Voorthuizen

Cisca had geen idee dat de Canadezen kwamen: ‘Ik was een snotneus, mij vertelden ze niets’

‘Ik ben nooit op dansles geweest, maar dansen dat ik deed!’ Beeld: Sabine van Weghem

Op de vlucht voor de geallieerde opmars kwam Cisca Bijkerk (88) in een zomerhuisje op de Veluwe terecht. Van een aanstaande bevrijding was daar weinig te merken. ‘Maar je voelde dat er iets aan de hand was. Iedereen was onrustig.’

Deel dit verhaal

‘Opeens waren ze er, de Canadezen. En toen was het feest!’, herinnert Cisca Bijkerk-Gorseling (88) zich van de bevrijding. Cisca was 13 jaar en verbleef met haar ouders en zusje Katrien in een vakantiehuis op de Veluwe. Ze praat nog altijd niet makkelijk over de oorlog, daarvoor gebeurde er in de maanden voor de bevrijding te veel. ‘Tja... Gevechten en dode mensen, wat zie je in de oorlog...’ De verhalen komen soms fragmentarisch, in flarden.

Cisca was een van de tienduizenden Nederlanders die op de vlucht sloegen door de geallieerde opmars. Na een lange voettocht vanuit hun woonplaats Arnhem kwam ze terecht op de Veluwe, waar ze de winter doorbracht en in de lente werd bevrijd.

Het begint op 17 september bij operatie Market Garden. Cisca woont in Arnhem met haar ouders en haar zusje, vlak bij de Rijn. ‘Er werd gevochten bij de brug, we moesten daar weg’, zegt ze. De familie begint aan een lange voettocht, op zoek naar veiligheid. ‘Arnhem was te gevaarlijk geworden. We gingen naar familie in Velp. Daar konden we niet blijven, we waren met wel dertig man! Dus zijn we richting Ede gelopen (bijna 20 kilometer, red.). Ik was 13, mijn zusje was 7. Ze heeft het hele stuk volgehouden, maar op het laatst viel ze flauw.’

Via Barneveld komt Cisca in Voorthuizen terecht, op de Veluwe. Vluchtelingen in eigen land worden in de meeste plaatsen ontvangen door de inwoners. ‘Ze stonden je min of meer op te wachten, mensen van het gemeentehuis bijvoorbeeld. Wij waren natuurlijk niet de enigen die onderweg waren. Er waren talloze mensen, rijenlang liepen ze over de weg. En af en toe werd er geschoten, dan waren mijn moeder en ik zo bang. Mijn vader niet. Hij zei altijd: aan angst hebben we niets.’

Zomerhuisje

‘Met onze woning in Voorthuizen waren we maar wat blij. Het was een zomerhuisje op vakantiepark De IJsvogel, ons huisje heette ‘de Wigwam’. Daar hebben we het goed gehad. Met een vriendinnetje ging ik op pad langs de boeren. Eerst waren ze terughoudend, maar na een tijdje warmden ze een beetje op. ‘Kom maar langs rond half twaalf’, zeiden ze, en dan kreeg je een lekker bord eten. We kregen roomboter mee, karnemelk, eieren... We kwamen niets tekort.’

Maar er was ook ellende. ‘Tijdens de winter kwamen mensen uit het westen, op zoek naar eten. Er lag een dood paard op straat dat was aangeschoten. Van dat paard hebben wij gehaktballen gemaakt. Iedereen zat aan het dode beest te trekken en te plukken voor vlees. Ik zie het nog voor me: toen het ‘op’ was, pakte een man uit Amsterdam de kop van het paard. Hij nam het op zijn fiets en ging ermee lopen.’

Opeens waren ze er, de Canadezen. En toen was het feest!’, herinnert Cisca zich. Beeld: Sabine Van Wechem

Wanneer in het voorjaar van 1945 het front weer in beweging komt, richten de geallieerde troepen hun pijlen op de Veluwe, met als doel de Duitse troepen in te sluiten. De gedachte: het is beter om slag te leveren in dit relatief dunbevolkte deel van Nederland, dan het risico te lopen dat de bezetter zich terugtrekt in de steden in het westen, de zogeheten Vesting Holland. Daar zou een veel grotere en bovendien uitgehongerde burgerbevolking het risico lopen in de vuurlinie terecht te komen.

‘Ik wist natuurlijk niet dat de Canadezen kwamen. Ik was een snotneus, mij vertelden ze niets. Ga maar spelen, zeiden ze dan. Maar je voelde dat er iets aan de hand was. Iedereen was onrustig. En ik herinner me nog iets: toen er gevochten werd, kwam er een heel jonge Duitse militair bij ons. Die ging bij mijn moeder op schoot zitten. Zij heeft hem een beetje gekalmeerd. Hij was zo verschrikkelijk bang, hij beefde als een rietje. Hij was pas 16 jaar.’

Feestvreugde

‘Ineens waren de Canadezen er. En daarna was er feest!’ Terwijl de bevrijde dorpen van de Veluwe zich in het feestgedruis storten, vliegen de V1-raketten nog over, die in de omgeving van Almelo worden gelanceerd. ‘Die maakten me een lawaai – je dacht dat de wereld verging.’

Maar de feestvreugde overheerst. ‘De Canadezen kwamen in versierde auto’s, het was één groot feest. Het was gezellig, er werd muziek gemaakt: het was een gouden tijd’, herinnert Cisca zich. ‘Ik ben nooit op dansles geweest, maar dansen dat ik deed!’

De Canadezen blijven twee weken, daarna gaan ze verder naar Amersfoort. ‘Er was één jongen, die wilde me meenemen naar Canada. Romantisch hè.’ Cisca’s ogen lichten op. ‘Jerry Corban. Een Frans-Canadees. Ik had gezegd dat ik 17 was, maar dat geloofde hij niet. Hij zou over vier jaar terugkomen. ‘Oh Francis, Francis, I love you so much’, zei hij. Want het woord Cisca, van Francisca, kennen ze daar niet. Dus werd het Francis.’

Het avontuur gaat uiteindelijk niet door. ‘Mijn moeder heeft daar nog op een heel linke manier een stokje voor gestoken. Ik had zijn adres, maar op een gegeven moment zei mijn moeder: ‘Er is iemand aan de deur en die heeft de gegevens van Jerry nodig, geef even mee.’ Toen was ik het kwijt. Ik heb hem nooit meer gezien.’

‘Ik had gezegd dat ik 17 was, maar dat geloofde hij niet.’ Beeld: Sabine Van Wechem

Deel dit verhaal