Eindhoven

De worsteling met de oorlog van de Schotse soldaat Jack

Tonny en Theo Buiting. Foto: Rebecca Fertinel

Wat een oorlog met je kan doen, zag Tonny Buiting toen ze de Schotse militair Jack leerde kennen. Hij was een van de bevrijders van Eindhoven en worstelde met wat we nu een posttraumatische stressstoornis zouden noemen.  

Deel dit verhaal

Na de bevrijding van Eindhoven op 18 september was een Britse sergeant bij de familie Buiting gelegerd. In de buurt sliepen meer militairen, onder wie Jack. Met haar jongere broer Theo denkt Tonny Buiting (destijds 13) terug aan de Schot, die gepijnigd werd door de gruwelen van de oorlog en daar zijn eigen medicijn voor had.

Tonny Smulders-Buiting (87): ‘Het opvallendste aan Jacks bezoekjes was dat hij steeds naar buiten ging. Dan zei hij dat ging kijken of ‘zijn kameraad’ er al was, die zou hem komen ophalen. Steeds als hij weer naar binnen kwam, werden zijn gebaren uitbundiger, verwarder en deden ze vaker bommen, geschiet en parachutisten na. Die ‘kameraad’ buiten, bleek een fles whisky in onze heg.

Vrijbuiter

‘Jack kwam altijd onaangekondigd, elke paar weken, als hij terug was van het front. Ik zie de Schotse soldaat nog voor me: groot, uitbundig, niet bijzonder knap maar wel leuk. Hij leek me een uitgaanstype – een vrijbuiter. Jack sprak geen Nederlands, wij geen Engels, dus we deden het met gebaren en geluiden.

‘Mijn broer en ik komen uit een arbeidersgezin. Theo is na de oorlog geboren, ik was 13 toen Eindhoven werd bevrijd en kan me de oorlogstijd nog herinneren. We woonden aan de rand van de stad, gelukkig een stuk van de bombardementen op het centrum. Op school oefenden we vaak wat te doen bij een bombardement. ’s Nachts, als ik opnieuw de vliegtuigen en het geschiet hoorde, was ik soms zo bang dat ik moeilijk in slaap kon komen.

Ziek van de whisky

‘Na de bevrijding van 18 september verdween die angst. Om de hoek werden Engelse soldaten gelegerd in een schoolgebouw. Ik herinner me de gezelligheid. Bij ons thuis sliep een rustige Engelse sergeant. Twee andere soldaten kwamen vaak kaarten – mijn ouders waren begin dertig en vonden het wel speciaal. Eén keer dronken ze samen met twee vrienden en de sergeant de whisky op die hij om de maand als rantsoen kreeg. Ze hadden nog nooit whisky gedronken en werden teut en ziek, de dag erna.

De twee 'kaarters'. Beeld: Theo Buiting

‘Je had ook het geflirt tussen de soldaten en Nederlandse meisjes. ‘Do you have a sister?’, vroegen ze als ik bij het schoolgebouw speelde. Zo kwam Jack voor het eerst bij ons. Mijn tante en een vriendin kwamen langs om te buurten en ze hadden Jack en een andere soldaat bij zich. Twee weken later stond hij ineens in zijn eentje voor onze deur. Blijkbaar vond hij het gezellig hier.

‘Jack had meer meegemaakt en gezien dan de rest, en sliep ook niet in dat schoolgebouw. Het gekke is: niemand wist waar hij wel sliep en hoe hij ons huis na die eerste avond had teruggevonden. We leerden snel dat hij van een borrel hield. Ik moest dan naar het café om bier te halen, dat vond hij maar slap spul. Dus nam hij altijd een fles whisky mee, die hij in onze heg verstopte.

Beter bier

‘Delighted to know that the beer is better nowadays’, schreef Jack in 1959 aan Theo Buiting (nu 73), Tonny’s broer. Na de oorlog bleef de Schot kerstkaarten sturen aan de familie waarmee hij in de oorlog een speciale band had opgebouwd. Theo, de eerste van het gezin die Engels leerde, stuurde hem in 1959 een brief terug. ‘Ik vroeg hoe het met hem ging en schreef dat Tonny getrouwd was. Van mijn vader moest ik zeggen dat het bier niet meer zo schraal was als tijdens de oorlog. Hij schreef terug dat het goed met hem ging.’

Kerstkaart van Jack uit 1957. Beeld: Theo Buiting

Tragisch lot

Theo: ‘Ik ken Jack alleen van de verhalen. Mijn ouders hadden het thuis vaak over de Schot en zijn fles whisky, die een paar maanden lang onregelmatig langskwam. Ze dachten dat hij verschrikkelijke dingen had meegemaakt en zich om de een of andere reden bij ons thuis had gevoeld. Hij had duidelijk een indruk achtergelaten.

‘Ik heb Jack daarna nooit teruggeschreven. Op die leeftijd kreeg ik andere dingen aan mijn hoofd. Pas na een kleine vijftig jaar ging ik uitzoeken hoe het hem vergaan was – dat was via internet ineens mogelijk. Ik vond een neef van Jack in Sydney, die ons zijn tragische lot vertelde.

‘Na de dood van zijn ouders verloor Jack zijn baan bij de spoorwegen. Hij huurde een kamertje in Edinburgh en bracht zijn laatste dagen op straat door. In 1985 stierf hij, we weten niet hoe. Volgens zijn familie was hij aan het eind ‘lonely and very sad’.

Tonny: ‘Ze hebben het niet direct gezegd, maar wij denken dat het misschien slecht is afgelopen met die whisky. Nu zouden we waarschijnlijk zeggen dat Jack een posttraumatische stressstoornis had, kijkend naar zijn driftige gebaren over bommen en geschiet. Ik vind het sneu hoe het met hem is afgelopen. Zijn uitbundige bezoekjes aan ons zijn mijn goede herinneringen aan de oorlogstijd.’

De brief van Jack. Beeld: Theo Buiting

Deel dit verhaal