Weststellingwerf

De evacuatie van Finy laat zien hoe Limburgers met Friezen verbonden raakten

Beelden van na de bevrijding van Roermond. Bron: Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid.

Net als veel Limburgers, werd Finy Elfrink-Van Helvoort (86) tijdens de oorlog met haar ouders geëvacueerd naar Friesland. Als ze aan die reis terugdenkt, kan ze de angst nog voelen. 

Deel dit verhaal

‘Mama, mama’, riep Finy midden in de nacht. ‘Wakker worden, ik hoor Piet praten.’ Ze wist het zeker, ook al kon het natuurlijk niet. Want haar broer zat nog in Roermond, en zij in Friesland. ‘Ga nou maar slapen’, zei haar moeder half wakker terug. ‘Je droomt.’

Maar even later in die meinacht stond Finy van Helvoort toch echt oog in oog met haar broers Piet en Theo. 11 jaar was ze. Eind januari was ze met haar gezin vertrokken uit Roermond. Gedwongen, want de Duitsers hadden besloten de bevolking van de Limburgse stad, die toen in de frontlinie lag, te evacueren. Zo belandde met het gezin in Friesland. Alleen haar drie broers waren ondergedoken.

‘Mijn broers Piet, Theo en Arie zaten al jaren in het verzet en waren daarom ondergedoken’, zegt Finy in haar huis in Haelen, in de buurt van Roermond. ‘En toen stonden Piet en Theo dus opeens bij die Friese boerderij. Piet had zich aangesloten bij de Binnenlandse Strijdkrachten (hij was commandant van de sector ten zuiden van de Roer, red.) en had een auto gecharterd. Een grote wagen. ‘‘Ga eerst maar slapen’, zei hij. ‘Morgen gaan we terug naar Roermond.’’

Finy Elfrink-Van Helvoort is nu 86, maar dat zou je haar niet geven als je haar ziet. En ze is nog kraakhelder. Niet dat ze alles nog weet uit de oorlogstijd, sommige feiten en beelden zijn in de loop der decennia uit haar geheugen verdwenen. ‘Waar zaten we nou ook al weer in Friesland?’, vraagt ze. ‘Ergens tussen Heerenveen en Wolvega, maar ik weet het echt niet meer precies.’

Maar de beelden die er nog wel zijn, de herinneringen die niet zijn vervaagd, vertellen het verhaal van ongeveer dertigduizend Roermondse evacués. Onder barre omstandigheden moesten zij hun stad verlaten en de laatste oorlogsmaanden in Groningen, Drenthe en vooral Friesland doorbrengen.

Finy kon niet geloven dat haar broers in Friesland waren gekomen. Foto: Sabine van Wechem

‘We moesten door de sneeuw lopen naar Brüggen, 18 kilometer verderop in Duitsland’, vertelt Finy. ‘Eerst verzamelen bij de Eiermijn in Roermond en vandaar verder. Sommigen hadden een slee mee, anderen een kinderwagen. Mijn moeder was heel erg ziek, koorts en diarree, maar ze ging toch mee. Op een boerenkar, en wij er te voet achteraan.’

De Duitsers hadden belang bij een lege stad: zonder inwoners konden ze zich vrij bewegen en de stad beter verdedigen. Het grootste deel van Limburg was al bevrijd, maar in Noord-Limburg vormde de Maas voor de geallieerden nog lang een barrière. Roermond werd in die tijd dagelijks gebombardeerd of beschoten. Toch wilden de meeste inwoners niet weg, maar de Duitsers drukken de evacuatie uiteindelijk door.

Grote delen van Roermond waren verwoest. Bron: Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid. 

Bestemming: onbekend

‘Het was verschrikkelijk’, zegt Finy. ‘We zaten opgepropt in een fabriekshal, met veel zieke mensen. We kregen vieze meelpap, zonder suiker. En er was één ruimte om je behoefte te doen. Onze buurjongen is daar een keer in gevallen. Ik vond het heel vies daar.’

Toch is het vooral de angst die ze nog voelt als ze eraan terugdenkt. Vanaf Brüggen vertrokken eind januari treinen met goederen- en veewagons, waarin tientallen Roermondenaren werden gepropt. ‘We stonden voor een grote poort, een enorm gedrang, huilen en schreeuwen. En opeens viel die poort dicht en stond ik daar helemaal alleen, zonder familie.’

De poort ging na een tijdje weer open en Finy vertrok toch met haar ouders en twee oudere zussen. En met Kathja, een gevluchte Russische krijgsgevangene die via haar broers bij het gezin was beland. Bestemming: onbekend.

‘We stonden tegen elkaar aan. Dat was het enige dat kon. Staan en bidden. Eén familie had een emmer met eten. Toen die leeg was, werd die gebruikt als toilet. De trein reed heel langzaam. En al die tijd wist ik niet waar ik heenging. Ik was zo bang.’

Slootjespringen

De opluchting was groot toen ze in Leeuwarden mochten uitstappen. Van daaruit werden de Roermondenaren verspreid over de provincie Friesland. Voor de evacuatie was een heel systeem opgetuigd, waarbij lokale autoriteiten een rol speelden en vergoedingen werden betaald aan mensen die evacués opvingen (zie kader).

‘Kathja en mijn jongste zus gingen naar Wolvega’, weet Finy nog. ‘Mijn vader, moeder, mijn oudste zus en ik belandden op een grote boerderij in de buurt van Heerenveen. De eerste paar dagen moesten we in het hooi slapen. Daarna kregen we met zijn vieren een slaapkamertje.’

Tussen veel Limburgers en Friezen ontstaat in die maanden een hechte band. Nog decennia na de oorlog hielden ze contact. ‘Dat was bij ons niet zo’, weet Finy. ‘Ik kan me ook niet herinneren dat we afscheid hebben genomen. Maar ik heb er zelf een heerlijke tijd gehad. Er was een meisje van mijn leeftijd, Remi, met wie ik kon spelen. Slootjespringen, zoethout plukken. En ik weet nog dat we een keer stiekem gingen kijken hoe een stier een koe bevruchtte.’

Finy kijkt naar een foto van haar en een vriendinnetje, na de bevrijding in Roermond. Foto: Sabine van Wechem

Contact met Friesland

In Nijeholtwolde hoorde Rimkje Klijnstra-Siebenga vroeger precies dezelfde verhalen van haar moeder Rimkje – roepnaam Rimmie - van der Meulen. ‘Ze vertelde dat ze in de oorlog met Finy, een Limburgs meisje, had gespeeld’, zegt ze via de telefoon. ‘Die naam kennen we hier zeker.’

Finy zelf mocht zich dan niet meer herinneren waar ze in de oorlog verbleef, haar neef Huub van Helvoort liet het daar niet bij en dook in de archieven. Via de Evacuatiekrant van 1 mei 1945, Google Streetview en een telefoontje naar een buurman kreeg hij uiteindelijk de dochter van ‘Remi’ te spreken. Zij woont nu in de boerderij waar Finy in de oorlog verbleef.

‘Wij weten helaas niet veel over die tijd’, zegt Rimkje Klijnstra-Siebenga. Met haar opa en oma heeft zij het nooit over de Limburgse evacuées gehad. ‘En mijn moeder zei alleen dat ze heel mooi had gespeeld met Finy.’

Nadat neef Huub haar had opgespoord, belden zij en Finy met elkaar. Ze spraken af om een oude wens in vervulling te laten gaan: de Limburgse zou graag nog een keer de boerderij zien waar ze maandenlang woonde. De datum was al geprikt, maar het coronavirus zorgde ervoor dat Finy voorlopig in Limburg moet blijven.

Feest met tanks en vlaggen

In 1945 werd haar woonplaats Roermond op 1 maart bevrijd, maar toen was Noord-Nederland nog steeds bezet. Op zondag kwamen veel Limburgers bij elkaar in de rooms-katholieke kerk in Heerenveen. Zo hielden ze contact en bleven ze op de hoogte van de laatste oorlogsontwikkelingen.

Finy liep er ook vaak naartoe, kilometers over het Friese platteland. En toen ze op 14 april hoorde dat Heerenveen bevrijd was, wilden ze dat niet missen. ‘Ja, er was feest met tanks en vlaggen’, zegt Finy nuchter. ‘De soldaten trokken door de stad, maar heel lang duurde het niet hoor. En toen zijn we weer teruggelopen.’

Vier dagen later vertrekt ze uit Friesland. Van de terugreis naar Limburg weet ze weinig meer. Ze ziet alleen nog een beeld voor zich dat ze bij een brug door militairen staande werden gehouden en lang moesten wachten. ‘Mijn broers Piet en Theo gingen uit de wagen om te overleggen en toen mochten we weer verder. Maar welke rivier dat was, ik zou het niet weten.’

Leeg huis

Finy kwam thuis in een grotendeels verwoest Roermond. De maanden in de frontlinie hadden hun sporen achtergelaten. En veel huizen in de vrijwel verlaten stad waren geplunderd. ‘Niet alleen door de Duitsers, ook door de Amerikanen en Roermondenaren die waren achtergebleven. Ons hele huis was leeggehaald, maar gelukkig hadden mijn broers al weer wat spulletjes neergezet, zodat we konden slapen en eten.’

Bij Finy raakte de oorlog na de bevrijding uit zicht. Maar hoe meer ze erover praat, hoe meer er naar boven komt. Dat ze een rozenkrans deelde met een vriendinnetje om de angst voor het geluid van de beschietingen te verdrijven. En dat ze bij terugkomst in Roermond direct naar de kelder liep. Daar was ze het nieuwsgierigst naar. ‘Mijn broer Piet had op zijn onderduikadres een heel mooi poppenhuis voor me gemaakt. Voor we weggingen, speelde ik daar altijd mee. Maar er was niks meer. Het was allemaal verdwenen.

‘Als ik die vluchtelingen nu zie, dan komt het ook allemaal weer terug. Je moet weg, je moet alles achterlaten. Je weet niet waar je heengaat. En dat als klein kind. Ik vond het allemaal heel erg angstig.’

Finy (vooraan) vlak na het einde van de Tweede Wereldoorlog. Foto: Sabine van Wechem 

‘Ook in Friesland wisten ze niet wat ze te wachten stond’

Zoals Roermondenaren niet wisten niet waar ze naartoe gingen, zo wisten ze op de plaats van bestemming niet wanneer en hoeveel treinen er zouden komen. ‘Een trein kwam ’s avonds laat, niemand wist ervan’, zegt Meike Jongejan. ‘Uiteindelijk zijn de mensen in de schuur van een café beland, daar hebben ze in het hooi op de vloer geslapen.’

De historica en schrijver onderzocht voor het Fries Verzetsmuseum en het boek 30.000 evacués: Limburg en Friesland verbonden door de oorlog de evacuatie van mensen tijdens de oorlog in Friesland. Hoe dichter tegen de bevrijding aan, hoe chaotischer die verliep.

Rond de evacuaties was een hele organisatie opgetuigd, waarbij veel instanties betrokken waren. De Duitse overheid gaf de opdracht, waarna het Bureau Afvoer Burgerbevolking de centrale coördinatie verzorgde. Dat overheidsorgaan werd in 1942 werd opgericht toen een deel van de bevolking Walcheren moest verlaten. Daarnaast waren er gewestelijke evacuatiebureaus, die onder toezicht stonden van Commissarissen Afvoer Burgerbevolking. In Friesland was dat baron van Harinxma thoe Slooten.

‘En in alle gemeenten waren er evacuatiecommissies die voor opvang moesten zorgen’, zegt Jongejan. ‘Mensen konden niet weigeren, ze moesten meewerken.’ Zowel de evacués als de opvanggezinnen kregen vergoedingen, toch ging de opvang niet altijd van harte. ‘Zeker aan het eind van de oorlog, want toen zaten er al heel veel mensen in Friesland. Er zijn veel mensen heel goed opgevangen, maar er zijn zeker ook misstanden geweest. Soms kregen mensen bijvoorbeeld heel weinig te eten.’

Volgens gegevens van het Bureau Afvoer Burgerbevolking waren in mei ongeveer 750.000 mensen geëvacueerd, zo’n 8 procent van de toenmalige bevolking. In Friesland waren dat er naar schatting tussen de 60- en 80 duizend.

‘Zeker in Friesland waren veel dorpen overbelast’, zegt Jongejan. ‘Toen de Limburgers kwamen, was er een groot tekort aan ruimte om mensen op te vangen. In Leeuwarden waren oproepen voor potten en pannen en eigenlijk alles wat nodig is om mensen op te vangen. En na de oorlog stonden de kranten vol met oproepen van mensen die elkaar waren kwijtgeraakt. Alles duidt erop dat de chaos groot was.’

Deel dit verhaal