Barendrecht

De bitterkoude Hongerwinter van Roos en haar zusjes: overleven zonder ouders tot de bevrijding

Roos Derks overleefde de hongerwinter zonder haar ouders. Beeld: Rebecca Fertinel.

Drie jaar lang was Roos Derks met haar twee Rotterdamse zusjes tijdens de Duitse bezetting op zichzelf aangewezen. De hongertocht uit de stad werd hun bijna fataal. ‘Geborgen in elkaars armen in de ijskoude sneeuw, die we op een zeker moment niet meer voelden. Voor altijd warm, voor altijd zonder honger.’

Deel dit verhaal

Pas heel onlangs, toen zij op een basisschool sprak over haar ervaringen als kind in de Hongerwinter, dacht Roos Derks (87) voor het eerst in haar leven: ‘Goh, eigenlijk was ik best zielig in die tijd.’

Het was eerder een nuchtere vaststelling van een buitenstaander dan een uiting van zelfmedelijden. Slachtoffer heeft zij zich nooit gevoeld. Al was het maar omdat zij na de oorlog ‘een fantastisch leven’ heeft gehad. Maar ongewoon waren haar ervaringen zonder meer. Zelfs naar de maatstaven van die tijd, tijdens de laatste jaren van de Duitse bezetting.

In december 1944 – zij was twaalf – ondernam zij met haar jongere zusjes Clara en Magda een hongertocht naar het platteland buiten Rotterdam, hun toenmalige woonplaats. Die tocht, in bittere kou, is hun bijna fataal geworden. Nadat ze bij een paar boeren vergeefs om eten hadden aangeklopt, gingen ze bij het vallen van de avond in de wegberm zitten. ‘Geborgen in elkaars armen in de ijskoude sneeuw, die we op een zeker moment niet meer voelden. Voor altijd warm, voor altijd zonder honger.’

De kleine Roos Derks. Beeld: privéarchief Roos Derks. 

Een paar passanten – ‘grote sterke kerels’ – hebben hen behoed voor de dood waarmee Roos zich al had verzoend. Vloekend en tierend op Duitsers en harteloze Nederlanders brachten zij de kinderen naar een boerderij waar ze eerder nog waren weggestuurd. Daar werden ze zodanig opgelapt door toediening van warme melk – ‘Je kon de melk bijna horen vallen in onze magen’ – dat ze de volgende dag konden terugkeren naar Rotterdam. ‘In mijn herinnering waren we snel weer thuis.’

Roos’ vader, een strijdbare communist, was al in juni 1941 door de Duitsers opgepakt. Na een verblijf in kamp Schoorl kwam hij in Neuengamme terecht. Daar werd hij ‘als een hond behandeld’, hoorde zijn familie later. Een jaar na zijn aanhouding kwam hij door uitputting om het leven. In de Rotterdamse Bothastraat, waar weduwe Cor en haar drie dochters waren achtergebleven, hingen overal lakens voor de ruiten op de dag waarop dit tragische nieuws bekend werd. Als teken van rouw en als uiting van stil protest tegen de Duitsers.

Moeder ook opgepakt

Voor Roos’ moeder ging van deze gebeurtenis vooral de aansporing uit om – in de geest van haar omgebrachte man – de strijd tegen ‘die kolere nationaal-fascisten’ voort te zetten. Dientengevolge werd ook zij opgepakt, op 26 oktober 1942. Van die gebeurtenis herinnert Roos zich vooral de wanorde die de Duitsers bij hun huiszoeking hadden aangericht. De zusjes hebben de boel provisorisch opgeruimd en zijn toen maar gaan slapen. ‘Gewoon ogen dicht en wegdromen, alsof er niks gebeurd was.’ Gehuild hebben ze niet, want gestaalde communisten toonden hun emoties niet. Voor Roos – destijds tien jaar oud – was op dat moment de grootste angst dat zij en haar zusjes de volgende dag te laat op school zouden komen.

De drie meisjes waren eigenlijk op dat moment oorlogswezen. Ze zouden pas in de zomer van 1945 worden herenigd met hun moeder, die de laatste jaren van de oorlog in het vrouwenkamp Ravensbrück had doorgebracht. ‘Dus wat doe je in zo’n geval?’, zegt Roos Derks. ‘Je gaat zo goed mogelijk verder met het leven zoals je dat kende.’ Daarvoor kwam de verantwoordelijkheid vooral bij haar te liggen. Zij hield het huis zo proper mogelijk, scharrelde wat eten bij elkaar – waarbij de kruidenier om de hoek zo aardig was om haar af en toe iets extra’s toe te stoppen, en probeerde het leven zo aangenaam mogelijk te houden voor haar zusjes, voor wie zij nu de substituut-moeder was.

Eten bij de bovenburen

De drie kinderen werden formeel ondergebracht bij de bovenburen, met wie moeder Cor nooit hartelijke betrekkingen had onderhouden. Dit hield uitsluitend in dat de meisjes bij hen de maaltijden gebruikten. Ze sliepen in hun eigen bedden, en brachten de dagen zoveel mogelijk door op straat – of kleumend in de portiek – omdat de bovenburen geen kinderstemmen verdroegen. Bij de inspecteur die toezag op hun welzijn heeft Roos nooit bezwaar gemaakt tegen dit arrangement – uit angst dan van haar zusjes te worden gescheiden.

De belangrijkste persoon in het leven van Roos was meester Den Ouden, haar leraar op de lagere school. Die had eerder al diepe indruk op haar gemaakt met een stil protest tegen de deportatie van Joden, waarvan klasgenootje Sonja een van de vele slachtoffers was. ‘Zwart, slecht, niet terug’, had hij op het bord geschreven toen de bank van Sonja op een kwade dag leeg bleef. ‘Hij zorgde ervoor dat Sonja nog lang in ons midden bleef door haar naam nog geregeld te noemen. Niemand mocht op de leeggevallen plek van Sonja gaan zitten. En als we een schrift wilden inleveren, zei hij: leg maar op de bank van Sonja.’

Roos Derks in haar woning in Friesland. Beeld: Rebecca Fertinel. 

De naam Roos

Binnen de grenzen van zijn mogelijkheden ontfermde meester Den Ouden zich ook over Roos. ‘Je kon aan alles merken dat hij innig met mij meeleefde, en ik mocht elke dag vijf minuten eerder weg om mijn jongste zusje Clara op te halen van de bewaarschool. Zij kon enorm in paniek raken als ik te laat was.’ Eigenlijk is de voornaam die Roos al ruim 75 jaar voert een soort eerbetoon aan meester Den Ouden. ‘Mijn ouders hadden mij Rosa genoemd, naar Rosa Luxemburg, hun marxistische heldin. Maar kort na de Duitse inval in de Sovjet-Unie zei meester Den Ouden tegen mij: misschien kun je je nu beter Roos gaan noemen. Aan die wenk heb ik tot op de dag van vandaag gehoor gegeven.’

Het laatste restje normaliteit verdween uit het leven van de drie verweesde zusjes toen hun school, als gevolg van de toenemende brandstofschaarste, in de winter van 1944-1945 sloot. ‘Gaandeweg werden wij steeds indolenter’, zegt Roos. ‘Af en toe gingen we nog wel eens kaatsballen op straat, maar steeds vaker bleven we gewoon in bed liggen. Waar we dan over spraken, als we elkaar warm hielden? Niet over vroeger, maar ook niet over later. Want bij een toekomst zonder oorlog en honger konden wij ons niets voorstellen. Je hersenen werken heel traag, want zelfs nadenken kost energie.’

Bij gebrek aan brandstof in Amsterdam worden houten blokjes tussen de tramrails vandaan gehaald om te dienen als brandhout. Roos Derks verbrandde het meubulair om te overleven. Beeld: Nationaal Archief/Collectie Spaarnestad. 

Gaarkeuken

Hun voornaamste verzetje bestond uit de dagelijkse bezoeken aan de gaarkeuken, waar van overheidswege maaltijden met steeds minder ingrediënten werden verstrekt. ‘Altijd viel wel een van ons flauw, als we met ons pannetje in de rij stonden. Dan kregen we een soort voorkeursbehandeling. De mensen hebben nooit lelijk tegen ons gedaan.’ Roos ontleende destijds enige troost aan de wetenschap dat iederéén het moeilijk had.

Honger heeft tijdens de laatste oorlogswinter in Nederland naar schatting 20- à 25 duizend mensenlevens geëist. Maar anders dan toentertijd door de geallieerden werd aangenomen, behoorden kinderen en jongvolwassenen tot de minst getroffen groepen. ‘Sterker nog’, schrijft historicus Ingrid de Zwarte in haar recent verschenen studie van de Hongerwinter, ‘de sterfte onder stadskinderen blijft gelijk aan die van de plattelandskinderen in het westen en zelfs onder de kindersterfte in het niet-getroffen landsdeel. In geen enkele andere leeftijdsgroep was dit het geval.’ Mannen van boven de 70 jaar waren daarentegen sterk oververtegenwoordigd onder de hongerdoden.

Noodhulp

De relatief gunstige positie van kinderen tijdens de Hongerwinter hangt, aldus De Zwarte, samen met het behoud van een hoge maatschappelijke organisatiegraad in de laatste fase van de oorlog. Toen de Centrale Keukens – of gaarkeukens – de bevolking niet langer adequaat konden voeden, wist ‘het maatschappelijk middenveld’ noodhulp op basis van medische indicatie te organiseren. Daarnaast gingen met name stedelingen in de westelijke provincies op hongertocht om de karige rantsoenen (in februari 1945 nog goed voor ongeveer 400 calorieën per volwassene per dag) enigszins aan te vullen. Op het dieptepunt van de crisis droegen de hongertochten meer bij aan de voedselvoorziening dan de officiële distributie-instellingen.

Roos Derks en haar zusjes zagen, na de hongertocht die hen bijna fataal was geworden, af van een tweede poging om op die manier aan extra eten te komen. Nadat ze, om de kou te verdrijven, het meubilair van het ouderlijk huis en hun omvangrijke boekenverzameling hadden opgestookt, trokken de meisjes op goed geluk te voet naar Barendrecht, waar tante Bets – een zusje van haar moeder – met haar gezin woonde. Die nam, ‘hoewel het daar ook geen vetpot was’, de zusjes op. Roos trok enkele dagen later in bij haar opa. ‘Hij was gereformeerd, maar niet van de bekrompen soort. Mijn communistische moeder, zijn dochter, heeft zich dan ook nooit helemaal van het ouderlijk geloof losgemaakt. Bij het afwassen zong zij psalmen uit volle borst.’

In de zomer van 1945 keerde Cor terug uit Ravensbrück. ‘Zo, ben jij er ook nog?’, waren de woorden waarmee zij Roos begroette. ‘Ja, ze was niet de hartelijkste’, zegt Roos – bijna 75 jaar later. Zij zelf is, voor zover zij weet, niet beschadigd door de kilte van haar moeder. Maar haar zusjes – die beiden zijn overleden – ‘hebben de rest van hun leven gehunkerd naar liefde’. Die vonden ze niet bij hun levende moeder, maar bij hun in 1942 vermoorde vader. ‘Wij alle drie hadden het gevoel zijn lievelingetje te zijn. Goed, hè?’

Op zoek naar restjes in gamellen van Centrale Keuken van Den Haag tijdens de hongerwinter. Beeld: Nationaal Archief/Collectie Spaarnestad/ANP  

Ramp met vele oorzaken

De Hongerwinter was, zoals Ingrid de Zwarte laat zien in haar gelijknamige boek niet in de eerste plaats het gevolg van voedselschaarste in de bezette delen van Nederland, maar vooral van transportproblemen. Die waren al aanzienlijk voordat de Nederlandse regering in ballingschap op 17 september 1944 een algemene spoorwegstaking afkondigde – ter ondersteuning van de geallieerde oorlogsinspanningen. De Nederlandse Spoorwegen kampten met brandstofschaarste, en steeds vaker werden treinen vanuit de lucht beschoten.

Na de afkondiging van de Spoorwegstaking verbood rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart voedseltransporten over water. Deze (straf-)maatregel werd na drie weken gedeeltelijk, en na zes weken volledig opgeheven. Van hongersnood in volle omvang was op dat moment nog geen sprake.

Van grotere invloed was de strenge vorst die medio december 1944 intrad (en tot februari 1945 duurde). Internationale noodhulp bleef lange tijd uit omdat de geallieerden vreesden dat daardoor hun overwinning op nazi-Duitsland zou worden vertraagd.

Lees hier de column van historicus David Barnouw over hoe de Hongerwinter in ons collectieve geheugen belandde.

Bronnen

expanded Klik hier om te bekijken

Deel dit verhaal