Tietjerksteradeel

Geertje werd aangereden door een Canadese jeep

Geertje Paul en Piet Mollema. Foto: Eva Faché

Het echtpaar Geertje Paul en Piet Mollema woonde niet ver van elkaar in Friesland, maar de herinneringen van het stel aan de oorlog en de bevrijding zijn bijna elkaars spiegelbeeld.

Deel dit verhaal

‘Daar lag ik op bed’, zegt Geertje Paul (81). ‘Bewusteloos en met een verband om mijn hoofd. En zo zag mijn vader me dus terug, voor het eerst in tien maanden.’ Ze schiet vol. ‘Dat gebeurt elke keer als ik denk aan mijn vader en moeder in die tijd, wat een zorgen moeten zij hebben gehad. Dat emotioneert me.’

Geertjes man Piet Mollema luistert naar haar verhaal in hun Amsterdamse huis met uitzicht op de Amstel. Ze kennen elkaar al sinds het eerste jaar van het gymnasium in Leeuwarden. Maar hun herinneringen aan de oorlog en de bevrijding zijn bijna elkaars spiegelbeeld. Bij Geertje wellen de tranen geregeld op als ze vertelt over haar Oostenrijkse vader, haar onderduikadressen en haar ongeluk op de dag van de bevrijding.

‘Ik heb er juist vooral vriendelijke herinneringen aan’, zegt Piet. ‘We hadden het thuis goed. En na de bevrijding kwamen bij ons Canadezen over de vloer. Alec en Cecil. Dat was heel leuk, spannend voor een 5-jarige, maar leuk spannend. Jaren later heb ik nog contact met ze gezocht. Alec herinnerde zich ons gezin nog goed. En zo kwam ik er ook achter dat die soldaten nog eerder van Geertjes bestaan afwisten dan ik.’

Duits paspoort

Piet en Geertje groeiden allebei op in Friesland, hij in Franeker, zij in Leeuwarden. Zij is twee jaar ouder en kan zich daardoor sowieso meer herinneren van de oorlog. Maar het is vooral Geertjes familiegeschiedenis die bepalend was voor hoe zij de oorlog beleefde. Haar vader werd in 1907 in Wenen geboren en kwam kort na de Eerste Wereldoorlog met een kindertrein op vakantie naar Leeuwarden, in het neutraal gebleven Nederland.

‘Toen hij het volgende jaar weer met zo’n trein kwam, besloot hij in Leeuwarden te blijven, bij pleegouders, want in Oostenrijk had hij niemand meer’, vertelt Geertje. ‘Zijn moeder was overleden, zijn vader overleed al eerder in de oorlog en met zijn zus had hij nauwelijks nog contact. Hij bouwde hier een bestaan op, voelde zich ook Nederlander, hij had alleen nagelaten zich tot Nederlander te laten naturaliseren.’

Toen hij toch een verzoek indiende, was het te laat. Het Nederlandse paspoort was nog niet geregeld toen Duitsland Nederland binnenviel. Een paar jaar daarvoor, in 1938, had Nazi-Duitsland met ‘de Anschluss’ Oostenrijk geannexeerd. Geertjes Oostenrijkse vader werd toen automatisch Duitser en zijn vrouw en kinderen ook.

Deserteur

‘Mijn drie jaar oudere zus moest eigenlijk naar de Duitsche Volksschool’, zegt Geertje. ‘Maar daar kwamen we onderuit, omdat een bevriende arts een verklaring schreef dat zij te zwak waren om zover te lopen.’ Ook haar vader wist er lange tijd met kunstgrepen aan te ontkomen dat hij in het Duitse leger moest. Maar in 1942 moest hij toch in dienst, wel op een rustige plek, op het kantoor van een ziekenhuis in Stettin, dat nu in Polen ligt. ‘We zagen hem maar heel zelden, als hij even overkwam. En dan deden we alsof alles normaal was, mijn ouders spraken nooit over hoe het echt zat, dat mijn vader in het Duitse leger zat.’

Maar toen besloot haar vader in 1944 te deserteren. Hij schreef zelf een verklaring dat hij ziek was en vertrok naar Leeuwarden. Bij een kennis trok hij andere kleren aan en hij dook onder. Na de oorlog vertelde hij er weinig over, dus wat er door hem heen ging, weet niemand meer. Maar Piet vermoedt dat de timing van de vlucht alles te maken had met D-day, de landing van de geallieerde troepen in Normandië. ‘Hij moet gevoeld hebben dat het einde van de oorlog in zicht kwam. De kans op succes was groter, en hij wilde natuurlijk niet in dat Duitse uniform gezien worden als de oorlog over was.’

Bedreigingen

Haar vaders besluit zette ook Geertjes leven op zijn kop. De Duitsers maakten ook aan het eind van de oorlog nog fanatiek jacht op deserteurs, en het lag voor de hand dat ze het eerst zouden aankloppen bij zijn familie.

‘We moesten halsoverkop weg. Eerst naar Oudega, zo’n 20 kilometer van Leeuwarden, bij goede, hartelijke kennissen. Maar sommige dorpsbewoners zaten daar niet op ons te wachten. ‘We steken het huis in de brand als die Duitse vrouwen blijven’, werd er gezegd. Door die bedreiging moesten we wel wat anders zoeken.’ Vijf maanden doken ze toen onder in Rauwerd (Raerd).

Geertje (staand) met haar zusje op het eerste onderduikadres, in Oudega. Foto: Eva Faché. 

‘Daarna kwamen we in Giekerk terecht bij bovenste beste mensen. Echt zo’n klein keuterboertje, mijn zus en ik sliepen in de bedstee. Heel lieve mensen. Niet alleen voor Nederlandse onderduikers zoals wij. Ze gaven ook uitgehongerde Duitse soldaten te eten als die aanklopten. Ik hoor de boerin nog zeggen, in het Fries: ‘Dy jonges kinne der ek neat oan dwaan, se moatte ek ite.’

Geertje, haar zus en moeder kregen in die tijd een valse identiteit. Ze waren zogenaamd evacués uit het gebombardeerde Arnhem. Het persoonsbewijs waarop ze Gerda de Vries heet, heeft ze al die tijd bewaard. ‘Ik sprak Fries, dat kon natuurlijk niet als je uit Arnhem kwam. Er werd ingestampt dat we De Vries heetten, maar een keer versprak mijn zus zich. Ik weet nog dat ik in paniek naar mijn moeder ben gerend.’

Het persoonsbewijs waarop Geertje Paul Gerda de Vries heet. Foto: Eva Faché. 

In Franeker had Piet in de winter gezelschap gekregen van Lenie, een meisje uit Hilversum. Zij en haar twee zussen waren door haar vader, een tandarts, ondergebracht in Friesland waar het veiliger was en waar meer eten was dan in het Westen. Ondertussen rukten de geallieerden op in Noord-Nederland. En in het voorjaar drong ook in Friesland het geroezemoes door dat de bevrijding aanstaande was.

Lenie en Piet in Franeker. Foto: Eva Faché. 

‘Aan feesten of zo heb ik geen herinnering’, zegt Piet. ‘Maar wel aan een laatste wanhoopsdaad van de Duitsers.’ Om het oprukken van de Canadezen nog wat te vertragen, besloten ze de toegangsbrug tot Franeker op te blazen. De bevolking werd vooraf gewaarschuwd. ‘Wij woonden redelijk dichtbij, in de gang stonden we allemaal te wachten op de knal. Maar Lenie en ik slopen op een gegeven moment naar het raam. We zaten daar op onze knietjes. Tot de knal kwam en de grote ruit voor onze neus in scherven viel. Gelukkig viel alles op straat, maar mijn ouders kregen bijna een hartverzakking.’

Canadezen in huis

Dezelfde dag – op 15 april - marcheerden de Canadezen Franeker binnen via een noodbrug. Piet weet ook daar helemaal niks meer van. Kort daarvoor was Leeuwarden en omgeving bevrijd. Geertje herinnert zich nog wel iets, maar het beeld wordt ‘halverwege zwart’. Ze weet nog wel dat iedereen opgewonden was en dat er vanuit Giekerk groepen mensen naar de grote weg naar Leeuwarden liepen. Haar zus liep daarbij, dacht ze, en zij rende er op haar klompen achteraan. ‘Maar daarna herinner ik me helemaal niks meer. Ik weet pas weer dat ik de volgende dag wakker werd.’

Dan hoort ze ook wat er is gebeurd, dat ze is aangereden door een Canadese jeep en naar het ziekenhuis in Leeuwarden is gebracht. Haar moeder schrijft later in memoires dat ze ook snel op de fiets naar Leeuwarden ging, maar dat Geertje er niet meer was toen ze daar aankwam. Die was na behandeling weer door de Canadezen teruggebracht naar Giekerk, waar ze een dag later eindelijk haar vader weer zag. Aan de botsing hield ze alleen een hersenschudding en een flink litteken over. ‘De Canadezen lieten nog chocola en zeep achter, daar heb ik nog wel herinneringen aan’, lacht Geertje. ‘En dat litteken zit er nog steeds, het is wel 8 of 9 centimeter lang.’

In hun huis in Amsterdam staat ook nog steeds een Canadees klaptafeltje. Piets familie kreeg het van de soldaten die na de bevrijding in Franeker waren ingekwartierd en geregeld kwamen buurten. ‘We kregen ook nog een schroevendraaier en een puntenslijper’, zegt Piet. ‘Het ging allemaal stiekem, want eigenlijk mochten ze geen contact hebben met de lokale bevolking en hun spullen moesten ze vernietigen voordat ze weer teruggingen.’

Piet met het Canadese klaptafeltje. Foto: Eva Faché.

Gedenkboek

Na 1945 werd er weinig meer over de oorlog gesproken. Piet en Geertje vertrokken uit Friesland om te studeren, waren daarna druk met kinderen en carrière. Maar na zijn pensioen dook Piet in zijn verleden en nu stuurt hij geregeld verhalen rond aan zijn familie. In oude dozen vond hij ook de foto’s van Cecil en Alec, de Canadese soldaten, terug.

‘In 2010 dacht ik: het is nu of nooit. Ik plaatste een oproep in een Canadees veteranenblad. Cecil was overleden, Alec leefde nog. Hij was 94, maar nog helder. Hij vertelde allemaal details die ik me niet herinnerde. Mijn vader deed soms klusjes in de suikerfabriek waar de Canadezen ingekwartierd waren, zei hij, en dan gingen ze vaak schaken. O wacht eens even, ik snap nu opeens waarom ze dat deden. Ze konden elkaar natuurlijk nauwelijks verstaan, dan is het leuk om een spelletje te spelen.’

Via Alecs zoon kreeg Piet een kopie van het gedenkboek dat hij had gekregen bij het afscheid in september 1945, toen de Canadezen vertrokken. ‘We know now that might is no longer above right’, schreef Piets oudere zus, die toen net de middelbare school had afgemaakt. ‘Right has gained the victory, thank God, and thank you and all comrades of you, which have liberated us from the devil’s power from Germany. Alec, we thank you very, very much for all you have given to us, your friendship, your fine things you always brought, your interesting stories, your humour, we thank you for all. We wish you and your Jeane good luck and everything good.’

Een paar weken nadat Piet contact had gelegd, overleed Alec op 94-jarige leeftijd. Maar Piet en Geertje konden nog net op tijd de vraag stellen waar ze al decennia nieuwsgierig naar waren. Of ze misschien wisten dat er een meisje was aangereden door een Canadese jeep, niet ver van Leeuwarden? Piet: ‘Hij antwoordde dat ze dat allemaal wisten. En dat sommige soldaten ook naar haar toe wilden, maar dat dat niet mocht. Ik kon hem toen vertellen dat ik al 47 jaar met dat meisje getrouwd was.’

Het Canadese klaptafeltje. Foto: Eva Faché. 

Deel dit verhaal