Deventer

De bevrijding werd groots gevierd, maar de kleine Jan schaamde zich voor zijn kapotte oranje hoedje

Jan Berings werd bevrijd in Deventer. Foto: Eva Faché

Iedereen droeg feesthoedjes bij de bevrijding, herinnert Jan Berings uit Deventer zich. Zijn hoedje was de avond ervoor in de jus gevallen, maar niemand, behalve hijzelf, die zich daar druk over maakte.

Deel dit verhaal

Jan Berings (81) zegt dat hij de bombardementen op Deventer precies kan herinneren, ‘ook al was ik 5'. ‘Het begon altijd met een luchtalarm. Wij woonden op een linke plek: vlakbij de brug over de IJssel, waar nu de A1 loopt. Mijn vader, moeder, oudere broer en ik vluchtten dan de kelder in, kropen in een houten gat in onze vloer of renden weg, zo ver mogelijk van de brug.

‘De geallieerden probeerden de brug te raken, want dat was de verbinding met Duitsland. Maar hun bommen kwamen overal op de stad terecht. Dat was ook het grapje hier: ga vooral onder de brug schuilen – die wordt toch nooit geraakt. Maar ons huis wel. Dat was op een gegeven moment zo beschadigd dat we er niet meer konden wonen. We gingen er op mijn 6de verjaardag weg, op 11 december 1944. Ik weet nog dat we met een taart op onze bakfiets naar ome Harry liepen, waar we een tijdje zouden intrekken.

‘Een paar dagen later ging het luchtalarm weer. We renden naar de kelder van een hotel. Ik hoorde ontploffingen en het geluid van instortende gebouwen. Toen we boven kwamen, lag een groot deel van de straat plat. Mijn vader en oom gingen buiten mensen helpen, maar de vliegtuigen kwamen terug. Iets later moest mijn broer van 16 het lichaam van ome Harry identificeren.’

Het verwoeste huis van Jan in Deventer. Foto: Eva Faché

Vies, klef ding

‘Opnieuw moesten we verhuizen, dit keer naar een klein kamertje in de woning van de bakker. Ik herinner me die maanden als een gezellige tijd: er waren minder bombardementen, minder gevaar, en ik speelde veel buiten met het zoontje van de bakker. Oorlog was normaal voor mij, alleen mijn ouders zeiden vaak dat het ‘snel vrede zou zijn’ en dat er ‘geen bommen meer zouden vallen’.

‘‘Morgen zijn we bevrijd’, zei mijn moeder op een dag. Ik weet niet hoe ze het wist, waarschijnlijk via vrienden of Radio Oranje. De sfeer bij ons, in het kleine kamertje, was opgewonden en hoopvol. Wat ik nooit zal vergeten, is het oranje crêpe-papieren hoedje dat mijn moeder voor mij had gemaakt. Ik was er zo blij mee. Alleen ik kreeg het, in het oranje van de Koningin, voor de bevrijding die zo nabij was. Maar vanwege de Duitse scherpschutters mocht ik er pas de volgende dag mee de straat op.

‘Daar verheugde ik me zo op, dat ik het hoedje die avond thuis al had opgezet. We zaten met zijn vieren te eten en toen viel het hoedje van mijn hoofd. Recht in de jus. Het papier was doorweekt en had al het vet in zich gezogen. Ik herinner me de commotie: ‘Jantje, wat heb je nu weer gedaan?’ Ik schaamde me zo.

‘De volgende ochtend, op 10 april, deed ik mijn jus-hoedje op, dat amper was gedroogd. Maar op straat zag ik dat iedereen hoedjes had, en vlaggen, schoon en in felle kleuren. ‘Waar kwamen die ineens vandaan?’, vroeg ik me af. De buren zongen het Wilhelmus, ze dansten. Anderen waren aan het bidden. Je zag de opluchting, voelde de uitgelaten sfeer – het was echt een bevrijding. Ik schaamde me weer, met dat vieze, kleffe ding op. Maar waarschijnlijk was ik de enige die daarmee bezig was.’

Jan (aangewezen op de foto) op een groepsfoto in de wijk rondom de bevrijding. Hij heeft een parachute gemaakt van een zakdoek. Foto: Eva Faché 

In deze video vertelt Jan Berings zijn bevrijdingsverhaal

Deel dit verhaal