Groningen

Hoe Kees Wiersema een kokend hete Canadese mitrailleurhuls opving

Kees Wiersema werd bevrijd in Groningen. Foto: Sabine van Wechem

Bijna vijf jaar was de oorlog relatief rustig verlopen in Groningen. Maar tijdens de bevrijding ging het er heftig aan toe in de stad. Kees Wiersema werd die dag achttien jaar, en hij weet het nog goed. ‘Ze gaven met de mitrailleur nog één riedel, daar stond ik praktisch naast.’

Deel dit verhaal

Voor de meeste Nederlanders was de bevrijding vooral een feest. Geallieerde soldaten zagen ze lachend en opgelucht in optochten, het geweld bleef gelukkig ver weg. Maar Kees Wiersema keek zijn bevrijders recht in de ogen, midden in de strijd. Hij werd letterlijk in zijn eigen huis in Groningen bevrijd. ‘Ze schoten vanaf ons dak met een mitrailleur’, zegt de nu 93-jarige oud-leraar. ‘Ik ving zo’n huls op. Kokend heet was die.’

Wiersema woonde aan het eind van de oorlog met vader, moeder en oudere zus aan de Vismarkt, in de Groningse binnenstad. Ook al liep de oorlog ten einde, het Duitse bevel had opdracht gegeven de stad zo lang mogelijk in handen te houden om de strategisch belangrijke Eemsmond langer te kunnen beschermen. Groningen had veel smalle straten, de Canadezen moesten de stad daarom bijna huis voor huis bevrijden.

We are Canadians

‘Er liepen soldaten aan de overkant’, vertelt Wiersema via de telefoon. ‘En we zagen dat het geen Duitsers waren. Amerikanen, dachten we. Toen ze naar ons huis kwamen, zei de buurman: ‘Welcome Tommies!’ Maar zij antwoordden: ‘We are Canadians.’’

Het was 15 april 1945 en Kees hield zich toen al enkele dagen schuil in de kelder, met in totaal zestien mensen uit de buurt. ‘Mijn moeder speelde het klaar om nog voor iedereen soep te maken ook.’

Een paar dagen daarvoor was er een auto met een luidspreker door de Groningse straten gereden. Iedereen moest naar huis, de deuren moesten dicht, maar mochten niet op slot. Zo konden de Duitsers zich nog vrij bewegen. ‘Ik was thuis en keek uit het raam. Dat beeld zie ik nog voor me. Alsof een mierennest met een tak werd verstoord. Iedereen liep een andere kant op. Dat duurde een uur en toen was het rustig.’

In de kelder zat een trap naar buiten met luiken er overheen. Daar hoorden ze de Duitsers steeds overheen lopen. Soms hoorden ze het fluiten van granaten, en iets later een inslag. De sfeer was natuurlijk gespannen, maar Kees herinnert zich ook dat hij een keer vreselijk moest lachen. Er was een baby die Agnes Paula heette, vernoemd naar haar oma’s. ‘Wat een mooie namen hebben haar oma’s’, zei een van de vrouwen. ‘Nou’, zei de moeder. ‘We hebben het een beetje aangepast. De ene oma heette Albertje en de andere Pieterke.’

Kees Wiersema in zijn tuin in Hengelo, waar hij na de oorlog naartoe verhuisde. Foto: Sabine van Wechem

Granaatscherf

Wiersema moet er nog steeds om grinniken. Hij woont al decennia in Hengelo, niet lang na de oorlog vertrok hij uit Groningen omdat er in Twente wel huizen waren. Hij werd leraar Engels aan de Mavo. Sinds 1992 is hij alleen. ‘Dat knaagt nog het meeste aan me’, zegt hij. ‘Maar ik doe mijn boodschappen op het fietsje, dat gaat allemaal nog. En fitness, maar door corona staat dat nu even stil.’ Gelukkig zorgt zijn lidmaatschap van de vrijmetselarij ervoor dat hij ook nu aanspraak houdt. ‘Zo nu en dan komt er een broeder langs, dat is fijn.’

In zijn boekenkast heeft hij nog altijd een granaatscherf staan. Het is een aandenken uit de oorlog, maar niet van de bevrijding. Wiersema moest in het najaar van 1944 loopgraven uitgraven voor de Duitsers, in de buurt van Emmerich. Als geallieerde vliegtuigen overvlogen, werden ze beschoten. ‘Een keer kwam er zo’n regen van granaatsplinters bij ons in de buurt. Een sloeg vlak bij mijn hoofd in.’

Kees Wiersema heeft een granaatscherf in zijn kamer staan. Foto: Sabine van Wechem

Cadeau

Ook aan de bevrijding hield Wiersema geen letsel over, maar sommige beelden uit die laatste dagen is hij nooit vergeten. Een paar keer verliet hij de kelder en ging hij naar boven om door het raam te kunnen kijken. Dan lag hij op zijn buik achter de vensterbank en keek stiekem door de bloemen heen. ‘Een keer zag ik de familie Limberti van de parapluwinkel’, herinnert hij zich. ‘De Duitsers dachten dat zij op hen geschoten hadden en zetten ze voor hun winkel. Daar stonden ze met de handen omhoog. De Duitsers staken hun winkel in de brand en zeiden dat ze naar binnen moesten. Dat beeld heb ik nog altijd op mijn netvlies.’

Historicus Joël Stoppels, die onderzoek deed naar de bevrijding van Groningen, kent dit verhaal niet. ‘Maar dit soort gruwelijkheden heeft wel plaatsgevonden’, zegt de eigenaar van Battefield Tours, dat rondleidingen organiseert. ‘Een deel van de Duitsers was bloedfanatiek. Niet allemaal, het was een mengeling, maar er zaten ook veel SS’ers tussen, die tot het uiterste gingen. Ook omdat het gerucht ging dat de Canadezen geen krijgsgevangen zouden nemen.’

De Limberti’s wisten zich volgens Wiersema te redden door aan de achterzijde de winkel uit te vluchten. Maar de hevige strijd kostte 106 andere Groningse burgers het leven en ongeveer 130 Duitse en 40 Canadese soldaten sneuvelden. Toen de Canadezen in het huis van Wiersema kwamen, was de grootste strijd gestreden. ‘Ze wilden naar het dak en toen ben ik meegelopen’, herinnert Wiersema zich. ‘Ze gaven met de mitrailleur nog één riedel richting de Korenbeurs. Daar stond ik praktisch naast. En toen waren we bevrijd.’

Zijn bevrijding viel toevallig samen met zijn achttiende verjaardag. Volgens zijn moeder had hij geen beter cadeau kunnen krijgen. Kees kon het er niet mee oneens zijn. ‘Maar ik zei ook tegen haar: ik sta wel mooi met lege handen.’

Branden

Al snel werd duidelijk dat Groningen zwaar gehavend uit de strijd was gekomen. Op die 15 april woedden er op veel plaatsen in de stad nog branden. Ook bij Wiersema om de hoek, in de Stoeldraaierstraat. Hij vroeg of hij kon helpen en niet veel later stond hij met een slang in zijn hand. Tot zijn moeder hem rond zes uur ’s avonds zag staan. ‘Toen kreeg ik op mijn donder. ‘Ben je de hele oorlog goed doorgekomen’, zei ze. ‘En dan ga je nu in die vuurzee staan.’’

Een dag later gaven de Duitsers zich over. Bijna vijf jaar was de oorlog relatief rustig verlopen in Groningen, maar in die laatste oorlogsdagen werd een groot deel van het centrum verwoest. Eigenlijk mochten de bewoners die dag nog niet vrij rondlopen, maar Wiersema’s vader was ‘stoutmoedig’ en ging toch kijken.

Drie keer in zijn leven heeft Wiersema hem zien huilen. De laatste keer was ver na de oorlog, toen de kat dood was. De eerste keer was tijdens de oorlog toen het Wilhelmus speelde op Radio Oranje. ‘Toen zei hij dat hij moest hoesten’, zegt Wiersema lachend. En die dag, vlak na de bevrijding, hield zijn vader het ook niet droog. ‘Hij kwam terug met tranen in zijn ogen. Ik hoor hem nog zeggen in het Gronings: ‘De hele Grote Markt is kepot.’’

‘Toen kreeg ik op mijn donder. ‘Ben je de hele oorlog goed doorgekomen’, zei ze. ‘En dan ga je nu in die vuurzee staan.’’ Foto: Sabine van Wechem

Deel dit verhaal