Hilvarenbeek

Julius (94) wilde de oorlog als 19-jarige ‘eigenhandig beëindigen’

Julius Vroom terug in Hilvarenbeek. Foto: Katja Poelwijk

Toen zijn broer door de Duitsers werd doodgemarteld, veranderde voor Julius Vroom de oorlog. Hij vluchtte naar Hilvarenbeek en speelde een belangrijke rol in de bevrijding van Noord-Brabant. Althans, zo herinnert hij het zich. 

Deel dit verhaal

Julius Vroom (94) wordt nog geregeld badend in het zweet wakker. Zijn vrouw Erzsébet (66) heeft dan even nodig om hem te kalmeren. Het is altijd dezelfde nachtmerrie, al 75 jaar lang. Hij wordt met zijn rug tegen een muur gezet, samen met zijn kameraad Lambert. Dan volgt het Duitse commando en het geluid van de soldaten van het vuurpeloton die hun wapens op hem richten. Hij hoort een snerpend laatste bevel, luide geweerschoten en voelt hoe de kogels zijn lichaam binnendringen.

De kleinzoon van de medeoprichter van warenhuis V&D sprak lang nauwelijks over wat hij aan het eind van de oorlog meemaakte. ‘Ik wilde wel’, zegt hij, ‘maar het voelde vaak alsof mijn stembanden verslapten als ik ging vertellen wat er gebeurd was.’ Volgens zijn zoon Jan kwam het verhaal van de terdoodveroordeling van zijn vader alleen in brokstukjes naar boven, na ‘een paar glazen Franse rode wijn’.

Nu is het precies deze herinnering, die hij het liefst vertelt. Het is dan ook niet zomaar een verhaal: volgens Julius had hij als 19-jarige een plan om een eind aan de oorlog te maken. Pas na 2011 lukte het hem om meer te praten over de oorlog. Toen kreeg hij als erkenning voor zijn hulp aan de Britse geallieerden een certificaat en een badge. Elke ochtend speldt zijn vrouw de Britse veteranenbadge op bij Julius, die moeilijk loopt, zeer slechtziend is en last heeft van zijn rug. De badge draagt hij ook als hij een dag thuis is.

‘Ik voel me trots’, zegt hij. ‘Hoewel ik nu snap dat mijn plan om de oorlog te beëindigen absurd was.’ Zo bizar dat zijn eigen zoon zich afvraagt of het wel precies zo is verlopen. En ook een historicus zet zijn vraagtekens bij de herinnering. Maar daarover later meer. Eerst het verhaal van Julius zelf.

Julius Vroom en zijn veteranenbadge. Foto: Katja Poelwijk

Gemartelde broer

Eigenlijk had Julius in 1943 op het prestigieuze Eton College in het Verenigd Koninkrijk moeten zitten, vertelt hij in zijn huis net over de Belgische grens. Maar door de oorlogsdreiging kon hij, eind jaren dertig, niet naar de Britse privéschool. Zijn vader, voor de oorlog directeur van het warenhuis dat later V&D zou worden, stuurde hem daarom naar een Haags internaat. Dat was ‘in die tijd de beste school van Nederland’, maar in 1940 moest hij weg, omdat de Duitsers het schoolgebouw in beslag namen. Drie jaar later moest Julius zelfs zijn ouderlijk huis ontvluchten, nadat zijn broer vanwege verzetswerk was opgepakt.

‘Onze kelder in Bussum lag vol met wapens’, herinnert Julius zich, die zelf weleens met de fiets boodschappen overbracht aan leden van de verzetsgroep. Nu werd zijn broer ondervraagd en gemarteld in Amsterdam en Scheveningen. ‘Eén keer mocht ik hem opzoeken. Hij lag met een andere man op een kamer, maar ik zag niet wie mijn broer was. Ze waren allebei uitgemergeld, wit, hadden kale plekken en grijs haar. Zo erg hadden ze hem toegetakeld. Hij was pas 25.’ Zijn broer overleed op 5 mei 1943, volgens Julius aan de gevolgen van de martelingen.

Julius' overleden broer Henri Vroom in militair galakostuum. Beeld: Julius Vroom. 

In het verzet

Julius vluchtte op dat moment naar Hilvarenbeek, omdat zijn vader maar ook het verzet bang was dat ook hij opgepakt en gemarteld zou worden. In Hilvarenbeek woonden zijn zus en haar Brabantse man, een textielfabrikant met zo’n drieduizend hectare land. In de kelder van een kasteeltje op het landgoed zou Julius tot het eind van de oorlog blijven. Hij maakte zich druk over zijn vader, die al een paar keer door agenten was meegenomen. Op het kasteeltje werd Julius strijdlustig. ‘Ik wilde die moffen het land uit krijgen, op mijn eigen manier.’

Zodra Julius de bossen rondom het kasteeltje leerde kennen, begon hij opdrachten te doen voor het verzet van Hilvarenbeek. Hij bracht in kaart waar Duitse troepen zaten. Toch voelde hij dat hij pas echt iets zou kunnen betekenen als de geallieerden zouden arriveren. Begin oktober 1944 kwam het geluid van zwaar geschut steeds dichterbij.

Het 'kasteeltje' bij Hilvarenbeek. Foto: John Scholte (cc)

Op de dag dat Hilvarenbeek werd bevrijd, gaf Julius zich bij de burgemeester van het dorp op voor de Binnenlandse Strijdkrachten, waarin verzetsgroepen samenwerkten. Daar vond hij de opdrachten minder zinvol dan gehoopt. ‘Hilvarenbeek lag aan het front, en ik zou vooral dorpelingen moeten evacueren. Maar ik wilde iets tegen die Duitsers doen.’

Elke ochtend meldde hij zich daarom bij een Britse commandant, met de vraag wat hij die dag kon doen. Hij vertelt hoe hij door mijnenvelden navigeerde om Duitse troepen en kanonnen in kaart te brengen. Hoe hij Britse militairen hielp door vanuit de zolder van een boerderij instructies te roepen met richtingen voor de artillerie zodat die de Duitsers kon beschieten. ‘Waarschijnlijk waren die Engelsen blij dat ze beneden in hun pantserwagen konden blijven zitten – dat ik dat gevaarlijke klusje wilde doen.’

Historicus Jack Didden schrijft veel over oorlogsgebeurtenissen in de buurt van Tilburg. De geallieerden maakten volgens hem inderdaad dankbaar gebruik van lokale mensen zoals Julius, omdat die vaak goed konden aangeven waar loopgraven lagen of kanonnen stonden. 'Voor het bijsturen van beschietingen gebruikten ze meestal een eigen militair, maar het zou best kunnen dat ze het in dit geval door een enthousiaste negentienjarige lieten doen.'

Terug naar de boerderij

We gaan met Julius naar de Brabantse boerderij waar hij destijds hielp bij de beschietingen. Met kleine stapjes loopt hij, gebogen achter zijn rollator, richting de staldeur. Hij stopt met lopen, wijst naar de drie verticale openingetjes in de nok van het dak. ‘Daar zat ik achter. Door die kijkstreepjes kon ik zien waar de Duitsers zaten.’

De 'kijkstreepjes' in de nok van de boerderij. Foto: Katja Poelwijk

Hij hoort zichzelf weer naar de Engelse tank roepen dat de Britse artillerie haar granaten verder naar links, naar rechts, naar voor of naar achter moest schieten. In de boerderij legt hij uit hoe hij na een explosie zelf 'van het dak werd geblazen' en 'in het hooi viel', met naast hem een dode kat die door een granaatscherf was geraakt. ‘Ik had wel dood kunnen zijn’, zegt hij opgewonden. ‘Maar ik voelde geen angst. Ik liep met die dode kat naar buiten, de Britten zagen er opgelucht uit en barstten daarna in lachen uit.’

De ingeving

Maar in deze weken kreeg hij ook opnieuw ‘de lelijke kant van de oorlog’ te zien. Hij herinnert zich bijvoorbeeld de Brit wiens kaak er voor zijn ogen werd afgeschoten. Op een gegeven moment, zegt Julius, bekroop hem het gevoel dat de hele oorlog, waarin zijn broer al was overleden, volkomen zinloos was. ‘Duitsers, Nederlanders en Britten die elkaar afslachten. Waar gaat het eigenlijk over?’

En toen kreeg hij een ‘ingeving’. Volgens Julius liep hij vrijwillig over de frontlinie naar de Duitsers om zichzelf te laten arresteren. ‘Ik dacht: we zijn allemaal Germanen en moeten stoppen met vechten tegen elkaar. Als ik dit idee op een hoge Duitser kon overbrengen, zou dat volgens mij een verpletterende indruk maken.’ Natuurlijk ziet hij nu in hoe vreemd en gevaarlijk dit plan was. ‘Maar het voelde toen als een opdracht. Als iets dat ik moest doen.’

De 'kijkstreepjes' zijn dichtgemaakt. Foto: Katja Poelwijk

Vonnis: de doodstraf

Julius zegt dat hij zijn kameraad Lambert van Opstal kon overtuigen van zijn plan. ‘Hij deed alles wat ik zei.’ Vroom sprak goed Duits en tijdens zijn eerste verhoor lukte het hem om zijn Germanen-theorie over te brengen. ‘Ik kreeg het gevoel dat de Duitsers erdoor geboeid waren. Eentje vroeg: ‘En de Russen dan?’, waarop ik zei: ‘Daar moeten we ons samen tegen wapenen.’’

Julius herinnert zich hoe hij naar een villa in Tilburg werd geëscorteerd, waar kolonel Gerhard Franz en zijn divisie gestationeerd waren. In de kamer met Franz – ‘ik zag aan de pailletten op zijn uniform dat hij een hoge rang had’ – vertelde Julius opnieuw zijn Germanen-theorie. Volgens Julius luisterde de kolonel in stilte. ‘Ik kreeg het gevoel dat hij er in zijn achterhoofd ook zo over dacht. We waren vijanden, en toch voelde ik een klik met hem.’

Niettemin volgde een hard vonnis: doodstraf, voor Julius en Lambert, vanwege spionage voor de Britten. De volgende ochtend zouden ze op de speelplaats van een school in een nabijgelegen dorp gefusilleerd worden.

Het vuurpeloton

Lambert en Julius worden een dag later inderdaad door het vuurpeloton ‘van een stuk of acht Duitsers’ tegen een muur gezet. Zodra de militairen hun geweren op ze richten, valt Lambert flauw. Julius ziet nog voor zich hoe een militair zijn kameraad omhoog trok en met veel geweld opnieuw tegen de muur drukte. Zo stonden ze een tijdje, zegt Julius, wachtend op het commando doodgeschoten te worden.

In zijn nachtmerries volgen op dit moment altijd de schoten en voelt Julius de kogels. Maar die bewuste ochtend bleef het stil. Er kwam geen commando om te schieten. Na een minuut lieten de soldaten hun wapens zakken. Julius werd het gebouw ingeroepen, bij kolonel Franz. ‘Hij vroeg wat ik zou doen als hij me zou vrijlaten. ‘Meteen terug naar de Engelsen’, antwoordde ik oprecht.’

‘Hij liet me een kaart van de omgeving zien en legde uit hoe we konden teruglopen langs plekken waar het minst gevochten werd. Hij informeerde zelfs twee posten met de boodschap dat ze ons moesten doorlaten als ze ons zagen. Ongelooflijk, maar zo ging het.’

Julius in een museum in Hilvarenbeek, waar aandacht is voor zijn verhaal. Foto: Katja Poelwijk

Codenaam ‘Dubois’

Trots is Julius niet op zijn arrestatie, bijna-executie en ontsnapping. Wonderbaarlijk vindt hij het 75 jaar later nog wel. ‘We hebben tegen de Duitsers ook gezegd dat er vijf keer meer Britse troepen waren dan in werkelijkheid.’ Iets waarvan Julius nu denkt dat het heeft geleid tot een snellere bevrijding van Tilburg en mogelijk zelfs de provincie Noord-Brabant, ‘hoewel ik dat natuurlijk niet kan bewijzen’.

Volgens historicus Didden overdreven door Duitsers opgepakte Nederlanders wel vaker over de aantallen geallieerde troepen. Maar bij ooggetuigenverslagen moet je wel altijd alert blijven, waarschuwt hij. ‘Zo’n verhaal verdicht zich vaak. Dan heeft iemand het zo vaak aan de borreltafel vertelt, dat hij zelf niet meer weet wat-ie echt heeft meegemaakt en wat er per ongeluk bij verzonnen is.’ Het lastige is volgens de historicus dat veel niet te checken is.

Ook Julius’ deelname bij de Binnenlandse Strijdkrachten wordt bevestigd in de archieven – daar is te zien dat hij de codenaam ‘Dubois’ droeg, die hij van zijn overleden broer had overgenomen. Met zijn badge en certificaat is hij door het Britse leger erkend als oorlogsvrijwilliger, en een foto laat Julius zien in een Brits militair kostuum waarvan hij zegt dat hij het als dank voor zijn hulp heeft gekregen.

Maar papieren die het vonnis van Julius en Lambert ondersteunen, ontbreken. ‘De Duitsers stonden erom bekend dat ze alles bijhielden’, zegt Didden. Maar ‘rondom de bevrijding was het chaotisch, toen is minder bijgehouden en veel meer verloren geraakt.’

Julius in zijn Britse militaire kostuum. Beeld: Julius Vroom

Goedmaken met Hitler

Zoon Jan Vroom zegt dat hij brokstukken van dit verhaal al decennia van zijn vader hoort. Volgens hem is het meeste – de arrestatie, de ontmoeting met de kolonel, het Germanen-verhaal, de bijna-executie – in al die jaren hetzelfde gebleven. Jan herinnert zich ook de keer dat de inmiddels overleden Lambert bij het gezin Vroom thuis was. ‘Hij leek zich niets anders te herinneren dan mijn vader.’

Maar Jan vermoedt dat één kernelement wél veranderd is. ‘Ik heb nooit van mijn vader gehoord dat hij zich expres heeft laten oppakken. Ik dacht altijd dat het per ongeluk gebeurde en dat hij zich er met zijn Germanen-verhaal uit wist te lullen.’

Ook historicus Didden heeft moeite met dit element van Julius' arrestatie. ‘Een jongen van 19 wiens broer is doodgemarteld, die zich na de bevrijding met voorbedachte rade weer laat oppakken door Duitse militairen? Dat vind ik wel heel dik.’

Ook hij vindt het ‘veel aannemelijker’ dat de jonge Julius werd opgepakt en zich er daarna wonder boven wonder heeft weten te redden. Hij zegt dat het normaal was dat jongens in de situatie van Julius en Lambert ter dood veroordeeld werden, en benadrukt dat het dus wel degelijk bijzonder is dat ze er onderuit zijn gekomen. ‘Zeker omdat kolonel Franz na zijn falen bij de voorbereidingen voor de operatie richting Stalingrad en rehabilitatie in Afrika iets goed te maken had met Hitler.’

Julius in een museum in Hilvarenbeek, waar aandacht is voor zijn verhaal. Foto: Katja Poelwijk

‘Onder ede’

Op zijn grote, ergonomisch verstelbare stoel, begint de oude V&D-man te lachen. Weet hij zeker dat zijn verhaal helemaal klopt, was de vraag, of zijn er in de loop der jaren dingen bij bedacht?

‘Per ongeluk opgepakt?’, vraagt hij. Dan, vastberaden: ‘Natuurlijk niet.’ Julius vertelt hoe hij op pad was gestuurd om de linkerflank te verkennen, voor een geallieerde aanval op Tilburg. Hij zegt dat daar geen enkele Duitser was om hem te arresteren, noemt de precieze plek tot waar hij de opdracht had te lopen, en de route die hij vervolgens heeft genomen naar de Duitse frontlinie. Het verbaast hem niet dat zijn zoon weinig over die bewuste arrestatie weet: ‘Dat heb ik hem nooit verteld. Als vader wilde ik hem niet confronteren met de gruwelijkheden van de oorlog. Nu woont hij al twintig jaar in Frankrijk, vroeger kon ik alleen onderdelen van het verhaal kwijt.’

Tot twee keer toe zegt hij ‘onder ede’ te willen verklaren dat hij de waarheid vertelt.

Minder nachtmerries

‘Mijn pa is zeker iemand met lef en doorzettingsvermogen’, zegt Jan. Daarom kan hij zich best iets voorstellen bij de voor hem nieuwe versie van het verhaal. ‘Als hij iets in zijn hoofd haalt, doet-ie alles om het te bereiken. Dan heeft hij een geweldige kwaliteit om met mensen te praten en te onderhandelen. Daarom was-ie ook zo goed in zijn werk als inkoopleider bij V&D.’

Jan merkt ook dat zijn vader steeds vaker naar die tijd in Hilvarenbeek terugkeert. De paar weken na de bevrijding zijn de tijd geweest waarin hij zichzelf van zijn beste kant heeft laten zien. ‘Als 19-jarige had hij voor zijn gevoel misschien invloed gehad op de overgave van Duitse militairen in Brabant. Natuurlijk wil hij daar in zijn laatste jaren over vertellen, voor anderen en misschien ook een beetje voor hemzelf.’

Het vertellen van zijn verhaal doet Julius in ieder geval goed. Zijn vrouw merkt dat hij sinds hij over de oorlog is gaan vertellen, minder vaak badend in het zweet wakker wordt. Julius knikt. ‘Vroeger werd ik elke maand gefusilleerd. Nu is dat gelukkig nog maar een paar keer per jaar.’

Verantwoording

De Volkskrant is zich bewust van de risico’s die oral history (geschiedschrijving op basis van persoonlijke verhalen) met zich meebrengt. Hoe gaan we daarmee om? Wetenschapsredacteur Ellen de Visser zocht uit hoe betrouwbaar de herinneringen van 80-plussers zijn.

Deel dit verhaal