Enkhuizen

Enkhuizers redden het leven van Dolly, maar na de oorlog hoefden haar ouders haar niet meer terug

Dolly bij de haven waar ze 75 jaar geleden aankwam. Foto: Eva Faché.

De bevrijding van Enkhuizen markeerde voor Dolly Over de Linden-Loots een belangrijk moment in haar hele jonge leven: haar biologische ouders uit Amsterdam hoefden Dolly niet terug, nadat de Enkhuizer familie Loots zich een paar maanden eerder over haar had ontfermd.

Deel dit verhaal

Het meest opmerkelijke is wel dat Dolly Over de Linden-Loots het allemaal zo rustig zit te vertellen. Bij haar levensverhaal verwacht je woede, verdriet, verwardheid op zijn minst. Maar de Enkhuizense straalt een en al nuchterheid uit. En dankbaarheid. Voor haar familie. En haar kinderen. ‘Die hou ik wél dicht bij me, heel erg.’

Pas als ze dat zegt, krijgt ze tranen in haar ogen. Die ze meteen weer uit wil wissen. ‘Sorry, sorry’, zegt ze. Alsof ze ook maar iets heeft om zich voor te generen. Lang deed het haar eigenlijk helemaal niks, zegt ze in haar huisje onderaan een dijk in Enkhuizen. Dat haar biologische ouders uit Amsterdam haar ‘niet meer hoefden’ raakte haar niet. Dat ze haar na de bevrijding achterlieten in Enkhuizen, dat wist ze, maar ze hoefde er verder niks mee.

‘Ik heb het altijd zo ver mogelijk weggeduwd’, zegt ze met een Westfriese tongval. ‘En dat lukte want ik ben hier in zo’n warm nest opgegroeid. Ik heb het zó goed gehad. Het grote besef kwam pas toen ik zelf kinderen kreeg. Dan denk je: hoe kunnen ouders dat doen? Ik zou me doodvechten voor ze.’

Ruim acht maanden was ze toen ze aankwam in Enkhuizen, op 16 maart 1945. ‘De dag van mijn wedergeboorte’, lacht ze. Een dag eerder was ze in Amsterdam op een boot met de naam Anjo gezet, samen met nog 97 ondervoede baby’s. Het is een van de vele hongertransporten die in deze winter georganiseerd worden, door onder meer het Rode Kruis en kerken. Het schip zou naar het Friese Lemmer gaan, waarna de kinderen in het Noorden opgevangen zouden worden. Maar door de dichte mist besloot de schipper Enkhuizen binnen te varen. Eén kind was toen al overleden.

De haven van Enkhuizen waar Dolly aankwam op 16 maart 1945. Foto: Eva Faché. 

Een huisarts schakelde snel de stadsomroeper in, die ruim drie uur met een bel door de straten van Enkhuizen riep om bewoners aan te sporen de kinderen op te vangen. Het IJsselmeerstadje was een dag daarvoor nog getroffen door een geallieerd bombardement op Duitse boten, waarbij ook 23 Enkhuizers omkwamen. Toch werden alle kinderen liefdevol opgevangen.

‘Ga er eentje halen, want wij hebben nog genoeg’, zei Jan Loots volgens Dolly tegen zijn vrouw. Zo trok Marijtje Loots naar de haven, het gezin had zelf al drie zoons en een dochter. Onderweg zeiden andere Enthuizers dat het geen zin had, dat ze geen baby’s meer meegaven omdat de administratie te lang duurde. ‘Maar de huisarts liet mij halen. ‘Neem maar mee’, zei hij. ‘Anders haalt het de avond niet.’’

Het zwaar ondervoede baby’tje was gewikkeld in een dekentje en had alleen roze sokjes aan, met daaraan een naamkaartje. Het staat ingelijst in een vitrine in Dolly’s woonkamer en mag ook op de foto. Onder één voorwaarde: haar oude naam mag niet zichtbaar zijn, want ze wil niet dat die bekend wordt. Pas sinds een paar jaar heet ze ook officieel Dolly Loots, de naam die ze al haar hele leven gebruikt. De naamsverandering werd mede mogelijk gemaakt door een inzamelingsactie onder Enkhuizers.

‘Ik heb me altijd zo gevoeld. Mijn ouders konden me niet adopteren, omdat mijn vader in 1945 al 51 was, een jaar te oud. Daarom hield ik de naam die op het kaartje staat, maar ik wilde er niets mee te maken hebben. Op mijn bankpasje stond die naam wel, daarom gebruikte ik altijd dat van mijn man.’

De roze sokjes met het naamkaartje die Dolly aan had toen ze aankwam in Enkhuizen. Foto: Eva Faché. 

Het was dan ook de familie Loots die haar leven redde. De eerste dagen hield ze nauwelijks wat binnen. ‘Ik woog nog maar vier pond’, vertelt ze. ‘Alles spuugde ik uit. Ze gaven me dagenlang iedere tien minuten een theelepeltje water met een druppeltje melk. Daarom heb ik het overleefd.’

Als een paar maanden later de oorlog voorbij is, worden de ‘thuishaaldertjes’ – Westfries voor pleegkinderen – een voor een opgehaald. Sommigen blijven nog wel maanden, een enkeling zelfs jaren, maar uiteindelijk keren ze bijna allemaal terug. Ook Dolly’s biologische vader brengt een bezoek aan Enkhuizen, maar hij laat een briefje achter. Het is kwijtgeraakt, maar volgens Dolly was de boodschap erop duidelijk: ‘Wij hoeven haar niet meer.’

Maar de Lootsen hoefden haar wel en zo groeide ze op in Enkhuizen als Dolly, zoals Amerikaanse soldaten ook wel genoemd werden. Op haar dertiende of veertiende vertelden Jan en Marijtje dat ze niet haar biologische ouders waren. ‘Dat moment was wel heftig natuurlijk’, zegt ze. ‘Je kon het niet begrijpen, want het voelde niet zo. Het kon niet zo zijn.’

Veel woorden zijn er daarna niet meer over gesproken. Haar biologische ouders zochten haar niet op, Dolly zocht hen niet op. Nooit heeft ze de behoefte gehad. Ze weet nog wel van die ene keer dat ze met haar moeder naar Amsterdam ging, op bezoek bij twee oude mensen. De man had een groot mes in zijn hand om brood mee te smeren. Daarmee gaf hij Dolly steeds een tikje, liefdevol bedoeld. ‘Maar ik was me toch bang’, zegt ze lachend. ‘Later begreep ik dat we bij een opa en oma op bezoek waren geweest.’

Als het aan haar had gelegen, had ze haar biologische ouders nooit ontmoet. Maar één keer kwam ze er niet onderuit: toen ze wilde trouwen. Ze was nog minderjarig, en niet officieel geadopteerd door de familie Loots, daarom had ze hun toestemming nodig. Ze stuurde een brief naar Amsterdam, maar kreeg geen brief terug.

‘Op een zondag zei mijn moeder: Dat is Chrissie’, vertelt Dolly. ‘Er kwam een man het erf van de boerderij op lopen. Ze herkende mijn biologische vader. Dat was de eerste keer dat ik hem zag. Of me dat iets deed? Nee, echt helemaal niks. Ik heb ook niet aan hem gevraagd waarom ze me hadden achtergelaten. Ik denk niet dat ik iets gezegd heb. Hij ook niet. O wacht, jawel. ‘Dag juffrouw', dat is het enige dat hij zei.’

De pleegfamilie van Dolly. Foto: Eva Faché. 

Dwarsigheid

Haar biologische vader gaf bij dat bezoek wel toestemming, maar vertelde ook dat hij inmiddels gescheiden was. Met haar verloofde trok Dolly daarom naar Amsterdam, waar ze haar biologische moeder voor het eerst in haar leven zou ontmoeten. De deur werd geopend door haar nieuwe man - ‘een type havenarbeider’ - en volgens Dolly zag haar moeder er onverzorgd uit, maar daar was ze op voorbereid. Het meest aangedaan was ze door wat haar moeder zei. Nadat ze nooit meer iets had laten horen, wilde ze nu naar de bruiloft komen. Alleen dan zou ze toestemming geven.

‘Dat was gewoon dwarsigheid’, zegt Dolly. ‘Anders kan ik het niet verklaren.’ Verbouwereerd stemde ze in, maar op de trouwdag bleek haar moeder ziek. ‘Dat zei ze tenminste. Met een ijlbode moesten we toen de toestemming ophalen in Amsterdam. Het was tot het laatst spannend of het wel zou lukken. Mijn broers waren des duivels, maar uiteindelijk ben ik wel getrouwd.’ Op de plechtigheid hield verzetsheldin Truus Wijsmuller-Meijer een toespraak, de vrouw die het Anjo-transport namens de kerken had georganiseerd.

Daarna heeft ze nooit meer contact gehad met haar biologische ouders. ‘Zij voelden niet dat ik hun kind was’, denkt ze. Ook opa’s en oma’s zocht ze nooit op. Ooit hoorde ze dat er ook een zus op de Anjo zat, maar zeker weten doet ze het niet. Dolly heeft het nooit uit willen zoeken. Ze had genoeg aan haar ‘echte’ ouders, broers en zussen. ‘Waar ik terecht ben gekomen, dat is toch geweldig? Ik ben gewoon een van hen, ze stonden altijd klaar. Het gevoel hoeft niet aangeboren te zijn, het kan er ook in komen..’

Dolly in haar woning in Enkhuizen. Foto: Eva Faché. 

Jarenlang praatte ze er eigenlijk ook nooit over. Zelfs niet met haar man. Er was ook niet veel belangstelling voor wat er in en na de oorlog was gebeurd. Maar de laatste jaren neemt die weer toe. Dolly vertelde haar verhaal aan de makers van de theatervoorstelling De Thuishaaldertjes, die in 2017 volle zalen trok in Enkhuizen en Hoorn. In dat jaar mocht ze ook een krans leggen bij de dodenherdenking op De Dam in haar geboorteplaats.

‘Op een gegeven moment denk je: het moet doorgegeven worden’, zegt ze. ‘Ik heb een mooi leven gehad. En nog steeds. Al mijn kinderen wonen om me heen, dat is heerlijk. Maar dat er heel veel dingen mis kunnen gaan, dat mogen de mensen wel weten. En dat je aan een ander moet denken, dat vind ik belangrijk om mee te geven.’

Het bombardement

De Anjo kwam op 16 maart in een flink verwoeste haven aan. Een dag eerder hadden rond half vier in de middag vier Spitfires van de Royal Air Force twaalf bommen op Enkhuizen gegooid. Volgens Britse rapporten waren die bedoeld voor boten van de Duitse Wasserschutzpolizei, maar die werden juist niet geraakt.

‘Wij zaten op school vlak bij de haven en zagen de bommen uit de lucht vallen’, herinnert Ali Keesman (87) zich. ‘De meester zei dat we snel onder de banken moesten gaan zitten. Even later hoorden we het gehuil en gekrijs. Dat geluid vergeet ik nooit meer.’

Bij het bombardement, dat werd uitgevoerd door Poolse piloten, kwamen 23 Enkhuizers om. Het gebied rondom de haven werd zwaar getroffen. Veel mensen moesten hun huizen verlaten, omdat die te veel beschadigd waren.

‘Mijn oom en tante en hun kinderen trokken daarom bij ons in’, weet Keesman nog. En dat had gevolgen voor een van de Anjo-kinderen. ‘Mijn moeder had ook een baby gehaald, maar die moesten we weer terugbrengen, omdat we er ineens vier kinderen bij kregen. Maar gelukkig heeft dat kindje een ander pleeghuis gevonden.’

Dolly in de haven waar ze 75 jaar geleden aankwam. Foto: Eva Faché. 

Deel dit verhaal