Driewegen

Toen de stofwolk weg was, bewoog de zus van Kees (86) niet meer

Kees Platschorre. Foto: Katja Poelwijk

Driewegen was bevrijd, maar Kees Platschorre (86) moest tegelijkertijd de dood van van zijn moeder en twee zussen verwerken. Nog altijd worstelt hij daarmee. ‘Het trauma is weg. Maar zij zijn er nog.’

Deel dit verhaal

‘Een grote stofwolk, lichtvlammen, herrie.’ Kees Platschorre (86) zegt dat je erbij moet zijn geweest om het je te kunnen voorstellen. Anders zul je nooit weten hoe het voelt als je met twaalf man in een kleine achterkamer zit terwijl het hele huis instort. In de nacht waarop het Zeeuwse dorp Driewegen bevrijd werd, raakte een Duitse granaat het dak van het huis waar ze schuilden. Hij voelde de klap, zag de vlammen, maar de twaalfjarige Kees had op dat moment nog geen idee hoe heftig de gevolgen zouden zijn.

‘Door het stof zag ik mijn moeder tegenover me zitten, met een granaatscherf in haar nek. Ze bloedde geweldig, had rode vlekken in haar kleren. Ik rende naar het raam om te ontsnappen, maar mijn zus bleef bewegingloos zitten, op de plek naast me op de bank.’

‘Ik wist nog niet dat ze dood was’, zegt Kees nu, aan tafel in zijn huis op zo’n drie kilometer van het verwoeste huis. ‘Van mijn moeder ook niet. Ik zag dat ze gewond was, maar dood? Hoe het precies ging nadat ik door een raam naar buiten gekropen ben, weet ik niet meer. Een andere zus zat vast onder het puin, mijn broer was kwijt. Mijn vader moest redden wat hij redden kon. Ik was veilig, maar daarna kreeg ik niet veel meer mee.’

Kees Platschorre. Foto: Katja Poelwijk

Schotse militaire stoet

‘Het volgende dat ik me herinner, is dat ik op een bankje zit, voor het verwoeste huis. De zon was opgekomen, een oude vrouw uit het dorp kwam naast me zitten. Zij vertelde me wat er gebeurd was. Dat mijn moeder en zus dood waren. Dat mijn andere zus uit het puin was gered, zwaargewond. Dat ze haar met een taxi naar het ziekenhuis wilden brengen, maar dat ze niet ver genoeg kwamen door granaatgaten in de weg. Dat zij ook gestorven was.’

‘Ik zie het pijpenkoor nog voorbijlopen, kort daarna. Driewegen was bevrijd. Ze voerden met hun doedelzakken de kleine Schotse militaire stoet aan, in korte rokjes, met pluimen op hun pet. Ik keek voor me uit, hoorde voor het eerst in mijn leven deze mooie muziek, en wist dat het thuis nooit meer hetzelfde zou zijn.’

De ouders van Kees Platschorre, bij hem thuis aan de muur. Foto: Katja Poelwijk

Herinneringen aan zijn moeder

Nu stapt Kees voorzichtig de auto in. Hij oogt klein maar niet broos, met een jongensachtig grijze kuif, en vertelt levendig in zijn Zeeuwse tongval. Op de bijrijdersstoel wijst hij de weg van zijn huis in Ellewoutsdijk naar het ‘kaaike’ aan de rand van het dorp, aan het water, waar hij als jongste kind opgroeide met zijn ouders en negen zussen en broers. We rijden terug naar de herinneringen aan zijn moeder.

Kort na het vertrek wijst Kees vanuit de langzaam rijdende auto naar een stoepje. ‘Toen de eerste Duitse motoren ons dorp binnenreden’, zegt hij, ‘zat ik daar onkruid tussen de stenen te peuteren. Mijn moeder riep me binnen, die middag in 1940. Ze was altijd bezorgd om mij.’

Door het raam kijkt hij naar de plekken waar voor de gewelddadige bevrijding van het dorp nog oude huizen stonden. ‘Onze kerktoren werd door Duitsers als uitkijktoren gebruikt. Ons dorp ligt aan de Schelde, aan de overkant zie je Terneuzen. Toen Zeeuws-Vlaanderen bevrijd was maar Zuid-Beverland nog niet, vormde het water de frontlinie. De geallieerden probeerde onze kerktoren vanaf Terneuzen met granaten kapot te schieten. Dat mislukte, dus wilden ze gaan bombarderen. Daarom moesten wij naar Driewegen, naar dat fatale huis toe.’

De kapotgeschoten kerktoren van Ellewoutsdijk. Beeld: Bevrijdingsmuseum Zeeland

Door en door goed

Bovenaan de dijk, bij wat nu een jachthaven is, wijst Kees de plek aan waar vroeger zijn ouderlijk huis lag, aan het water. Opgewonden: ‘Toen ik ouder was, sprong ik zo uit mijn slaapkamerraam de zeewering in. Het was een hele sprong, maar ik durfde het.’

Hier, aan dit kleine kaaitje, bracht hij de vroege oorlogsjaren door. ‘Van de Duitsers hadden we nog weinig last. Landbouwschepen kwamen in en uit gevaren. Met vriendjes zat ik lekker op de dijk, we kletsten met schippers, zwommen. Mijn moeder kwam altijd buiten kijken als er een vreemd kindje bij was, van wie ze niet wist of hij of zij kon zwemmen. Uit bezorgdheid.’

‘Mijn moeder was door en door goed. Ondanks het grote gezin zaten bij ons in de hoek altijd mensen koffie te drinken. Een schafthok was er niet, dus de laders en lossers van het kaaitje mochten van haar bij ons binnen komen.’

De familie Platschorre, Kees staat tussen zijn ouders. Beeld: Kees Platschorre

Kees herinnert zich ook de huilende Oostenrijkse soldaat, later in de oorlog. ‘Mijn ouders waren anti-Duits – ik mocht geen snoep aannemen van Duitsers en mijn Duitse huiswerk niet maken. Maar hij was anders. Als twintiger moest hij gedwongen in dienst, vertelde hij, anders zouden ze zijn familieleden wat aandoen. Vanaf de bunker aan het water kwam hij vaak bij ons langs. In zijn vrije tijd maakte hij zelfs een kerstboom voor ons.’

‘Op een avond stond hij hier huilend voor de deur: hij moest naar het Oostfront in Rusland en wist dat hij zijn ouders nooit meer zou zien. Mijn moeder probeerde hem te troosten, maar was zelf ook verscheurd door het feit dat hij de dood werd ingejaagd.’

Stiller dan voor de oorlog

‘Na de oorlog werd bij ons thuis weinig meer over mijn moeder gepraat. Je kon niet stilstaan, je moest door. Ik speelde tussen de bomgaten. Bij de begrafenis van mijn moeder en zusjes was ik niet. Nu nemen mensen hun kinderwagen mee, toen werd je uit bescherming weggehouden.’

‘Ik werd ouder, 12, 13, 14, 15. Mijn vader was stiller dan voor de oorlog, zeker toen mijn oudere broer naar Nederlands-Indië moest. Hij trok zich terug, zat vaak met een boek in de stoel. Of hij luisterde op de radio naar militaire berichten uit Indonesië. Later hoorde ik dat een buurman tegen mijn vader gezegd zou hebben dat hij nog acht kinderen over had. Waarop hij geantwoord zou hebben: ‘Nee, ik mis er twee.’’

‘Soms botsten we, toen ik 16, 17, 18 werd. Woordenwisselingen als ik pas ’s avonds laat of ’s morgens vroeg thuiskwam. Hij had het gevoel dat ik als jongste altijd bij hem zou blijven, mijn broers en zussen waren allemaal al getrouwd. Maar dat kon ik niet doen.’

Kees Platschorre. Foto: Katja Poelwijk

Verwerking van de dood

Kees trapt de struikjes rondom de tien graven op de kleine begraafplaats van Ellewoutsdijk plat. Hij kan soms zo boos worden, vertelt hij, dat de gemeente de graven van zijn moeder, zijn zusjes, zijn nichtje en de andere burgerslachtoffers niet goed onderhoudt. ‘Ooit stonden hier roosjes, maar die zijn door de onkruidverdelger doodgegaan.’ Vorig jaar in mei, in de ochtend voor de herdenkingsceremonie, ging hij als 85-jarige zelf met een hark naar de begraafplaats. ‘Iemand moest de boel hier netjes maken.’

Thuis moppert hij in het Zeeuws tegen zijn vrouw. ‘Platgetrapt’ is het enige voor de verslaggever verstaanbare woord. Als kinderen tegenwoordig doormaken wat Kees op zijn 12e overkwam, zouden ze therapie krijgen om hun trauma te verwerken. ‘Als er nu een schietpartij is op een school, moet iedereen met elkaar praten. Leerlingen, ouders, leraren. Ik vind dat soms verschrikkelijk. Je moet het zelf verwerken. Je kan dat alleen maar in je eentje doen.’

Is dat gelukt? Om de dood van zijn moeder en zussen te verwerken? ‘Het trauma is weg. Maar zij zijn er nog. Deze tijd van het jaar word ik altijd prikkelbaar. Ik word somber, slaap slecht, heb stemmingswisselingen. Vraag het aan mijn vrouw: zij merkt het beter dan ikzelf.’

‘Toen ik jong was, leefde ik voort. Toen was ik van: leve de vrijheid, het is gebeurd, over en uit. Het gevoel van: we gaan door. Die somberheid kwam pas toen ik ouder werd. Elk jaar wordt het erger. Vooral dit jaar, met alle aandacht rondom 75 jaar bevrijding.’ Na een korte stilte, zegt hij zacht en in Zeeuws dialect: ‘Als kind wist ik het, nu voel ik het.’

De Volkskrant zoekt nog steeds bijzondere bevrijdingsverhalen, met name van boven de rivieren. Mailen kan naar bevrijding@volkskrant.nl.

Kees Platschorre. Foto: Katja Poelwijk

Deel dit verhaal