Dordrecht

‘Het klinkt zo raar, maar voor mij was de oorlog een heerlijke tijd’

Karin kijkt naar een foto van haar (rechts) en haar zus (links). Foto: Sabine van Wechem

Eerder dan een oorlogstrauma, heeft Karin de Korte-Munk (79) een ‘bevrijdingstrauma’. ‘Ik wilde de oorlog weer terug, iedereen fijn bij elkaar.’

Deel dit verhaal

Haar hele leven heeft Karin de Korte-Munk (79) er last van gehouden. Niet alleen als haar kinderen te laat thuiskwamen na het stappen en ze, zoals veel moeders, wakker lag, maar ook als haar man niet stipt op tijd was. ‘Als we om 8 uur hadden afgesproken, dan moest hij er om 1 voor 8 zijn. Anders raakte ik in paniek, een niet te stoppen angst.’

Haar verlatingsangst is een erfenis van de oorlog, weet ze zeker, of eigenlijk van de bevrijding. ‘Ik noem het een bevrijdingstrauma’, zegt ze in haar woning in Wassenaar. ‘Ik heb het leren hanteren, dat moest wel natuurlijk. Maar ik heb nooit goed alleen kunnen zijn. Nu mijn man recent is overleden, merk ik dat natuurlijk ook.’

De psycholoog deelde haar volwassen leven met Rudolf de Korte, voormalig vicepremier en VVD-leider. De laatste jaren stonden grotendeels in het teken van de boeken die ze beiden wilden schrijven. Toen haar man Parkinson bleek te hebben, ging zijn boek voor. Vorig jaar zomer kwam Vrijheid in gemeenschap – Memoires van een sociaal liberaal uit. ‘En nu jij’, zei hij toen tegen zijn echtgenote.

Warme tijd

In Op de rand van de oorlog – sinds maart online verkrijgbaar – gaat ze terug naar de eerste jaren van haar leven. Toen ze op 7 oktober 1940 in Dordrecht werd geboren was Nederland al bezet, haar eerste herinneringen komen uit de laatste oorlogsjaren. ‘Het klinkt zo raar, maar voor mij was de oorlog een heerlijke tijd. En ik heb juist akelige herinneringen aan de bevrijding en de tijd daarna.’

Ze was pas 5 toen de oorlog eindigde. Juist uit die tijd kunnen herinneringen scherp zijn, ze zijn vaak extra stevig omdat we in onze jeugd veel dingen voor de eerst keer meemaken. En oorlogservaringen zijn dan vaak ook nog eens indringend, die worden beter opgeslagen. Maar herinneringen veranderen ook met de tijd, we geven er woorden aan, maken er verhalen van.

In de jaren na de oorlog schreef Karin in een schriftje wel over haar ervaringen, maar dat is zoekgeraakt bij een verhuizing. ‘En wie weet waren die verhalen ook al weer verkleurd door de jaren’, zegt ze. Het meeste van wat ze vertelt is waar, weet ze zeker. Maar ze beseft ook dat herinneringen kunnen vervormen. ‘Dit is zoals ik het me herinner.’

Ze hoort het overigens vaker van andere mensen die in 1940 of 1941 geboren zijn. Dat de oorlog juist een warme tijd was, met veel saamhorigheid. En in haar geval was het ook tastbaar: er waren altijd mensen in huis.

‘School ging vaak niet door’, legt De Korte uit. ‘Clubjes waren er niet. Mijn oudere zus was heel vaak thuis, met vriendinnen. En mijn moeder was eigenlijk altijd thuis. Er werd bij ons thuis wat af en aan gelopen, mensen zochten elkaar op, waarschijnlijk ook om hun angsten te delen.’

Karin de Korte-Munk in 1945 (na de bevrijding) met een pop die ze kreeg van haar tante uit Zeeland, waar de productie van poppen opgang was gekomen. Foto: Sabine van Wechem

Op sommige momenten voelde ze die spanning ook zelf wel. Dordrecht lag maandenlang aan de frontlinie. Een groot deel van Zuid-Nederland werd in het najaar van 1944 al bevrijd, maar de opmars stokte na het mislukken van operatie Market Garden. Veel Duitsers kwamen terecht in het voor hun nog veilige Dordrecht, waar een bunkercomplex was. Toen de geallieerden erachter kwamen dat de top van het vijftiende Duitse leger zich daar had verschanst, besloten ze het op 24 oktober te bombarderen. Ook tientallen onschuldige Dordrechtenaren kwamen daarbij om.

‘Op die dag kwamen veel mensen bij ons binnen’, herinnert De Korte zich. ‘Ik zag de spanning wel, maar het drong niet door. Ik werd daar niet onrustig van. Integendeel, op dat soort momenten zorgde ik voor vrolijkheid. Ik maakte een grapje of een dansje. ‘Jij was het zonnetje in huis’, zei mijn moeder.’

Het ouderlijk huis van Karin dat werd gevorderd door de bezetter. Foto: Sabine van Wechem 

Eenzaam gevoel

Pas als ook Dordrecht op 5 mei 1945 wordt bevrijd, komen voor haar de nare herinneringen. Natuurlijk, ze ziet ook nog voor zich hoe ze in een oranje rok de straat op ging toen de Canadezen Dordrecht binnentrokken. ‘We zwaaiden met vlaggetjes, we kregen chocola en koekjes. Dat was geweldig om mee te maken.’

Maar ze ziet ook nog de gewonde Duitse soldaten die angstig over straat liepen. En vrouwen die op een kruk werden neergezet, waarna hun haren werden afgeschoren. ‘Moffenkledders’, werden die in Dordrecht genoemd. Karin herinnert zich ook dat ze haar overbuurvrouw herkende. ‘Maar dat is toch zielig?’, zei ze tegen haar zus. ‘Alleen omdat ze een Duitse vriend had? Ze heeft toch niks gedaan?’

Als ze die avond wordt ingestopt door haar vader, schrikt ze. Hij vertelt zijn dochter dat ze nog even naar buiten gaan, naar het feest. Karin hoeft niet bang te zijn, de oorlog is immers voorbij. Ze kan rustig gaan slapen, zegt haar vader, met het geluid van de vrolijke muziek en juichende mensen op de achtergrond.

‘Ik heb zo hard geschreeuwd’, zegt ze. ‘Ik weet niet hoe lang mijn vader weg is geweest, maar het leek uren te duren. Ik was helemaal in paniek. Toen hij eindelijk terugkwam duurde het heel lang voordat ik weer rustig was. En hij mocht van mij niet meer weg.’

Na die avond was er altijd iemand in huis, maar met de bevrijding veranderde het leven van de kleine Karin drastisch. Er kwamen minder vaak mensen langs, haar zus was niet zo vaak thuis en haar moeder zocht haar vrijheid. Ze gingen vaker de stad in, naar bridgeclubjes, tennissen en Franse les.

‘Ik wilde de oorlog weer terug, iedereen fijn bij elkaar.’

Het eenzame, knagende gevoel bleef nog lang bij haar. En ze bleef jarenlang doorgaan met een merkwaardig spel. Op het schoolplein stond een grote zandbak. In het zand was ze niet geïnteresseerd, wel in de betonnen rand waar ze hard overheen rende. Net zo lang tot ze eraf viel.

‘De kunst was om aan de binnenkant te vallen’, legt De Korte uit. Die was glad geschuurd. Maar het gebeurde vaak genoeg dat ze tegen de ruwe buitenkant aanviel en terugkwam met een flinke schaafwond. ‘Ik liep altijd met grote plakkaten hansaplast op mijn dij. Mijn moeder zei dat ik oerdom was, niemand begreep waarom ik het deed.’

Dwangneurose

Met haar vader, die zenuwarts was, had ze het er wel over. Hij legde haar uit dat het een dwangneurose was. ‘Dat was normaal jargon bij ons thuis, hij behandelde me nooit als een kleuter’, zegt ze. ‘Ik wist ook wat het was omdat ik een vriendinnetje had dat voor het slapen ging van zichzelf alle schilderijen moest tellen. ‘Dat noem je een dwangneurose’, zei mijn vader toen.’

Hoe klein ze ook was, ze vermoedde toen al dat haar ‘spel’ iets met de oorlog te maken moest hebben. ‘Op een dag wist ik het.’ Ze was inmiddels 7 jaar. ‘Ik besefte waarom ik het deed. Buiten was de oorlog, binnen waren we samen en veilig. Ik voelde me veilig binnen de rand, erbuiten deed ik me steeds pijn. Al rennend was ik op zoek naar een uitweg.’

Ze vertelde het haar vader. En ook dat ze de uitweg had gevonden. Die geborgenheid thuis, besefte ze, zou niet meer terugkomen. Ze moest de wereld in, haar eigen weg gaan, mensen ontmoeten, anderen helpen.

‘Wat ik van mezelf bijzonder vind is dat ik op een gegeven moment tot bezinning kwam’, zegt ze. ‘Waarom dat toen opeens gebeurde? Ik mag honderd keer psychotherapeut zijn, maar ik weet het niet. Ineens dacht ik: wat een onzin, ik moet het zelf doen.’

‘Ik wilde de oorlog weer terug, iedereen fijn bij elkaar.’ Foto: Sabine van Wechem 

Deel dit verhaal