Dinteloord

Bij elke bom die op Dinteloord viel, vroeg Joop (89) zich af wanneer hij aan de beurt was

Joop Balink (derde van links) en zijn familie (1938). Beeld: Joop Balink

Als de bommen op Dinteloord vallen, is Joop Balink doodsbang. Telkens vraagt hij zich af wanneer zijn familie aan de beurt is. En toch voelt hij na de bevrijding van zijn dorp uiteindelijk geen blijdschap. 

Deel dit verhaal

Op papier is Dinteloord op 5 november bevrijd, maar zo voelde dat voor Joop Balink (dan 14) niet. ‘Vrolijke mensen op straat? Niet in mijn herinnering, na alle bombardementen. In die laatste dagen was Dinteloord verwoest. Eerst door geallieerden, daarna door vluchtende Duitsers. Ik dacht niet aan vrolijke dingen, maar aan mijn dode vriend en alles wat ik gezien had.

‘Mijn vader was in 1937 gestorven. Onze kledingwinkel was verkocht en we moesten kleiner gaan wonen. Er was geen geld, mijn moeder moest continu werken. Met mijn vier broers had ik geen sterke band. Ik was de jongste en scheelde vier jaar met de volgende – zij hadden geen zin om steeds met de ukkepuk te spelen. Op school kon ik slecht lezen, waardoor ik achterliep. Ik voelde me dom.

Joop Balink. Foto: Katja Poelwijk.

‘Aan het eind van de oorlog waren drie van mijn broers weg. Degene met wie ik de beste klikte had, zat in Gelderland om missionaris te worden. De andere twee zaten ondergedoken, zodat ze niet voor de Duitsers hoefden te werken. Alleen mijn oudste broer was thuis, waarschijnlijk omdat hij kostwinnaar was. Na schooltijd moest ik mijn moeder helpen met het verstellen van kleren of werd ik op pad gestuurd om eten te halen. Gelukkig waren er ook lichtpuntjes: kwajongensstreken uithalen met mijn vrienden.

Ieder voor zich

‘De dag voor de bombardementen had mijn broer mijn laatste konijn geslacht. Aan de muur van de woonkamer hing de kaart van Nederland, waarop met prikkers te zien was dat de geallieerden dichtbij waren. ’s Ochtends trok ik een stuk vlees van het konijn. Mijn moeder wilde zeggen dat het niet gaar was, maar kon haar zin niet afmaken door een enorme knal. Je voelde de schok en onze ramen vlogen naar binnen.

‘Mijn moeder probeerde onder de tafel te kruipen. Ik vluchtte naar buiten, naar de kelder van de buren. Ieder voor zich, zo voelde het voor mij. Buiten zag ik een Duitser van een dak in het water springen. Een paar tellen later explodeerde dat hele gebouw. Dertien doden, bleek later. Ik rende naar de tuin van de buren, en zag een Duitse jongen vanuit de poepdoos met zijn mitrailleur op geallieerde vliegtuigen knallen. Twee Duitsers schreeuwden dat hij moest stoppen – anders werden zij ook met de grond gelijk gemaakt.

‘Ik was bang. Doods- en doodsbang. Ik deed het bijna in mijn broek toen ik in die kelder zat. Bij elke bom vroeg ik me af wanneer wij aan de beurt waren.

De verwoeste kerk van Dinteloord. Beeld: Robert Catsburg

Midden in de frontlinie

‘In de vierentwintig uur die volgden vluchtte ik met mijn moeder en broer naar een stal en boerderij aan de rand van het dorp. Soms hoorden we bommen vallen, of geschiet. Sociale regels golden niet meer. Duitsers lagen met Nederlandse meisjes te vozen – alsof ze dachten dat de oorlog toch al voorbij was. Een man lag met zijn huishoudster onder de dekens. Mijn moeder vond het verschrikkelijk. Ik was alleen maar heel erg bang.

‘Het dorp was de volgende dag afgebrand. Dinteloord telde maar zo’n vierduizend inwoners, maar de geallieerden bleven doorgaan tot elke Duitser weg was. Die waren hier in de hoek gedreven, in dit puntje van West-Brabant, waar ze alleen naar Zeeland of Zuid-Holland konden vluchten. De Duitsers hadden de hoge gebouwen opgeblazen. Toen ze naar Goeree-Overflakkee waren gevlucht, aan de andere kant van het water, konden die niet meer als uitzichtposten dienen.

‘We waren bevrijd, net als de rest van Brabant, maar bij ons voelde het niet zo. Met de Duitsers net over het water zaten we nog een half jaar in de frontlinie. Duitse granaten bleven komen. Met een bootje ontvoerden ze zelfs een jongen uit het dorp, om te achterhalen waar iedereen gelegerd zat en of er nog een uitweg was.

Joop (rechts) en zijn vrienden in 1947. Foto: Katja Poelwijk.

‘Pas in mei waren ze verdreven. Een Schots pijpenkoor trok door het dorp, mensen hosten erachteraan. Ik voelde opluchting, maar geen vreugde. Een goede vriend was omgekomen bij de bombardementen. Een andere vriend deed jolig. ‘Jullie hele zaak is afgebrand', vroeg ik hem. 'Hoe kan je zo blij doen?’ Hij zei dat het erom ging dat de Duitsers weg waren.

‘Voor mij was dat niet genoeg. Ik ben later ook vertrokken, eerst naar Leiden en toen via Bussum naar Alkmaar, waar ik nog steeds woon. Ik werd docent meubelmaken, later decaan. Na de bevrijding wilde ik de armoede en mijn herinneringen aan de oorlog achterlaten. Maar helaas neem je dat je hele leven mee.’

De Volkskrant zoekt nog steeds bijzondere bevrijdingsverhalen, met name van boven de rivieren. Mailen kan naar bevrijding@volkskrant.nl.

De verwoeste watertoren van Dinteloord. Beeld: Robert Catsburg

Deel dit verhaal