Venlo

Eindelijk daglicht: An komt bovengronds en treft een verwoest Venlo aan

An van Dijck (met vlaggetje) en haar gezin werden gefilmd na de bevrijding. Video: Nederland Instituut voor Beeld en Geluid

An van Dijck en Piet Dings konden in de winter van 1944 op 1945 vanuit Venlo het bevrijde deel van Nederland al zien liggen aan de overkant van de Maas. Zo dichtbij, maar ook zo ver weg. Samen zouden ze nog ruim drie maanden ondergronds doorbrengen in de beeldenkelder.     

Deel dit verhaal

An van Dijck (1936) slaakt een kreetje als ze zichzelf terugziet op filmbeelden van direct na de bevrijding. ‘Oh wat enig. Is dat niet leuk? Dat is bij mijn tante voor de deur, in de Panhuisstraat. Zie je wat we allemaal bij ons hebben? Vlaggetjes, die kregen we van mijn moeder, en mijn vader draagt een pochet, in zijn trouwpak. Waar mijn moeder dat pak zo snel vandaan heeft gehaald, weet ik nog steeds niet. Die geruite jas, die heb ik gekregen van de H.A.R.K. (Hulp Actie Rode Kruis, red.). Net als een warme paardendeken. Die hebben we nog jarenlang meegenomen naar het zwembad.’

Naast An zit Piet Dings (1939). Ze leerden elkaar kennen in de kelder van de Venlose heiligenbeeldenfabriek, die in de laatste maanden van de oorlog dienstdeed als schuilplek voor hen en hun gezinnen. Voor het eerst in lange tijd zijn ze bij elkaar gekomen om het verhaal te vertellen over de beeldenkelder. Er is koffie, Limburgse kersenvlaai en ze hebben fotoboeken en oude kranten meegenomen, waaronder de Volkskrant van 8 mei 1945. En ze bekijken de schokkende beelden van Venlo van vlak na de bevrijding. An: ‘Alles was kapot. Brandhout. Wat een puin zeg.’

De verwoesting van Venlo

De verwoesting van Venlo. Beeld: Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid.

De bevrijding van Nederland stokte in de winter van 1944 op 1945 pal voor de neus van de Venloërs, aan de overkant van de Maas in Blerick. De afstand tussen Venlo en Blerick is nu slechts 4 minuten met de trein, toen leken de plaatsen zich te bevinden in twee verschillende werelden. Op 3 december 1944 stopte de geallieerde opmars min of meer op de Blerickse oever, terwijl de bevrijding van de overkant op zich liet wachten tot 1 maart 1945.

Tot die tijd bevond het Limburgse Venlo zich in bezet gebied en aan de frontlinie. De bewoners zochten hun toevlucht waar dat kon, veelal ondergronds. De families van An en Piet vonden samen met ongeveer dertig andere gezinnen hun schuilplek in de kelder van de beeldenfabriek van Heintjes-Dings op de Panhuisstraat. Daar brachten ze ruim drie maanden door – ‘maar het voelde als een jaar. Hoe lang het precies was, is moeilijk te zeggen, we waren kinderen.’ Wanneer ze aan de oorlog denken, is er een tijd buiten, en een tijd onder de grond.

Voordat ze naar de beeldenkelder trokken, zat de familie Van Dijck in de kelder van hun eigen huis. ‘Maar daar begon het op een gegeven moment te lekken en er stond overal water. Als we iets lieten vallen, werd het zeiknat. Dus moesten we weg. Bovendien was het veel te klein,’ vertelt An. ‘Er stonden twee bedden in die kleine ruimte. Eén bed voor de ouders, eentje voor de drie kinderen en een kist waar de baby, mijn jongste broertje, in sliep.’

Op de beelden van het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid is te zien hoe Venloërs terugkeerden naar hun stad of, zoals de familie van An, uit de schuilkelders tevoorschijn kwamen en terugkeerden naar huis (zie bovenin dit artikel). ‘Het was stomtoevallig dat we daar liepen. Het is drieënhalve straat van de beeldenkelder naar huis, in de Rooddorpstraat. Wij liepen de hele dag op en neer, met spullen te slepen. Onze moeder was met de andere moeders aan het opruimen en inpakken in de kelder. Wij moesten zo veel mogelijk op en neer lopen, zei ze, dan kregen we tenminste buitenlucht.’

An (links) sjouwt met haar vader, zusje en broertje spullen terug naar huis. Beeld: Nationaal Archief. 

Sperrgebiet

Marcel Hogenhuis, docent geschiedenis, is al jaren bezig met het oorlogsverhaal van Venlo en vertelt hoe buitengewoon en penibel de slotfase van de oorlog was in de stad. ‘Het was een vreemde, zware tijd. Veel Venloërs zochten een veilig heenkomen in de kelders.’ Tijdens een aantal bombardementen in oktober en november 1944 was de binnenstad gedeeltelijk verwoest. Dit was het gevolg van pogingen van de geallieerden om de brug over de Maas te raken. ‘In de laatste oorlogsmaanden vertrokken de inwoners van de binnenstad. De overblijfselen werden door de Duitsers tot Sperrgebiet verklaard en ze legden er mijnen neer.’

Ondertussen werden de overgebleven bewoners in andere delen van de stad gedwongen geëvacueerd, naar Friesland. Maar niet iedereen wilde weg. Zoals de moeder van An van Dijck: ‘Scheet mich maar kepot, schiet me maar kapot, zei ze.’ Een deel van de bevolking volhardde, en bleef in de wijken rondom het centrum tot de bevrijding.

Buiten was het gevaarlijk. Mensen die zich toch op straat waagden, konden alsnog gedwongen worden de stad te verlaten. Naast bombardementen hadden de Venloërs ook granaten te duchten. De Schotten die Blerick hadden bevrijd, bestookten de bezette stad dagelijks met artillerievuur vanaf de overkant van de Maas.

Dus gingen veel Venloërs ondergronds. Maar, zegt Hogenhuis, de kelders van huizen hadden vaak gewelfde bakstenen plafonds, waardoor ze minder stevig waren. ‘De kelders van de beeldenfabrieken waren een uitkomst. Ze waren groot, want de heiligenbeelden werden daar opgeslagen, en ze waren met beton gegoten.’

Piet Dings en An van Dijck zaten samen in de beeldenkelder in Venlo. Foto: Marcel van den Bergh. 

‘Het was enorm,’ herinnert Piet zich. ‘Honderden beelden stonden er. Die hebben we er allemaal uitgesleept en voor de deur neergezet, als een soort doolhof, om de Duitsers te ontmoedigen.’ Dit staat ook in een uitgave van het Dagblad voor Noord-Limburg die Piet heeft meegenomen. In de editie van 24 december 1945 staat een verhaal over de kerstviering van het jaar ervoor, geschreven door Martien Blondel en opgedragen aan Graad van Dijck, de vader van An.

Blondel schreef: ‘En de voornaamste toegang, die door de fabriek werd bewaakt door alle heiligen uit den hemel (…) Die stonden daar in dat stoffige magazijn bij elkander geschurkt als werkloozen in ’t stempellokaal. (…) De S.D. [Sicherheitsdienst, red.] is er nooit achtergekomen, dat deze starre vergadering van heiligen dik meedeed aan het ondergrondsche werk.’

Voor de oorlog had Venlo een rijke traditie in het produceren van heiligenbeelden. De vader van Piet Dings was mede-eigenaar. ‘Dat is er eentje van ons zo te zien,’ zegt Piet wanneer op de filmbeelden een beeld van Jezus in de kapotgeschoten kerk verschijnt.

De beeldenindustrie kwam veel Venloërs dus goed van pas in de barre maanden aan het eind van de oorlog. Het Dagblad noemt het ‘(...) ’n ideale kelder om te schuilen voor bommen, moffen en granaten. En daarom woonden er omstreeks Kerstmis wel 40 menschen in dien kelder, heele gezinnen (…)’

'Foto van de toegang tot een schuilplaats onder een beeldenkelder in Venlo. Bron: Oorlog en Herstel in Noord-Limburg 1940-1950 (Venlo 1975). 

Schaduwspelletjes

Hoe herinneren ze zich het leven in de kelder? Piet: ‘Het was een beetje saai.’ An: ‘Het was heeeel saai. We deden niet zoveel, want dat kon niet. Soms zongen we liedjes, heel zachtjes. We deden ook schaduwspelletjes met de hand, in het zwakke schijnsel van het licht. En we speelden met propjes. Onder ons lag een meisje, dat was zo’n verwende trut. Die plaagden we met propjes en toen ging ze klagen bij haar moeder. ‘Maaam, ze doen het weer.’

De schappen waar eerst de beelden werden opgeslagen, dienden als slaapplek. An: ‘We hadden een rugzak bij ons met schone kleren, die gebruikten we als hoofdkussen. Er zaten ook laarzen in – die zaten zo vreselijk in de weg.’

‘Op een gegeven moment gebruikten de Duitsers de ruimte van de fabriek om tanks en wapens te repareren,’ herinnert An zich. Piet: ‘Toen leefden we ’s nachts en sliepen we overdag.’ In de ‘keldertijd’ bevalt Piets moeder ook nog eens van een broertje, Gé. ‘Ze ging weg uit de kelder en kwam terug met een baby. We begrepen er niets van. Maar ons kinderen werd niets verteld.’

‘En zoo leefden we dan bij elkaar in die belegerde stad en hadden het met zijn allen heel benauwd (…) het bevriende geschutvuur hielp ons een handje mee braaf in onze kelders te blijven. [We] (…) leefden tusschen hoop en vrees, angst en vertrouwen en verbargen ons zoo goed mogelijk’ staat in het Dagblad. ‘Ja, zegt Piet, ‘Het leed in de kelder hebben wij allemaal gedeeld.’ An: ‘Als ik daaraan terugdenk… Vooral hoe zwaar dat geweest moet zijn voor mijn moeder, zo met vier kinderen in die kelder.’

Gauw gauw gauw

Toen kwam eindelijk de bevrijding en was het uit met de Pruussen, zoals de bezetter in het Limburgs genoemd werd. An leeft op. ‘Toen we bevrijd waren en naar buiten mochten, dat was iets geweldigs. We sprongen op, we meuge nao boete, hoera!’ Hoe het precies is gegaan, herinnert ze zich niet meer. ‘We gingen gewoon naar buiten, gauw gauw gauw. En daar waren ze.’

Vlak bij de fabriek lag een grote straat, de Kaldenkerkerweg. De fabriek staat er niet meer, maar de drukke weg ligt er nog en voert naar een heuvel, in de richting van de Duitse grens. Daar verschenen de Amerikanen bovenaan de heuvel. ‘Wat een gewaarwording was dat zeg,’ haalt An op. ‘Ze kwamen langs en reden rond. Hun tanks vernielden de straatstenen.’

Hogenhuis legt uit waarom Venlo uiteindelijk is bevrijd door de Amerikanen die van een andere kant kwamen dan de Schotten, die de stad al drie maanden belegerden. ‘In december 1944 kwam het front piepend en krakend tot stilstand. De Amerikanen moesten hun aandacht verleggen naar de Ardennen en liepen vast bij Roermond, daardoor stokte de opmars. Maar in het voorjaar gingen ze verder en kwamen ze dus vanaf de andere, ‘Duitse’ kant.’

An: ‘Een tante kreeg van een Amerikaanse militair een half reepje chocolade. En alle kinderen die erbij waren, mochten allemaal één keer aan de chocolade likken. Stonden we daar, op de Kaldenkerkerweg, met een groepje aan een reep te likken. Dat vergeet ik nooit meer. Toen zijn we teruggegaan naar de kelder en gaan opruimen. We waren zo blij om buiten te zijn.’

An (links) met het vlaggetje bij de bevrijding. Rechts van haar staat haar zusje. De anderen zijn buurtbewoners. Beeld: Nationaal Archief. 

Deel dit verhaal