Valkenswaard

De koffer, de vlucht en de liefde: hoe Paul Guggenheim via Cuba aan de Holocaust ontsnapte

Beeld: Katja Poelwijk.

De Duitse Jood Paul Guggenheim woonde voor de oorlog al tien jaar in Nederland, maar dat gaf hem geen paspoort. Toen Paul via Cuba aan de Holocaust ontsnapte, wilde hij Nederland toch helpen ‘bevrijden van die beesten’. Zijn zoon ontdekte het verhaal door het koffertje dat tientallen jaren gesloten bleef, dan toch te openen.

Deel dit verhaal

‘Jij had toch ook een vader?’, vraagt de kleine Jaron. Het is die vraag van zijn zoontje waardoor Gideon Guggenheim voor het eerst de koffer openmaakt. De koffer die al jaren op zolder ligt. Toen hij hem kreeg van zijn moeder, gaf zij de opdracht er verder niets mee te doen. Maar nu zijn zoontje ernaar vraagt, op Vaderdag ook nog, vindt Gideon het tijd. Eindelijk zal hij meer te weten komen over zijn vader Paul.

In de koffer vindt Gideon zakagenda’s, oude vreemdelingenpaspoorten en tientallen brieven. Er groeit al schimmel tussen de stapels vergeelde documenten. ‘De interesse van mijn zoontje was snel weg, maar ik bleef lezen. Het duurde nog dagen voor ik door had wat ik werkelijk had gevonden.’

Reconstructie van de reis

Op zijn werkkamer begint Gideon met het combineren van de brieven en documenten, om de reis van zijn vader te reconstrueren. Zo komt hij erachter dat Paul als Joodse vluchteling na een bizarre reis via Spanje en Cuba aan de Holocaust weet te ontsnappen, in Engeland koningin Wilhelmina ontmoet en uiteindelijk als korporaal van de Prinses Irene Brigade terugkeert op bevrijde Nederlandse bodem.

‘Achteraf vind ik het gek dat ik er nooit naar gevraagd heb. Maar in ons gezin werd nooit gesproken over de oorlog. Het enige wat we wisten, was dat mijn vader tot in de oorlog getrouwd was met een andere vrouw dan mijn moeder.’

Paul Guggenheim wordt in 1910 geboren in Frankfurt am Main, een paar kilometer van het geboortehuis van Anne Frank. Na zijn eindexamen vertrekt hij naar Nederland, waar hij bij een verfstoffenfabriek in de leer kan. Hij wordt verliefd op Regina, een bekende uit Duitsland. Ze trouwen, wonen samen in Amsterdam en Paul wordt mededirecteur van Butonia, het familiebedrijf van Regina’s ouders dat internationaal handelt in knopen en gespen voor herenkostuums.

Gideon Guggenheim met foto's en documentatie uit de koffer van zijn vader Paul. Beeld: Katja Poelwijk. 

Mislukte vlucht

Nederland is zijn nieuwe thuis, maar hij en Regina hebben nog geen paspoort, ontdekt Gideon. ‘Hij woont dan al meer dan acht jaar in Nederland en is helemaal ingeburgerd. Hij heeft een goed inkomen en is getrouwd. Maar toch wordt zijn eerste verzoek tot naturalisatie in 1938 afgewezen. Van het ministerie van Justitie krijgt hij het advies het ‘eenige jaren later opnieuw te proberen’.’

Maar als de nazi’s binnenvallen, is het te laat. De invasie leidt tot paniek bij Paul. Gideon leest dat zijn vader al op de dag van de capitulatie probeert te vluchten via IJmuiden. ‘Maar hij is niet de enige, duizenden anderen proberen die dag weg te komen. Ze komen in de file en de vlucht mislukt.’

‘Daarna gaat het snel.’ Gideon grist een namenlijst uit zijn stapel documenten en wijst naar zijn eigen achternaam. ‘Twee weken na zijn eerste vluchtpoging staan Paul en Regina in de Duitse staatscourant, met de mededeling dat hun de Duitse nationaliteit is ontnomen, vanwege hun Joodse achtergrond.’

Persoonsbewijzen en documentatie uit de koffer van Paul. Beeld: Katja Poelwijk. 

Toeristenvisum

Eerst kan Paul nog werken en reizen, maar stap voor stap wordt het leven moeilijker. De angst voor razzia’s groeit. Samen met bevriende buren haalt Paul een stuk uit de muur van de keuken, zodat beide families kunnen ontsnappen. En als er geruchten gaan over arrestaties, kunnen ze terecht in het huis van bekenden.

Intussen zint Paul nog steeds op een vluchtplan. Hij doet verschillende pogingen om te emigreren, bijvoorbeeld naar de Verenigde Staten. Op 21 april 1941 krijgt hij antwoord uit Cuba: Paul en Regina krijgen een toeristenvisum.

Dat visum is het begin van een levensgevaarlijke vlucht. Paul heeft een eindbestemming, maar waar te beginnen? ‘Dit is het moment dat het hem niet meer alleen lukt’, zegt Gideon. Paul zoekt hulp bij een Duitse oud-collega van de verffabriek. Hij schrijft: ‘Ik zei dat ik er alles voor over had om te vertrekken.’

Dankbaarheid

Na weken wachten komt er goed nieuws: het kost Paul zeker een jaarinkomen, maar dan kunnen hij en zijn vrouw samen met twintig andere Nederlanders per trein richting Spanje. Daar zal de boot naar Cuba vertrekken. Twee ‘goede’ Duitse officieren zullen hen begeleiden. Paul moet alles achterlaten en zijn bezittingen overdragen aan de Liro, de roofbank van de nazi’s.

Paul schrijft over zijn schuldgevoel. ‘Anderen hebben niet genoeg geld, of een oud-collega die iets kan doen. Je weet niet hoe verschrikkelijk we het vinden dat we dit geluk hebben, terwijl duizenden anderen meer zouden geven om te ontsnappen aan de hel, maar die kans nu niet meer hebben.’

Zo ontrafelt Gideon stap voor stap het verleden van zijn vader. ‘Maandenlang zat ik er heel diep in. Nu lukt het om iets meer afstand te nemen. Onze vader moest alles opgeven, maar in veel van de brieven lees je ook de dankbaarheid voor zijn kans om te vluchten. Dat vind ik belangrijk: ook nu zijn er nog altijd mensen die hopen dat er ergens een land is dat hen opneemt.’

Het vreemdelingenpaspoort en het 'Jewish Pocket Handbook' van Paul. Beeld: Katja Poelwijk. 

Zoveel meegemaakt

Met twee koffers en een schrijfmachine begint de vlucht in de ochtend van 30 januari 1942. Via Brussel, Parijs en de trein naar Bordeaux gaat de reis verder richting het Spaanse grensstadje Irun. Bij de grens worden Paul en Regina tegengehouden, omdat hun visum voor Cuba niet wordt erkend. Drie dagen wachten ze in het bezette Frankrijk, totdat hun contactpersoon belt en zegt dat ze onmiddellijk naar het perron moeten komen.

Er volgt een helse nachtelijke rit naar Vigo, waar de boot zou moeten vertrekken. Paul en Regina belanden in een sneeuwstorm en leggen de tocht door autopech af in vijf verschillende auto’s. ‘We dachten dat we nooit zouden aankomen. We hebben zoveel meegemaakt, vooral in Spanje, we zouden er een roman over kunnen schrijven’. En in zijn zakagenda noteert Paul: ‘Na 60 uur doorgewaakt eindelijk naar bed’.

Gideon: ‘In de brieven zakt z’n moraal.’ Tot overmaat van ramp blijkt de boot helemaal niet vanuit Vigo te vertrekken. Paul wordt ook nog ziek. Hij laat een verstandskies trekken, krijgt een ontsteking en zit met Regina vast in Spanje. Geld krijgen ze gelukkig nog wel, via de Zwitserse tak van Butonia.

Maar dan, na een maand, kan Paul zijn vluchtplan eindelijk voortzetten. Hij reist naar Lissabon, waar de boot wél vertrekt. Uit zijn agenda: ‘Een nieuw leven begint’.

Gideon (links) met zijn broer Michael en de brieven van hun vader, Paul Guggenheim. Beeld: Katja Poelwijk. 

Desillusie

Via Casablanca en Bermuda komen Paul en Regina na drie weken varen aan in een vluchtelingenkamp vlak boven Havana. Paul weet dat hij aan deportatie is ontsnapt: ‘We kunnen van groot geluk spreken dat we het gehaald hebben, des te meer we echt net voor het sluiten van de poorten hier zijn aangekomen.’

Toch ziet Gideon het leven van zijn vader juist nu instorten. Niet alleen zit Paul vast in een kamp, zijn vrouw verlaat hem ook nog eens voor een man die ze leert kennen tijdens de vlucht. ‘Je weet, ik was op haar blindelings verliefd, ik hield echt van haar en ik was vroeger overgelukkig.’

Paul is gedesillusioneerd, blijkt ook uit niet-verstuurde brieven die Gideon in de koffer vindt. Hij schrijft zelfs over zelfdoding. In die tijd hoort Paul ook over de massavernietiging in Europa. Begin december 1942 schrijft hij naar vrienden op Curaçao: ‘Deze week was er een grote treurdag, waarschijnlijk ook voor de Joden in Curaçao, omdat Hitler het besluit genomen heeft, alle Joden voor einde van dit jaar te vernietigen. (...) Ik denk aan mijn vele vrienden (...) wie leeft er nog, of wie is reeds vermoord. (...)Dat men heele groepen van menschen kan uitrooien, en dat menschenhand het ook nog kan doen, nee daar kan ik met mijn pet niet bij.’

Moeilijkheden overwinnen

Gideon: ‘Het is triest om mijn vaders frustraties te lezen. Hij is statenloos en zijn vrouw heeft hem verlaten. In de niet-verstuurde brieven gaat hij heel ver in het verwoorden van zijn gevoelens. Ik denk dat niemand ze ooit heeft gelezen, ook mijn moeder niet. Als je schrijft over zelfdoding, moet je echt heel diep hebben gezeten.’

Maar niet lang daarna wordt de toon in de brieven strijdlustiger. In Lissabon had Paul zich al aangemeld bij het Nederlandse leger, omdat hij Europa wil helpen ‘bevrijden van die beesten’. Hij wil wraak. ‘Hoe vaak hebben wij er van gesproken, dat wij zoo gaarne een paar duizend van die grote bommen wilden laten neerdonderen op Hitlers hoofd, hij krijgt het nog. Wie kan vuriger de vernietiging van die rot moffen wenschen dan wij. Weet je, ik kom mij er soms gek voor, wat voor wraakzuchtige gedachten de mensch heeft.’

Ook privé krabbelt hij op. ‘Ik zal er overheen komen, en trachten ook zonder haar (Regina, red.) door het leven te gaan. Het zal moeilijk voor mij zijn, maar waarom zal ik die moeilijkheden niet kunnen overwinnen. Had ik vroeger niet ook moeilijkheden? Het hele leven bestaat er uit.’

Als Paul eindelijk vrijkomt uit het vluchtelingenkamp, woont hij een paar maanden in Havana. Daar ontmoet hij Giselda Blanco, een Cubaanse met wie hij een korte relatie heeft. Gideon: ‘Ineens ontbrandt de liefde. Ik denk dat dit drie heel gelukkige maanden zijn geweest, zeker als je kijkt naar de brieven die Giselda stuurt als ze uit elkaar zijn.’

‘Ik houd elke keer meer van je en leef in de illusie je snel weer te zien, ook al zou het nog maar één keer meer zijn voordat ik sterf, en ik lijd zoveel, ik ben zo jong! Maar goed, neem het me niet kwalijk; je weet dat ik heel sentimenteel ben, ik ben een domkop. Ik ben heel trots op je mijn Paul.’

De brief van Giselda Blanco, de vrouw die Paul leert kennen in Cuba, ondertekend met een zoen. Beeld: Katja Poelwijk.  

Thee met Wilhelmina

‘In de niet-verstuurde brieven lees je de twijfel, ook over zijn seksuele leven. Giselda is de bevestiging dat hij wel degelijk kan beminnen’, zegt Gideon. ‘De vlucht uit Europa, de echtscheiding: zij is het keerpunt na alle ellende’,

Maar omdat Paul mag beginnen aan een militaire basisopleiding vertrekt hij naar Canada en daarna naar Engeland, waar hij radiotelegrafist wordt. Een Nederlands paspoort krijgt hij nog altijd niet, zelfs niet nu hij in het leger zit. Door het ontbreken van een volksvertegenwoordiging in oorlogstijd is naturalisatie niet mogelijk.

7 januari 1944
Tea at Maidenhead
Queen Wilhelmina!!
(uit zijn zakagenda, red.).

Maar thee drinken met Wilhelmina, dat mag hij wel. ‘Zeg wat kostelijk dat je heusch bij de Koningin op bezoek bent geweest’, schrijft een vriendin hem. ‘Zou ik ook best willen, maar is voor mij niet weggelegd.’

Het is niet duidelijk of dit bezoek aan Wilhelmina de aanleiding is, maar in de zomer hierop doet Paul in een brief aan de Koningin een nieuwe, vergeefse poging om Nederlander te worden. In de brief schrijft hij in de derde persoon over zichzelf:

‘Korporaal Paul Guggenheim geeft met verschuldigden eerbied te kennen:
Dat verzoeker zich volkomen heeft ingeleefd in de Nederlandsche samenleving en hij Nederland als zijn vaderland beschouwt en dat hij zich verknocht voelt aan de Nederlandsche democratische staatsinstelling en het Vorstenhuis.’

Een van de brieven van Paul Guggenheim aan Koningin Wilhelmina, met zijn verzoek tot naturalisatie. Beeld: Katja Poelwijk. 

Verhaal moet verteld

Intussen is de bevrijding van Europa op handen. In november, maanden na D-day, komt Paul met de Prinses Irene Brigade aan land in Normandië. Twee weken later, op 25 november 1944, steekt hij om 5.15 uur de Nederlandse grens over bij Valkenswaard. Paul is terug in het land dat hij ‘net voor het sluiten van de poort’ was ontvlucht.

Niet eerder deelde Gideon het verhaal van zijn vader, maar hij en zijn broer Michael vinden dat het verteld moet worden. ‘Zijn brieven zijn geschreven op het moment dat het gebeurde, met de kennis van dat moment. Dat maakt het bijzonder.’

Gideon: ‘De afwijzing raakt me. Hij voelt zich Nederlander, is onderdeel van de Nederlandse samenleving. Hij moet vluchten, maar kiest ervoor om te helpen in het Nederlandse leger, waar hij z’n best doet voor ‘de Hollandse zaak’. Zijn broer vult aan: ‘Voor mij laat het zien dat Nederland weinig heeft gedaan voor Joden. Dat iemand zo lang in Nederland is, en het land toch zo moeilijk doet.’

Wat Paul precies in het leger deed, is onbekend. Wel weet Gideon dat zijn vader een maand na de bevrijding van Nederland met zijn jeep door Scheveningen rijdt. Op de kade bij het strand loopt een jonge vrouw met haar hondje. Paul spreekt haar aan, Hetty heet ze. Dat is de vrouw die de koffer met zijn vaders levensverhaal aan Gideon geeft, zijn moeder.

Enkele jaren na de oorlog krijgt Paul, zo’n twintig jaar na zijn komst naar Nederland, zijn Nederlandse paspoort.

Paul ontmoet zijn vrouw Hetty, de moeder van Gideon, in Den Haag, vlak na de bevrijding van Nederland. 

Waarom kon Paul uitgerekend in Cuba terecht?

Meer dan 11.000 families deden in de Tweede Wereldoorlog een poging te emigreren uit Nederland, met name naar Noord- en Zuid-Amerikaanse landen. Toch lukte het slechts een klein deel daarvan om Nederland daadwerkelijk te verlaten, weet archiefmedewerker Hubert Berkhout van het NIOD (Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie). ‘Hoe meer geld je had, hoe groter de kans van slagen’, zegt Berkhout. ‘Vermogende vluchtelingen konden zich in het begin van de oorlog als het ware uitkopen. De nazi’s legden beslag op de bedrijven en bezittingen, in ruil voor een uitreisvisum. Later hielden de Duitsers het alleen nog maar bij de beslaglegging, zonder enige vorm van compensatie.’

Volgens Berkhout was geld de belangrijkste reden voor Cuba om vluchtelingen op te nemen. ‘Er zijn bijvoorbeeld veel Belgische Joden in Havana terechtgekomen, voornamelijk diamanthandelaren. Zij mochten in Cuba komen werken, onder de voorwaarde dat ze Cubanen in dienst namen. Er bestond een fikse tarievenlijst voor het verkrijgen van een inreisvisum. Met de komst van bemiddelde Joden kon Cuba cashen’.

In totaal zijn tenminste 179 Nederlanders, voornamelijk Joden, tijdens de oorlog met een visum naar Cuba gereisd. Voor vluchtelingen was Latijns-Amerika toegankelijker dan de Verenigde Staten, zo is te lezen in het werk van dr. Loe de Jong. Zeker toen de Verenigde Staten de regels aanscherpten: vluchtelingen die bloedverwanten achterlieten in het bezette Europa waren niet meer welkom.

Ook Otto Frank probeerde met zijn familie naar Cuba te vluchten, maar zijn poging mislukte. De verwerking van aanvragen verliep uiterst traag en na de aanval op Pearl Harbor en de stillegging van het scheepsverkeer tussen Europa en Noord- en Zuid-Amerika werd reizen naar Cuba onmogelijk.

Verantwoording

expanded Klik hier om te bekijken

Deel dit verhaal