek wordt gebombardeerd, opnieuw opgebouwd en weer gebombardeerd. Minstens 93 Nederlanders sterven. Als het in Nederland hongerwinter is, werkt Alois in versleten kleren met temperaturen onder de tien graden. Zelfs op Eerste Kerstdag wordt er gebombardeerd, vertelt Leny de leerlingen.

Eind april trekt het Amerikaanse leger naar Pilsen, dat op 6 mei wordt bevrijd. Praag is de volgende stop, maar het Amerikaanse leger wordt teruggeroepen. De Russen mogen Praag bevrijden, dat was de afspraak. ‘Mijn vader schrijft: we zitten in zo’n vreemde situatie, de Amerikanen zijn vlakbij, de Russen zijn vlakbij, overal wordt geschoten. Tsjechische burgers zijn met geweren tegen Duitsers gaan vechten, en de Duitsers zijn doodsbang voor de Russen vanwege alle anti-Russische propaganda tijdens de oorlog.’

Ook Alois kijkt tijdens de bevrijding met grote ogen naar de Russische troepen. Hoe anders waren deze militairen dan hij zich had voorgesteld, na alles wat hij in het kamp had gehoord? ‘In plaats van vuile wilde horden, een correct modern leger, met goed doorvoede gebruinde krachtig gebouwde soldaten’, schrijft hij over het Rode Leger.

‘’t Leek een volmaakt gelukkige wereld’, aldus Alois. ‘Ook ik voelde mij gelukkig. Toch niet in gelijke mate als dezen menschen, daarvoor zat ik nog te ver verwijderd van dat gezegende stukje grond waaraan ik nu nog meer dan dacht dan ooit, Tegelen met alles wat mij daar dierbaar is.’

Heel even voelt Alois zich gedragen, na twee donkere jaren. ‘Tot onze groote verrassing werd ons op onzen rit door het centrum van dezen stad een ovatie gebracht, waarop ieder bevrijdingsleger jaloersch zou zijn geweest’, schrijft hij over zijn doortocht door Pilsen, onderweg naar Nederland. ‘Drommen menschen verdrongen zich langs de straten […] Het ‘ahoi’ en ‘Nasda’ geroep was niet van de lucht en er werd zelfs met bloemen gegooid. We waren diep getroffen door deze attentie en deze waardige finale van een weergaloozen tocht zal ik niet licht vergeten.’

Gekwetst

‘In Nederland zou hij een paar dagen later met de nek worden aangekeken’, zegt de man van Leny. Hij had immers voor de Duitsers gewerkt. ‘Vertellen deed hij er nooit over’, zegt Leny. Of hij zich gekwetst voelde, kan zijn dochter niet met zekerheid zeggen. Het verhaal in Alois’ schrift eindigt met zijn thuiskomst. ‘Een onvervuld verlangen was in vervulling gegaan’, is de laatste zin. Pas in de jaren ’90 ontving Alois een kleine vergoeding van de Nederlandse overheid als compensatie voor zijn werkzaamheden.

De leerlingen zijn bijna een uur lang stil geweest. Michelle (20) vindt het verhaal ‘indrukwekkend’. ‘Het was wel veel informatie’, zegt ze achteraf, ‘maar anders dan als je een documentaire ziet. Nu hoor je iemand die dicht bij de persoon staat die het heeft meegemaakt.’

Michelle en haar klasgenoten maakten een paar maanden eerder een opdracht over 75 jaar bevrijding, naar aanleiding van het bezoek van een Duitse gastspreker uit het dorp. Is dat niet ingewikkeld, een project over de bevrijding in een land dat niet werd bevrijd? De docent twijfelt. ‘Duitsers hebben ook deels een ervaring van bevrijding. Ze waren nu vrij van bombardementen er was minder schaarste. Jonge mannen die hadden overleefd kwamen terug van het front. Daarvan waren ze bevrijd.’

Ze pauzeert even, denkt na. ‘Maar voor de echte nazi-gezinden was de capitulatie natuurlijk geen feest.’

Leny: ‘Wat hij in Tsjechoslowakije had meegemaakt, zat in zijn hoofd. Hij raakte het niet meer kwijt.' Foto: Eva Faché. 

Hoe gaat Duitsland om met dit jubileumjaar?

Ook in Duitsland is van september 2019 tot juni 2020 veel aandacht voor de Tweede Wereldoorlog. De jaarlijkse herdenking in de Bundestag staat volledig in het teken van 75 jaar oorlog en vrijheid, vertelt Diane Tempel van de Volksbond, de stichting voor Duitse oorlogsgraven buiten Duitsland. De Frankfurter Allgemeiner Zeitung plaatst elke dag een artikel met ‘het nieuws vandaag 75 jaar geleden’. Op de Duitse televisie zijn dagelijks uitzendingen over de Tweede Wereldoorlog te zien.

Tegelijkertijd leeft in Duitsland ook nog een gevoel van schuld. In Nederland wordt ‘gevierd’, in Duitsland wordt ‘herdacht’. Op Duitse scholen is extra aandacht voor het thema, en scholieren stellen zichzelf volgens Tempel regelmatig de vraag: ‘Wat is mijn fout hier?’ De rechts-populistische partij AFD zet zich hier juist tegen af. ‘We zijn na 75 jaar klaar met het schuldgevoel’, zo verwoordt Tempel die stroming.

Of het in Duitsland makkelijk zou zijn om ooggetuigen door het hele land te spreken over de oorlog, zoals voor de serie Mijn Bevrijding? Volgens Tempel zou het een lastigere klus zijn. ‘Sommige ouderen praten er graag over, maar veel houden hun lippen nog steeds op elkaar.’

Toch kent Duitsland een gevoel van ‘bevrijding’, zegt Tempel. ‘Toen die term in 1985 voor het eerst in Duitsland werd gebruikt, waren mensen geschokt. Nu is het normaal: de meeste Duitsers zeggen 75 jaar bevrijding – bevrijding van de nazi’s en het naziregime.’

In mei gaan 40 Europese jongeren ‘vredestochten’ door Europa maken. Het initiatief Peaceline wordt geleid door de Volksbond en bekostigd door het Duitse ministerie van Buitenlandse zaken. Europeanen tussen de 18 en de 26 gaan tijdens de jubileumtochten met elkaar in gesprek over ‘de invloed van de geschiedenis op onze hedendaagse levens.’ Eén van de drie tochten gaat van Westerbork naar Auschwitz, de hele reis wordt vanuit het initiatief bekostigd. Ook de Oorlogsgravenstichting in Nederland is partner.

Deel dit verhaal