Stadskanaal

Lammie valt voor de Joodse man die bij haar onderduikt. En ze zal hem nooit meer loslaten

Lammie Drenth (93). Foto: Eva Faché.

In het ‘Stadskanaalster Achterhuis’ woont Lammie Drenth samen met veertien onderduikers. Ze wordt verliefd op Bennie: de Joodse man met wie ze de angstige jaren op de boerderij deelt – en de man die ze nooit meer los zou laten. 

Deel dit verhaal

‘Dag meneer.’

Het zijn de eerste woorden die de 15-jarige Lammie Drenth tegen de vreemde jongen in de keuken zegt. Ze is een ‘lief meisje’, zegt ze nu 78 jaar later over zichzelf. Met alles tevreden. Of haar moeder een dure jurk voor haar koopt of een heel goedkope – Lammie vindt alles goed.

De vreemde jongen is de 21-jarige Bennie. Hij is Joods, ziet Lammie nadat hij een paar dagen bij hen thuis is. Bennie bidt in de gang, wel drie keer per dag. Als ze ‘Dag meneer’ zegt, weet Lammie nog niet dat ze drie jaar met de nieuwe onderduiker in één huis zal wonen.

Bennie is in 1942 de vijfde onderduiker in het huis in Stadskanaal op het arme platteland van Groningen. De onderduikers leven in de voorkamer. ’s Avonds komen ze bij het gezin in de keuken. Lammie vindt het gezellig. De vrouwen wassen groenten, de mannen kaarten. Daar begint het misschien wel tussen haar en Bennie, denkt ze nu. ‘Ik tikte hem altijd aan als hij een verkeerde kaart opgooide.’

De 93-jarige Lammie is niet groter dan zo’n anderhalve meter, loopt gebogen achter een rollator, veegt soms haar traanogen en lopende mond af en haalt weleens data door elkaar. Maar ze lacht als ze vertelt over Bennie en ze ziet hem zo weer voor zich. Ze straalt als ze de wandeling beschrijft, midden in een oorlogsnacht, omdat hij niet naar buiten mocht en ze er samen ‘ook wel eens uit wilden’. Ze vertelt over het condoom dat in 1944 knapte, hoe ze zwanger raakte en nog in de oorlog van haar Joodse onderduiker moest gaan bevallen. En ze vertelt dat ze zo hoopte dat hun kindje op Bennie zou lijken.

Lammie, nu 93 jaar oud, was 15 toen Bennie bij haar gezin onderdook. Foto: Eva Faché

Het is verleidelijk om Lammies verhaal als hartverwarmende romance in oorlogstijd te vertellen. Als bewijs dat de oorlog ook een zorgeloze Johan Nijenhuis-achtige film was. Maar Lammie wilde dat haar baby op Bennie zou lijken, omdat ze bang was dat hij gedeporteerd zou worden. Ze wilde het gezicht van haar grote liefde bewaren, voor het geval de nazi’s hem zouden vermoorden. Lammie vertelt niet alleen over haar romantische avonturen, ook over de spanningen van haar werk als spion en waarom ze na de oorlog decennialang vaak in huilen uitbarstte om daarna nooit meer een traan te laten.

Ook Lammie werd in 1945 bevrijd, maar haar leven is zo getekend door de spanningen uit haar tienerjaren dat ze nooit helemaal bevrijd werd van de oorlog. ‘Ik ben geen mens meer geworden’, zegt ze na afloop van het interview.

Marcherende soldaten

‘Pure armoede’, zo beschrijft Lammie de situatie bij haar thuis voor de oorlog. Haar vader is arbeider, tot de fabriek in 1931 in brand vliegt. Als analfabeet komt hij in de crisis niet aan nieuw werk. Het gezin leeft van een uitkering van zeven gulden per week, eten komt vooral uit eigen tuin. ‘Later hielp mijn vader met het aanleggen van bossen in Groningen. Dan was-ie steeds een week weg. Hij vertelde niet hoe hij sliep, maar volgens mij lag hij gewoon op de grond.’

Lammie is 13 als de oorlog begint. Het is ‘verschrikkelijk’ als ze de vliegtuigen ’s nachts hoort overkomen. Een dag later kijkt ze naar marcherende Duitse soldaten op straat en hoort ze hen zingen. Voor een 13-jarige meisje is het verwarrend. Verschrikkelijk ja, maar Lammie herinnert zich ook nog dat ze naar de gepoetste laarzen kijkt, en dat ze dat eigenlijk wel een mooi gezicht vindt.

De eerste onderduiker komt in 1942. Het is een Joodse veehandelaar, die uit zijn vorige onderduikadres is gezet omdat de vrouw des huizes bang zou zijn geweest. ‘Wat komt die man doen?’, vraagt Lammie. ‘Dat moet je niet vragen’, zegt haar moeder. Ze nemen de veehandelaar in huis, net als zijn vrouw. Lammies vader reist naar Amsterdam om zijn kinderen op te halen. Nooit zal hij hierna nee zeggen tegen onderduikers. Uit barmhartigheid, zegt Lammie, maar ook omdat het 25 gulden per onderduiker opleverde. Per week of per maand, dat weet Lammie niet meer precies. ‘Het was best goedkoop. Ik ken een Joodse man die een gulden extra moest betalen als hij een eitje wilde. Bij ons mochten ze alles eten.’

De boerderij waar Lammie en haar familie onderduikers verborgen hielden. Foto: Eva Faché

Stoeien

‘Dag meneer.’

Lammie weet nog dat ze denkt dat Bennie ‘een getrouwde meneer’ is, als ze hem in de keuken ziet staan. Hij heeft donkere haren, een bril en draagt een jasje. Op zijn vorige onderduikadres kwam steeds een NSB’er over de vloer, dan moest hij zich muisstil op zolder schuilhouden. Aan liefde denkt ze ‘geen moment’, ze voelt geen vlam overgaan of vlinders in haar buik. Bennie loopt meer door het huis dan andere onderduikers. Overdag durven de Joodse mensen nauwelijks uit de voorkamer te komen. Stel dat er onverwachts bezoek komt. Bennie ziet ze vaker, met hem maakt Lammie oogcontact. Hij geeft les aan de Joodse kinderen. ‘Na de oorlog stroomden ze een klas hoger in’, zegt Lammie glunderend.

Langzaam krijgen ze meer contact. Ze ruziën, stoeien soms. ‘Dat ging er niet altijd zacht aan toe’, zegt ze lachend. Laatst reed ze met haar rolstoel door de Albert Heijn en zag ze twee drukke jongetjes achter elkaar aanrennen. ‘Wij waren precies zo’, zegt ze. ‘Met mijn zusje kon ik niet goed overweg. Ik was blij dat ik ineens een soort broer had.’

Maar dan krijgt Bennie nieuws over zijn ouders. Zij zaten ondergedoken in een dorp in Gelderland. Lammies vader heeft hen eerder in huis willen halen, maar de treinreis leek te gevaarlijk met het aangescherpte Duitse gezag. In 1943 gaat hij toch en treft er een leeg huis aan. Alle onderduikers zijn opgepakt. Bennie leest iets later in een korte brief dat zijn ouders ‘uit logeren’ zijn.

Bennie is radeloos, snapt de ernst van de situatie. Hij huilt en huilt. Troosten kan Lammie hem niet: ‘Dat had misschien gekund als ze op natuurlijke manier wijze waren gestorven.’ Nu – met zijn ouders ‘boem, weg’ – valt er weinig te troosten. Ze ziet en hoort Bennie huilen bij de varkensstal, zo luid dat ze bang is dat de buren hem zullen horen. Ze gaat bij hem staan en raakt hem zacht aan met haar hand.

Bennie (linksonder) voor het laatst samen met zijn ouders, broer en zus, bij de verjaardag van zijn vader (rechtsboven). Foto: Eva Faché

Verliefdheid

’s Avonds zitten ze vaak samen alleen in de keuken. Hij laat de bladzijdes van zijn gebedsboekje zien, legt haar elk teken in het Oud-Hebreeuws uit. Lammie is geïntrigeerd door de vreemde symbolen en de Joodse rites. Elke avond leert ze wel iets nieuws.

Bennie raakt vooral geïntrigeerd door Lammie. Elke ochtend steekt zij de haard aan in de voorkamer. Bennie ligt op de grond, Lammie stapt dan over hem heen naar de houtblokken. Meestal slaapt hij niet. Dan voelt hij de nabijheid van Lammies lichaam en kijkt hij omhoog terwijl zij in haar rokje over zijn hoofd staat. Bennie moet moeite doen zich in te houden als hij daar ligt.

Zelf weet Lammie niet precies wat ze voor Bennie voelt. Ze zijn close, maar over seks denkt ze niet na. Is ze verliefd? Misschien. Bennie twijfelt niet. Hij kan zich amper bedwingen, zo gek maakt de dochter van zijn onderduikbieder hem. Hij trekt het niet meer. In 1943 stapt hij op de vader van Lammie af. Hij wil zijn spullen pakken en op zoek naar een ander onderduikadres.

Tussen de nazi's

Gezocht: jongste bediende op het NSB-kantoor van Stadskanaal. Het is een ochtend eind 1942 of begin 1943, Lammies moeder leest de krant voor aan haar man. Als hij de advertentie over het NSB-kantoor hoort, weet hij wat dit kan betekenen. ‘Daar gaat Lammie werken’, zegt hij.

Het is geen vraag of ze op het NSB-kantoor wil gaan werken, maar een feit. Als secretaresse tussen de nazi’s en hakenkruisvlaggen kan ze misschien ontdekken wanneer en waar razzia’s zijn. Het is de perfecte truc om het onderduikadres veilig te houden, ziet haar vader.

‘Verschrikkelijk’ vindt ze het. Aan NSB’ers en SS’ers moet ze de Hitlergroet brengen en als ze iemand binnenlaat ‘Hou Zee’ zeggen, de NSB-groet. Terwijl Bennie ontdekt dat hij zijn ouders misschien nooit meer terugziet, moet zij propagandakrantjes drukken over het Arische ras en handgeschreven nazi-brieven uittypen. Lammie krijgt buikpijn van de schijn die ze elke dag moet hooghouden, de schijn dat ze een NSB-meisje uit een NSB-gezin is. Als ze in het dorp leeftijdsgenootjes ziet en even gaan kletsen, wordt ze van haar fiets geduwd, bespuugd en slaan ze haar. Lammie is een verrader in hun ogen. ‘En ik wist dat ze gelijk hadden.’ Als ze thuiskomt met schrammen, huilt ze bij Bennie uit.

Het NSB-kantoor waar Lammie werkte. Bron: Streekhistorisch Centrum

De spanningen nemen toe als de vrouw van haar NSB-baas ook nog eens zo’n drie keer per week bij hen thuis op de koffie komt. Bennie en de andere onderduikers moeten bewegingloos en doodstil in de voorkamer zitten. Het is een koude winter. Als een Joods kind hoest, kijkt de NSB-vrouw op. Muizen, zegt Lammies moeder dan snel. Soms komen Duitse militairen voor het woonhuis van Lammie staan – vanaf daar kunnen ze de Duitse grens zien. Lammie moet dan naar buiten om ze aan de praat te houden, net zo lang tot ze weg zijn. Alles om te voorkomen dat ze naar binnen gaan en Bennie en de andere onderduikers ontdekken.

Het plan werkt wel. Lammie zit als spion op het kantoor aan de Wehrmacht-kant, voor informatie loopt ze naar een meisje aan de Sicherheitsdienst-kant, de inlichtingendienst die de Jodenjacht organiseert. De NSB’ers doen aardig tegen haar, er is eten en drinken in overvloed. Suiker, koffie. De 93-jarige Lammie glimlacht een beetje als ze vertelt over de taart die ze bestelt voor ‘een verjaardag’, in werkelijkheid voor alle onderduikers. ‘Het verbaast me nog steeds dat ze niet vroegen waarom ik zoveel gebak nodig had.’

Na een halfjaar op het kantoor moet Lammie naar de dokter. De buikpijn door de spanningen is onhoudbaar geworden. De dokter laat haar geen keuze: ze moet stoppen op het NSB-kantoor.

Lammie: ‘Het verbaast me nog steeds dat ze niet vroegen waarom ik zoveel gebak nodig had.’ Foto: Eva Faché 

‘Ik heb een huisje met een tuintje gehuurd’

Bennie wil weg, maar Lammies vader vindt het te gevaarlijk. Hij blijft, zit opnieuw avonden met Lammie te praten, als de rest slaapt. Hoe en wanneer Lammie verliefd wordt op Bennie weet ze niet meer precies. Ze ‘weet zeker’ dat latere generaties zich de situatie van haar en Bennie niet kunnen voorstellen. Nu ga je soms uit, zegt Lammie, naar de bios, en zie je date na date wel hoe het gaat. Zij zaten samen in een overvol huis – uiteindelijk waren er 14 onderduikers – en Bennie kon niet naar buiten. Lammie had buikpijn van de eindeloze spanningen, Bennie was degene die haar geruststelde. Gevoelens van liefde en broederschap, van verliefdheid en vertrouwen lagen dichtbij elkaar.

De eerste kus kan Lammie zich niet herinneren. De eerste keer seks wel. Ze liggen samen op de grond – ‘ik denk op zijn jas’ – dichtbij de bedstee waar haar ouders slapen. Ze is verliefd, denkt Lammie, maar vindt het de eerste keer maar niets. Daarna wordt het fijner. ‘Hij ging altijd heel leuk zingen’, giechelt ze, zodat haar ouders hen niet konden horen. Lammie doet hem na, en zingt zachtjes ‘Ik heb een huisje met een tuintje gehuurd’ (‘Zoek maar op Youtube’, zegt ze tegen de 24-jarige interviewer.)

In het voorjaar van 1944 knapt het condoom. Lammie wordt zwanger. Ze is gek op Bennie, vindt het ‘prachtig’ dat ze zijn kindje gaat krijgen. Als de baby zijn gezicht krijgt, hoopt ze, kan ze hem altijd bij zich houden, ook als Bennie in het ergste geval opgepakt wordt. Het afgelopen jaar is Lammie al praktisch Joods geworden – ze kan steeds meer Oud-Hebreeuws lezen, en bidt nog net niet mee met Bennie. Haar ouders accepteren hun relatie. Zolang Bennie na de oorlog met Lammie trouwt, vindt haar vader het goed. En doet hij dit niet, zegt hij erbij, dan zou dat ‘niet goed voor hem’ zijn. Hij geeft Lammie en Bennie het zolderkamertje. De Amerikanen zijn op Normandië aangekomen, de oorlog zal wel zo voorbij zijn, denken ze. ’s Avonds op bed maken ze plannen over wat ze na de Bevrijding gaan doen: Joods trouwen, en verhuizen naar het ouderlijk huis van Bennie

Het zuiden van Nederland wordt bevrijd, Groningen blijft bezet. Met haar dikke buik is nu ook Lammie gebonden aan huis. Als iemand in het dorp haar zou zien, zouden ze denken dat ze als verrader met een Duitser naar bed is geweest. Thuis is de angst voor een inval niet verdwenen. De bakker weet dat er onderduikers zijn, hij brengt brood voor de hele groep. Zo zijn er in het dorp nog tientallen die het weten. Wat als iemand praat?

Eén avond wordt er op de deur geklopt. Snel en stil gaan de Joodse mensen naar de voorkamer, ze nemen hun stoelen uit de keuken mee. Een onbekende man komt binnen. ‘Dit is niet goed hier’, zou de man gezegd hebben. Hij vertelt dat in het gordijn een klein prikgaatje zit, waardoor Duitsers vanaf straat kunnen zien dat het er vol zit met mensen. Lammie haalt opgelucht adem. De volgende dag komt de arbeider terug met fabriekslinnen om de voorkamer beter te verbergen.

Omgedraaide rollen

Stadskanaal wordt op 12 april in één nacht bevrijd. Lammie weet dat er veel wordt gevochten, en ook dat ze de dag erna gewoon boodschappen gaat doen in het dorp, voor iedereen in hun huis. Daar zien ‘doorgeslagen’ verzetsleden haar, ze snellen naar haar toe en willen haar kaalscheren, zoals met alle moffenmeiden. ‘De rollen waren omgedraaid. Eerst waren de NSB’ers gek, nu waren zij gek.’

Lammie probeert met de fiets naar huis te ontsnappen. Bezweet thuis aangekomen, schrikken haar belagers. Door het raam zien ze de groep Joodse onderduikers zitten. Excuses krijgt Lammie niet, opgelucht is ze wel. Haar vader tipt het verzet over een nabije boerderij vol NSB’ers. Even later wordt die groep onder schot weggeleid, Lammie ziet ze langs het huis lopen. ‘Ik herkende mijn oude baas van het NSB-kantoor.’ Als hij haar ziet, tussen de onderduikers, ziet ze hem ‘schuimbekken van woede’ en rent hij op Lammies vader af. Hij begint hem als een dolle hond aan te vallen, maar wordt weggetrokken en opgesloten.

Glunderend laat ze de foto van haar bruiloft zien, vier dagen na de bevrijding.

Lammie en Bennie trouwen direct na de bevrijding, op 8 mei 1945. Foto: Eva Faché

Lammie (18) en Bennie (24) huren hun kleren. De ‘knalrode schoenen’ moet ze ergens lenen. Alle onderduikers zijn op de bruiloft, laat Lammie op het groepsportret zien. Elk van hen heeft de oorlog overleefd. De boerderij van Lammie zou in de omgeving later liefkozend het ‘Stadskanaalster Achterhuis’ worden genoemd. Er is gebak, limonade, weet Lammie nog. Haar moeder heeft zelfs drank gemaakt van rogge en zwarte bessen op suiker. ‘Daar werd je smoorbezopen van’, blikte Bennie later terug in het boek Liefde in Oorlogstijd.

Het groepsportret met de onderduikers, die de oorlog allemaal overleefden. Foto: Eva Faché

Lammie wordt snel Joods en gaat nu nog wekelijks naar de synagoge. Ze draagt al bijna 75 jaar de achternaam Kosses. Het interview vindt plaats in de Joodse seniorenflat waar ze met Bennie naartoe is verhuisd. Tot zijn dood bijna 4 jaar geleden, blijven ze samen. Aan haar muur hangen religieuze prenten en foto’s van Israël. Op een foto op een kastje zit het stel nog tegen elkaar aan, lachend, allebei dik in de 80.

Het was niet altijd makkelijk om te lachen, zegt Lammie. Ze huilt niet tijdens het interview, omdat ze niet meer kan huilen. Tot 1978 huilt ze ruim dertig jaar elke dag. Zozeer hebben de spanningen uit de oorlogstijd haar gevormd. Er hoeft maar iets kleins te gebeuren, iets dat een beetje spanning geeft, en Lammie barst in tranen uit. ‘Zoals zij mij troostte, zo troostte ik haar’, zegt Bennie in 2015 in een uitzending van Liefde in Oorlogstijd (KRO-NRCV).

In de jaren zeventig gaan Lammie en Bennie samen in therapie bij Centrum 40-45. Het duurt drie jaar voordat het huilen stopt. Daarna huilt ze nooit meer, ook niet als Bennie sterft. Maar dat wil niet zeggen dat ze hem niet mist. Zeker nu ze door de coronacrisis veel alleen zit, denkt ze ‘heel vaak’ aan Bennie. Het vaakst gebeurt dat als ze net wakker wordt. ‘Dan denk ik dat hij naast me ligt.’

Lammie met haar man Bennie (1921 - 2016), op een foto bij haar thuis aan de muur. Foto: Eva Faché

Eindelijk een monument voor het ‘Stadskanaalster’ Achterhuis’

Jaap Duit (70) werd geboren in Stadskanaal en woonde er het grootste deel van zijn leven. ‘In het dorp is het verhaal van de onderduikers bij Lammie nauwelijks bekend’, zegt hij. Eind jaren negentig had Herinneringscentrum Kamp Westerbork al wel een boekje uitgegeven over ‘Het Stadskanaalster Achterhuis’, maar dat is nooit echt doorgedrongen tot het collectieve bewustzijn van de Groningers. In 2017 stuitte Duit als gepensioneerd wethouder op een oud boekje over de lokale oorlogsgeschiedenis, en vroeg zich met een dorpsgenoot af: ‘Waar stond dat huisje met al die onderduikers eigenlijk?’

De zoektocht naar het huisje leidde tot een ‘vergroot bewustzijn’ over wat Lammies ouders voor hun Joodse onderduikers hadden betekend. Er moest een monument komen, vond Duit. Twee kunstenaars uit Ter Apel kwamen met een ontwerp: op een strook van ruim 20 meter willen ze voor elke onderduiker een sculptuur maken. Kosten: zeventig duizend euro. De afgelopen maanden sprokkelde de oud-wethouder het laatste beetje van dat bedrag bij elkaar. Onder andere het provinciale landbouwfonds LEADER doneerde, net als de Rabobank en het Prins Bernard Cultuurfonds.

Wat Duit zo bijzonder vindt aan Lammies verhaal, ‘is het feit dat deze mensen met gevaar voor eigen leven zulke onbaatzuchtige hulp hebben verleend.’ Over het geld dat Lammies ouders van de onderduikers kregen, hoort hij nu voor het eerst. Ook Helen Kämink, directeur van het Streekhistorisch Centrum en betrokken bij de bouw van het monument, wist eerder niet over de 25 gulden per Joods persoon. Ze duikt opnieuw de archieven in en leest dat Lammies ouders inderdaad ‘een bescheiden kostgeld’ vroegen. ‘Dat was destijds niet ongebruikelijk.’

Het monument is nu bijna af, zegt Duit telefonisch. Hij belt vanuit de vroegere achtertuin van Lammie. Bij hem op de achtergrond is een kraantje te horen, die als kers op de taart ‘bestrating en een zitelement’ plaatst. René Paas, Gronings commissaris van de koning, zou het monument eigenlijk op 30 april onthullen, samen met de 93-jarige Lammie Kosses-Drenth. Een Joodse familie zou er zelfs voor uit Israël naar Stadskanaal overkomen – hun grootouders overleefden de oorlog dankzij Lammies ouders. Door de coronacrisis is de ceremonie voorlopig tot augustus uitgesteld. ‘We hopen op betere tijden’, zegt Duit.

Met dank aan Michiel Praal van Stichting Oorlogsverhalen

Deel dit verhaal