Heeswijk-Dinther

Hoe een Amerikaanse parachutist drie generaties Nederlanders verbindt

Mien Potters-van Houtum met haar foto van Robert Peninger. Foto: Katja Poelwijk

75 jaar nadat de Amerikaanse parachutist Robert Peninger bij de aanvang van operatie Market Garden om het leven is gekomen, heeft hij drie Nederlanders, uit verschillende windstreken en generaties bij elkaar gebracht. Zij bekommeren zich nu om de overlevering van zijn geschiedenis.

Deel dit verhaal

De Amerikaanse soldaat Robert Peninger is 22 jaar oud als hij op het punt staat uit een vliegtuig te springen. Het toestel raast boven het oosten van Noord-Brabant. Het doel van de groep parachutisten waarvan hij deel uitmaakt: landen bij Veghel, bruggen innemen voordat de Duitsers ze opblazen en de Engelsen een doorgang bieden op hun weg van Eindhoven naar Arnhem. Peninger maakt, na een militaire training van anderhalf jaar, deel uit van operatie Market Garden, die als missie heeft Duitsland te verslaan en Nederland te bevrijden. Het is zondag 17 september 1944.

De parachutisten landen in een veld aan de rand van het dorp Heeswijk, 8 kilometer van hun doel. Maar kort na zijn landing bezwijkt Robert. Als enige van zijn groep is hij geraakt door ground fire, aldus het later gemaakte action report. De twintiger overlijdt ter plekke, vlak bij de boerderij van de familie Van Houtum.

Spanning in zijn ogen

Drie Nederlanders zijn door het lot van Robert Peninger met elkaar verbonden: Mien Potters-van Houtum (81) uit Heeswijk-Dinther, Ria Petri (62) uit Maastricht en Yannick Jussen (22) uit Veghel. Geen van hen heeft Peninger ooit ontmoet, maar alle drie kijken ze geregeld naar een uitvergrote zwart-witfoto van hem.

Bij Potters-van Houtum staat diens portret zelfs op een ereplek in haar woonkamer, op ooghoogte op de houten kast in de hoek. Zelfs de foto van haar zoon met prins Friso moest wijken voor de soldaat. ‘Hij kijkt je recht aan, hé? Ik zie de spanning in zijn ogen, alsof de foto vlak voor zijn sprong genomen is.’

Ze heeft Robert nooit gesproken, maar wel gezien. En hoe ze hem zag, op die septemberdag in 1944, staat in haar geheugen gegrift.

Mien Potters-van Houtum. Foto: Katja Poelwijk

Rommelende vliegtuigen

Mien herinnert zich de onenigheid met haar moeder op de ochtend van Roberts landing. Ze heeft haar zondagskleren aan en staat op het punt bij haar beste vriendin te gaan spelen. Maar volgens haar moeder is dat met al die vliegtuigen in de lucht te gevaarlijk. Mien, de derde van vijf kinderen, snapt niet wat er anders is dan normaal. ‘We horen zo vaak vliegtuigen!’, roept ze. Tot dan toe heeft ze weinig gemerkt van de oorlog en elke zondag spreekt ze af met haar buurmeisje, een paar honderd meter verder, iets waar ze steevast naar uitkijkt.

Mokkend loopt ze daarom het erf op van de boerderij aan de rand van Heeswijk, waar ze nu zelf ziet dat er vandaag wel heel veel vliegtuigen overvliegen. Dan schrikt ze: ze ziet iets uit een van de vliegtuigen vallen.

Een passagier? Maar dan volgen er meer. Verwonderd aanschouwt ze het legioen paraplu-achtige verschijningen dat naar beneden dwarrelt – een parachute heeft ze nog nooit gezien. Het meisje kijkt goed, hand boven haar ogen tegen de zon, en ziet dat er mensen aan hangen. Ze heeft het gevoel in een sprookje te zijn beland.

Dan ziet ze dat een van de parachutes afdrijft van de groep. Pas op, denkt ze, dadelijk beland je in de bomen. De parachute komt 30 meter bij haar vandaan aan de grond, veel dichterbij dan de rest. Ze probeert de soldaat te zien en vangt een glimp op van zijn worsteling: hij lijkt zijn nek of hoofd met een stuk verband te verbinden. De parachute verhindert haar een beter beeld te krijgen. Voordat ze het gezicht van de parachutist kan zien, voelt ze hoe de hand van haar moeder haar naar binnen trekt.

Mien Potters-van Houtum bij haar ouderlijk huis in Heeswijk-Dinther. Foto: Katja Poelwijk

Een houten kruis, geplaatst door kameraden die hem ter plekke begroeven. Dat trof ze een paar weken later aan op de plek waar ze Peninger had zien worstelen. 75 jaar later kan ze nog precies aanwijzen waar het stond.

Na de dag van de landing werd Mien met haar broers en zussen geëvacueerd naar familie in een bevrijd dorp. Op de boerderij was het te gevaarlijk geworden, in Heeswijk werd veel geschoten. Toen ze een paar weken later terugkwam en het kruis zag, besefte ze dat de soldaat dood was. ‘Maar ik kon als meisje de ernst ervan nog niet bevatten.’ Het tijdelijke graf van Peninger werd vanaf dat moment de plek waar Mien met haar vriendinnetje afsprak. ‘We dansten regelmatig rond het graf.’

Oorlogsfascinatie

Ongeveer zestig jaar later en 15 kilometer verderop, op een basisschool in het aangrenzende dorp Veghel, leest Yannick Jussen (10) anders dan zijn klasgenoten uitsluitend boeken over de Tweede Wereldoorlog. Zijn fascinatie neemt nog toe wanneer hij op zijn 13de, samen met zijn vader, het graf van een Amerikaanse soldaat adopteert.

Dat houdt in dat ze het graf van ‘hun militair’ netjes houden en af en toe een bloemetje komen brengen (zie kader). Wanneer Jussen de eerste keer op de militaire begraafplaats in het Zuid-Limburgse Margraten bij ‘zijn’ graf staat, zit hem één ding dwars: hij weet niets over de man bij wie hij nu een bloemetje brengt.

Thuis besluit hij op onderzoek te gaan. Via een website van het Amerikaanse leger en mailcontact met een geschiedkundig genootschap krijgt hij langzaam een beeld van zijn militair: een sergeant die stierf aan de Elbe in Duitsland, vader van een dochter die 14 maanden voor zijn dood was geboren.

De Amerikaanse begraafplaats in Margraten. Beeld: Netherlands American Cemetery

Groeiend slaapkamerarchief

Jussen weet dat zijn eigen woonplaats Veghel belangrijk was geweest voor operatie Market Garden, het beroemde en mislukte offensief tegen Duitsland in 1944. Het plan was dat parachutisten bruggen over Nederlandse rivieren zouden innemen, waarna troepen vanuit België zouden doorstoten tot in het Ruhrgebied. Delen van Noord-Brabant, Limburg en Gelderland werden bevrijd, maar de operatie mislukte, deels doordat het niet lukte een brug bij Arnhem te behouden – dat verlies werd mede beroemd doordat de Engelse regisseur Richard Attenborough er in 1977 een film van maakte, A Bridge too Far.

Ook weet Jussen dat rond Veghel ruim honderd Amerikaanse parachutisten zijn gestorven. Hij wil de verhalen van die anonieme soldaten reconstrueren, zodat ook zij een gezicht krijgen.

Yannick Jussen. Foto: Katja Poelwijk

Hij stuurt mails en brieven naar Amerikaanse geschiedenisclubs en nabestaanden en meldt zich aan als vrijwilliger in een lokaal oorlogsmuseum. Al zijn vrije tijd steekt Jussen, inmiddels mbo-student elektrotechniek, in zijn hobby.

Zijn slaapkamerarchief groeit, maar van één militair blijft het archiefmapje frustrerend leeg: Robert Peninger. Bij Jussen vat het idee post dat Peninger wel eens de eerste Amerikaanse parachutist geweest kan zijn die is gesneuveld bij operatie Market Garden, maar het lukt hem niet informatie over de parachutist te krijgen. Totdat op een mooie nazomermiddag, na een fietstocht, Mien Potters-van Houtum plaatsneemt op het terras van het museum waar hij vrijwilliger is.

De jonge oorlogsfanaticus raakt aan de praat met haar en al snel gaat het over vliegtuigen in 1944. Dan sluit de oude vrouw haar ogen en begint te vertellen. ‘Heeft u dát gezien?’, vraagt hij nadat ze haar verhaal heeft verteld. Hij praat vaker met ouderen over de oorlog, maar niet eerder heeft hij een dergelijk ooggetuigenverslag over de dood van een soldaat gehoord.

Op haar beurt is Potters-van Houtum ook verbaasd. De jongeman die ze nooit eerder heeft ontmoet, noemt uit zijn hoofd de naam en leeftijd van de soldaat bij wiens graf ze als klein meisje heeft gespeeld. ‘Dat voelde als een openbaring.’

Chatbericht

‘Waarschijnlijk heeft hij domme pech gehad en is hij in de lucht op een vitale plek geraakt. Door vluchtende Duitsers die op parachutisten schoten of door de scherven van een explosie aan de grond’, zegt Jussen, die na zijn ontmoeting de boerderij heeft bezocht vanwaar Potters-van Houtum het noodlottige tafereel heeft gadegeslagen. Hij belooft bij die gelegenheid alles over Peninger te zullen uitzoeken.

Al snel komt hij uit bij Ria Petri (62), wier vader ook ooit een graf op Margraten heeft geadopteerd: dat van Robert Peninger. Sinds de vroege jaren negentig heeft hij uit respect voor de geallieerden die hij als kind zijn dorp in Limburg had zien binnenkomen, elke maand een bloemetje bij het graf van Peninger geplaatst.

Petri: ‘Volgens mij heeft het mijn vader altijd dwarsgezeten dat hij niet wist wie Robert was.’ Sinds haar vader zes jaar geleden overleed, brengt zij elke maand bloemen naar het graf. Ze heeft zelf al geprobeerd meer te weten te komen over de parachutist, maar dat is zonder resultaat gebleven. Tot ze een chatbericht van Jussen krijgt.

Ria Petri. Foto: Katja Poelwijk

Wat voor Petri en haar vader vijftig jaar lang een naam op een grafsteen was, wordt na het onderzoek van Jussen een jongen uit de Californische stad Stockton die, nadat zijn ouders jong waren gescheiden, was opgegroeid bij zijn grootouders; volgens sommige documenten samen met een zus, volgens andere niet.

Wat op de Nederlandse vrouwen de meeste indruk maakt, is de foto die Jussen heeft gevonden. Daarop kijkt Peninger bij een militaire oefening recht in de camera - de foto moet zijn genomen niet lang voor zijn landing in Heeswijk-Dinther.

Petri is verbluft: tot dan toe wist ze alleen dat Peninger parachutist in de operatie Market Garden was geweest: ‘Nu was er een ooggetuige die hem in leven heeft gezien.’ Na het twee uur durende telefoongesprek met Jussen voelt ze zich opgelucht en zelfs emotioneel.

'Veel geheimen'

De afgelopen twee jaar hebben Potters-van Houtum, Petri en Jussen contact met elkaar gehouden en speculeerden ze over de vragen die ze alle drie hadden. Wat waren Peningers drijfveren? Waarom ruilt een zo jong iemand het veilige Amerika in voor het front? Waren er in die tijd minder middelen voor kinderen van gescheiden ouders, iets dat in die tijd als een schande werd gezien? Groeide Peninger op in armoede, bij zijn opa en oma? Werd hij getrokken door het avontuur, door de kans in de oorlog iets te betekenen voor de wereld?

Daardoor groeit ook het gevoel van verbondenheid met Peninger. Voor Jussen, nu zelf 22, voelt de jong gestorven parachutist als een leeftijdgenoot die een ongelukkiger lot trof. Voor Potters-van Houtum is Peninger gaan voelen als een vriend van vroeger. En Petri kreeg antwoorden op de vragen van haar vader. ‘Als mijn kleinkinderen ouder zijn, zet ik de foto van Robert ook in mijn woonkamer.’

Rest de vraag of Peninger nog nabestaanden heeft, met wie ze contact zouden kunnen zoeken en die ze de precieze toedracht van zijn sterven zouden kunnen vertellen. Verder dan een aangetrouwde achternicht volgens wie er ‘veel geheimen in de familie waren’ zijn ze niet gekomen. Maar dat wil niet zeggen dat het daarmee is afgelopen, zegt Jussen ‘Mijn interesse in de oorlog neemt alleen maar toe. Ik blijf mails en brieven sturen, voor de andere soldaten en ook voor Robert. Ik stop pas als ik alles over hem heb gevonden.’

Robert Peninger (tweede van onder). Beeld: Mark Bando

Graven adopteren op Margraten

Naast Jussen en Petri hebben ruim achtduizend Nederlanders graven van Amerikaanse militairen op begraafplaats Margraten geadopteerd. Van adoptanten wordt verwacht dat ze het graf bezoeken en soms een bloemetje brengen. De wachtlijst is lang en bevat op dit moment zevenhonderd aanstaande adoptanten. Stichtingssecretaris Frans Roebroeks verwacht dat de wachtlijst met het 75-jarig jubileum van de Bevrijding ‘flink verder zal groeien’.

Volgens Roebroeks zit het adopteren van de graven ‘diep in het dna’ van de Zuid-Limburgse bevolking. Omdat de opmars richting Duitsland in 1944 stagneerde, werden veel Zuid-Limburgse scholen, kloosters, schuren en boerderijen gebruikt om militairen te huisvesten. Roebroeks, wiens moeder 13 was toen een soldaat bij haar gezin kwam wonen en wiens graf zij heeft geadopteerd en nog altijd bezoekt, zegt dat de Amerikanen hun Limburgse gastouders vaak met vader en moeder aanspraken. De Zuid-Limburgse bevolking leefde mee met de militairen, waarvan er aan het einde van de oorlog twintigduizend op Margraten begraven lagen, onder wie Robert Peninger, die net als anderen opgegraven en verplaatst was.

Het adopteren behelsde in het begin ook het schrijven van brieven aan de families van de gesneuvelde soldaten, aldus Roebroeks. ‘Maar dat verwaterde vaak met de jaren, zeker als weduwen opnieuw trouwden.’ Nu ziet hij dat adoptanten vooral op zoek gaan naar de geschiedenis van hun soldaat, zoals Yannick Jussen doet. En dat ze soms in contact komen met nabestaanden. Volgens de secretaris komen de laatste jaren steeds meer Amerikaanse nabestaanden naar Margraten. ‘We krijgen nu elke week wel een of twee mails van Amerikanen die langs willen komen, of contact zoeken met een adoptant. Het is mooi te zien hoe geëmotioneerd ze hier worden. Als ze dan een familie ontmoeten die al generaties lang voor het graf van een nabestaande zorgt, is dat ongelooflijk voor ze.’

Deel dit verhaal