Buchten

Bevrijd, maar ondergedoken: Kitty’s Duitse vader verstopte zich op zijn eigen zolder - zonder dat Kitty het wist

De vader van Kitty (2e meisje van links) terug van tijdelijke dienst, 1943. Foto: Alfons Schneider

Voor de Duitse vader van de Limburgse Kitty Cramers-Schneider leverde de Tweede Wereldoorlog problemen van twee kanten op. Eerst zat hij als deserteur ondergedoken op zolder, na de bevrijding van Buchten verstopte hij zich op die plek uit angst voor acties van Nederlandse heethoofden. De kleine Kitty mocht al die tijd niks weten.

Deel dit verhaal

Soms hoorde Kitty Cramers-Schneider (79) geluiden boven, in de maanden na de bevrijding. ‘Gestommel op zolder, gekraak van het plafond. Dan trok ik mijn moeder aan haar rok. ‘Maak je niet druk’, zei ze altijd. ‘Dat is de wind.’’

Eén keer, toen ze met het gezin in de schuilkelder zat, zag Kitty iemand achter oma’s stoel zitten. 'Ik zag voeten bewegen, zei ik geschrokken tegen mijn moeder. ‘Je ziet het verkeerd’, zei ze. ‘Dat is een schaduw.’’

Als kind geloofde ze wat haar moeder zei, zelfs toen ze kon zweren dat ze iemand van de slaapkamer naar zolder had zien lopen. ‘'Mam!’, riep ik toen, ‘er is iemand in huis!’ Ze nam me mee naar boven en liet me elke kamer zien. Ze opende zelfs een grote kist op de zolder. ‘Zie je? Hier is helemaal niemand.’

'Ik mocht niet weten dat mijn vader al die tijd op onze eigen zolder ondergedoken zat', zegt Kitty nu.

Verscholen

Bijna een jaar zat Alfons Schneider (37) daar, verscholen op de zolder van zijn eigen huis. Begin jaren dertig was hij net als zo’n honderdduizend andere Duitsers tijdens de crisisjaren naar Nederland geëmigreerd. Zijn nationaliteit was eigenlijk nooit een probleem. Tot de Duitsers Nederland binnenvielen hadden Alfons en zijn gezin geen idee hoe nadelig dat zou uitpakken.

‘Mijn oma was niet direct blij met de Duitse verkering van mijn moeder’, zegt Kitty. Alfons ontmoette haar midden jaren dertig op de najaarskermis in het Limburgse Buchten en werd verliefd. ‘‘Er zijn zoveel jongens in ons dorp, zei ze, waarom moet je met hem gaan?' Niet per se omdat hij Duits was, meer omdat hij een vreemdeling was. Toen bleek hoe verliefd mijn moeder was, werd hij snel in de familie opgenomen.’

Volgens Kitty werd haar vader een 'allemansvriend' in het dorp. Hij diende in 1936 zijn eerste verzoek om Nederlander te worden in, dat werd afgewezen. Toen Alfons met de Limburgse moeder van Kitty trouwde, werd ze daardoor automatisch Duits, met een Duits paspoort. ‘Zo ging dat in die tijd’, zegt Kitty. Hoewel het gezin in Nederland woonde en Nederlands sprak, was Kitty bij haar geboorte in 1940 op papier een Duits kindje.

Mijn
Bevrijding

Dit verhaal hoort bij onze serie persoonlijke bevrijdingsverhalen. Volg de frontlijn op onze kaart en ontdek telkens nieuwe stukken.
Bekijk alle verhalen op de kaart

Opgeroepen

In de eerste jaren van de oorlog had haar vader volgens Kitty nog geen last van zijn nationaliteit. Hij bleef ‘geaccepteerd in het dorp’ en kon tot 1942 blijven werken. Toen werd hij opgeroepen door het Duitse leger. ‘Maar hij had geluk’, zegt Kitty. ‘Vanwege zijn rijbewijs en passie voor fotografie hoefde hij niet naar het front, maar werd hij chauffeur voor de Wochenschau. Hij bracht Duitse films en nieuwsuitzendingen naar de in Nederland gelegerde militairen.’

Kitty’s eerste eigen herinneringen komen uit die tijd, uit 1943. ‘Als hij een paar dagen verlof kreeg, mocht ik hem met mijn zus bij het busstation opwachten, in onze zondagsjurkjes en met allebei een grote strik in ons haar. Daarna maakte hij in de middag foto’s van ons in de achtertuin. Ik weet nog hoe hij na het instellen van de zelfontspanner naar ons toe rende voor een foto.’

In de achtertuin, 1943. Kitty is het eerste meisje van links. Foto: Alfons Schneider

Hakenkruis

Maar het geluk duurde niet lang meer. Kitty’s moeder werd vanwege haar huwelijk met een Duitser verplicht om een vlag met hakenkruis voor het huis te hangen. Dat weigerde ze. Kitty’s zus Elly moest bovendien naar de Duitse school, in Sittard, 5 kilometer van Buchten. Dat vond haar moeder te gevaarlijk, dus ook dat weigerde ze.

‘Voor straf werd mijn vader in 1944 naar het front in Frankrijk gestuurd’, legt Kitty uit. John Kleinen, zwager van Kitty en antropoloog en historicus (UvA), vertelt dat de situatie daar ‘levensgevaarlijk’ was. De geallieerden waren op D-Day bij Normandië geland en vochten nu tegen Duitse militairen om Frankrijk te bevrijden en een einde aan de oorlog te maken. ‘Hij belandde in één grote chaos.’

In die chaos maakte Alfons een zeer riskante keuze. Kitty herinnert zich hoe haar vader altijd vertelde dat hij op pad werd gestuurd met een lege vrachtauto, en onderweg op een terugtrekkende Duitse colonne stuitte. ‘Hij verzon een smoes om zich daarbij aan te sluiten en reed mee terug richting Maastricht. Hij was aan het deserteren – iets waarop de doodstraf stond. Het had mis kunnen gaan, maar in een dorpje bij Maastricht lukte het hem om door het raam van een wc te ontsnappen, vertelde hij later. Vanaf daar vluchtte hij te voet naar ons huis.’

Geheim

Eenmaal thuis besloten Alfons en de moeder van Kitty dat hun eigen zolder de veiligste plek voor hem was om onder te duiken. Het plan moest geheim blijven voor Kitty en haar twee zussen, want als zij hun mond voorbij zouden praten, kon dat tot de executie van hun gedeserteerde vader leiden.

Omdat de bevrijding in die nazomer nabij leek, zou het niet lang duren. Maar het liep anders. Hoewel Buchten op 20 september bevrijd werd, zou het dorp, gelegen in het smalste deel van Limburg, nog maanden aan het front liggen. Het lukte de geallieerden niet om vanuit het zuiden van Limburg door te stoten naar de bovenste helft van de provincie, legt Kleinen uit. Op de zolder zou Alfons nog maanden moeten luisteren naar schietpartijen die altijd te dichtbij leken.

Terwijl hij daar zat, speelden eerst Amerikaanse en daarna Engelse militairen die in zijn schuur gelegerd waren kaartspelletjes in zijn huiskamer. Soms hoorde hij hoe zijn vrouw werd lastiggevallen als de militairen te veel gedronken hadden. ‘De hele situatie moet zenuwslopend zijn geweest’, zegt Kitty.

Kitty Cramers-Schneider. Foto: Maarten van Gestel

Al die tijd had Kitty geen idee dat haar vader op zolder zat. ‘Als ik iets dacht te zien of horen, deed mijn moeder alsof ik spoken zag. Mijn 6-jarige zus Elly is hem één keer tegen het lijf gelopen, boven. Ze was zich doodgeschrokken, maar moest van mijn moeder zweren om het geheim te houden, anders zou papa vermoord worden. Dus als ik naar boven wilde, rende Elly naar me toe om me van de trap te trekken.’

Later pas begreep Kitty dat haar moeder haar tijdens die maanden buiten liet spelen op een plek in de tuin waar haar vader zijn dochters kon zien, door een gleuf tussen het dak en de muur. ‘Dat was een van de weinige dingen die ze kon doen om hem dichtbij zijn kinderen te houden.’

Heethoofden

Met de bevrijding in mei vierde Nederland feest, maar de Duitse Alfons voelde zich nog maanden onveilig. ‘Hij moest oppassen voor heethoofden bij het verzet die met elke Duitser wilden afrekenen’, legt historicus en familielid Kleinen uit. Pas eind augustus 1945 kon hij zich in overleg met het lokale verzet melden op het gemeentehuis van zijn woonplaats.

Daarvoor had hij zich enigszins vrij in zijn eigen huis kunnen bewegen. Kitty herinnert zich de eerste keer dat hij naar beneden kwam en in de woonkamer stond. ‘Wie is die vreemde man?’, dacht ze. ‘Hij voelde niet als mijn vader, ik herkende hem amper.’

Kitty kon er in het begin niet aan wennen. Ze herinnert zich dat ze aan haar moeder vroeg om haar veters te strikken. ‘‘Dat kan ik ook doen’, zei mijn vader toen. Dat voelde heel onwennig, maar daarna werd het beter. Elke dag las hij voor, of mocht ik achterop bij hem op de fiets. Hij speelde veel met ons en uiteindelijk ben ik een echt vaderskindje geworden.’

Pas na vijf jaar werd Alfons officieel ‘ontvijand’. Na de slopende zoldertijd waren dat jaren waarin het lot van zijn gezin onduidelijk bleef (zie kader). Tot 1957 bleven hij en zijn gezin daarnaast Duitse staatsburgers. Kitty was 17 toen het verzoek om Nederlands te worden werd goedgekeurd, en moest tot die tijd als enige van haar klas haar paspoort laten zien op schoolreisjes. ‘Het was meer dan twintig jaar na zijn eerste verzoek, nu hadden we iets te vieren. Thuis aten we Limburgse vlaai, maar meer dan echte vrolijkheid voelden we opluchting. Eindelijk.’

Rijksduitsers in Nederland na de bevrijding: is dit verhaal regel of uitzondering?

Voor de naar schatting 20 tot 25 duizend Duitse migranten die in 1945 al jaren in Nederland woonden, vormde het bevrijdingsjaar misschien wel de lastigste van alle oorlogsjaren, zegt historica Marieke Oprel (VU). ‘Onder de bevolking en bij de overheid heerste een verlangen naar vergelding. Duitse burgers werden gezien als medeplichtig aan de bezetting, ook als ze maar kort en tegen hun wil in dienst waren geweest.’

Voor haar proefschrift doet de historica onderzoek naar deze groep Duitsers in Nederland, en de represailles van de Nederlandse staat tegen hen. Ruim 750 miljoen gulden aan Duits vermogen werd geconfisqueerd, vertelt ze, en sommige Duitsers werden gearresteerd en geïnterneerd in voormalige concentratiekampen. Een kleine vierduizend werd onder de omstreden operatie ‘Black Tulip’ zelfs gedeporteerd, terug naar Duitsland.

De historica sprak zo’n vijftig mensen als Kitty, uit (deels-)Duitse gezinnen. Een deel van Kitty’s verhaal komt ze steeds tegen: de vader die in de crisis naar Nederland kwam, geen nieuwe nationaliteit kreeg, tijdens de oorlog in dienst moest, de nazivlag tegen zijn zin moest hijsen en zijn kinderen naar een Duitse school moest sturen. Maar de details van Kitty’s verhaal zijn volgens de historica vrij uniek. ‘Een Duitser die aan zijn dienst ontsnapt en een jaar op zijn eigen zolder onderduikt, dat heb ik tijdens mijn onderzoek niet eerder gehoord.’

Opvallend vindt ze dat de vader van Kitty pas in 1950 ‘ontvijand’ werd. ‘In het zuiden ging dat meestal sneller. Zeker in Limburg was de bevolking meer verwant met Duitsers dan in bijvoorbeeld Amsterdam en Rotterdam. De katholieke kerk keerde zich daarnaast tegen de harde represailles van de Nederlandse staat.’ Veel Duitsers die in Noord-Brabant en Limburg woonden werden volgens Oprel al kort na de oorlog ‘ontvijand’, zeker als de pastoor of kapelaan ‘een aanbevelingsbriefje schreef’.

Deel dit verhaal