Volkskrant Klimaatklok

Analyse

Minder kappen en meer verticale ruimte voor de rivieren zou de biodiversiteit op peil kunnen houden

Nu door klimaatverandering overstromingen vaker voorkomen, kappen beheerders de uiterwaarden kaal om het water zo snel mogelijk te kunnen afvoeren. Onnodig en zonde, constateren natuurbeschermers. ‘Kappen met kappen’ brengt de veiligheid niet in gevaar en verhoogt de biodiversiteit en opname van CO2, volgens een nieuw plan.

Het is de droom van natuurbeschermers: de zwarte ooievaar als broedvogel in het Nederlands riviergebied. De vogel, met zijn opvallend zwarte hals en witte buik, wordt nu een doodenkele keer gezien als passant tijdens de voor- of najaarstrek, maar rukt als broedvogel langzaam op vanuit midden-Europa. Duitsland en de Belgische Ardennen heeft hij al bereikt. Een klein zetje nog maar, en de vogel broedt zijn eerste eieren uit in Nederland. Natuurontwikkelaars en -beschermers zouden het zien als een kroon op hun werk.

Dat zetje zou kunnen komen van een nieuw plan dat (onder meer) het Wereld Natuur Fonds (WWF-NL) zeer recentelijk lanceerde. Verticale ruimte voor de rivier, heet het plan, en het zou potentieel broedgebied – bij voorkeur oud bos- en moerasgebied waar voldoende vis, amfibieën, insecten, kleine zoogdieren en jonge vogels te vinden zijn – voor de ooievaar optimaal maken.

Niet dat het de natuurbeschermers enkel om die ooievaar gaat. Doel is de algehele biodiversiteit in die gebieden te verhogen, en tegelijk het rivierlandschap mooier te maken. Hoe? Door meer begroeiing in de uiterwaarden toe te laten. Uit angst voor overstromingen – een gevolg van klimaatverandering – voeren rivierbeheerders nu een stringent kapbeleid langs rivieren. Begroeiing zorgt voor opstuwing, en daardoor stijgt het waterpeil. Dat is precies wat voorkomen moet worden, zeker met de overstromingen van afgelopen zomer in Limburg en omringende landen nog vers in het geheugen.

Denkend aan Holland gaan brede rivieren allang niet meer traag door oneindig laagland. Jaarlijks kappen en maaien beheerders honderden hectares oprukkend struikgewas en jonge bomen in uiterwaarden, om het water zo snel mogelijk te kunnen afvoeren wanneer nodig. Zonde, zeggen de planmakers: dat werkt de natuurlijke dynamiek in een rivierengebied tegen en belemmert de ontwikkeling van biodiversiteit. De angst voor overstromingen is volgens hen bovendien onnodig: op de meeste plekken langs rivieren zorgt begroeiing voor een stijging van het waterpeil van hooguit 10 centimeter. Dat kunnen de dijken aan, berekenden de organisaties. Ze zijn er hoog genoeg voor. Waar versterkende maatregelen nodig zijn, kost dat slechts 2 procent van de totale kosten die toch al worden neergeteld voor het versterken van de dijken tot 2050.

De winst: zo’n 5 tot 10 duizend hectare extra dynamisch natuurgebied, en dat voor slechts ‘enkele miljoenen per jaar’(op een totaal van 300 tot 400 miljoen euro per jaar in het zogeheten hoogwaterbeschermingsprogramma, en 50 tot 100 miljoen voor natuurontwikkeling in en rond de grote wateren).

Het plan komt niet uit de lucht vallen, zegt Bas Roels, delta- en rivierenexpert bij WWF-NL. Het borduurt min of meer voort op het bekende plan Ooievaar – de toekomst van het rivierengebied uit 1987. Daarin beschreven wetenschappers uit verschillende disciplines al hoe het rivierenlandschap op een natuurlijke en veilige wijze kon bestaan in samenhang met maatschappelijke activiteiten als landbouw, scheepvaart, delfstoffenwinning en recreatie. Ook toen was de spreekwoordelijke stip op de horizon de zwarte ooievaar, tevens de naamgever van het project.

‘Een briljant plan’, noemt Roels dat. Het vormde de basis voor veel latere beleidsplannen, zoals het bekendere Ruimte voor de rivier uit 2007, dat de afvoer- en bergingscapaciteit van de rivieren zou vergroten en tegelijk meer ruimte gaf aan natuur en recreatie. Dat werkte: op verschillende plekken ontstond spontaan bos. Zoveel, dat Rijkswaterstaat besloot die te gaan kappen.

Verticale ruimte voor de rivier luidt een nieuwe fase in. ‘Door niet of minder te kappen en maaien kunnen op korte termijn ooibossen ontstaan vol wilgen, essen en zwarte populieren. Die laatste is een zeer bedreigde boomsoort. Ooibos hebben we maar heel weinig in Nederland, onder meer in de Millingerwaard. In zulke bossen groeien weer andere plantensoorten, waarvan sommige vogelsoorten afhankelijk zijn. Zo krijg je dus een rijke biodiversiteit.’

Daarnaast, zegt Roels, ‘is het ook gewoon een mooi type landschap. Het gaat ons ook om het landschappelijke aspect. Er wonen zoveel mensen in en om de rivierengebieden. Met plannen als deze maak je het land ook weer aantrekkelijk voor de mensen die er wonen.’

Roels en zijn mensen hebben een kaartanalyse van het rivierenlandschap gemaakt, en kwamen tot de conclusie dat op meerdere plekken kappen niet nodig is. ‘Langs de IJssel hebben we een paar plekken gevonden waar gekapt zal gaan worden, terwijl wij denken dat het daar geheel onnodig is’, zegt Roels.

Hij wijst op de Duursche Waarden, een natuurgebied van zo’n 120 hectare ten noorden van Deventer, vlakbij Fortmond. Het bestaat uit moerassen, rivierarmen en bos. Juist dat laatste, op de site van Staatsbosbeheer nog aangeprezen als natuurlijke waarde, wordt stevig aangepakt door de beheerders. ‘Er mag geen verdere verruiging plaatsvinden. Alle nieuwe bosvorming wordt regulier gekapt’, zegt Roels. ‘De opstuwing die dat bos zou opleveren is voor de waterveiligheid daar geen probleem. De dijken hoeven daar niet voor verhoogd te worden.’

Zo zijn er volgens Roels meer plaatsen te vinden waarvoor hetzelfde geldt en het ‘kappen met kappen’ zelfs niet kost. ‘Er is al snel een reflex om te kappen. Ook in Limburg wordt daar sinds de laatste overstromingen om geroepen. Terwijl uit een eerste quickscan blijkt dat van opstuwing door begroeiing helemaal geen sprake is geweest.’

Hebben de bedenkers van Verticale ruimte voor de rivier gelijk? Jeroen Aerts, hoogleraar klimaat- en waterrisico’s aan de Vrije Universiteit Amsterdam, erkent dat de biodiversiteit verhoogd wordt door uiterwaarden ook onder water te laten staan. ‘Zo ontstaan natuurlijke gradiënten, overgangsgebieden tussen twee soorten landschap, en dat is ecologisch heel aantrekkelijk.’

Of de berekeningen van de planmakers kloppen, heeft Aerts nog niet kunnen nagaan. Aan de technische haalbaarheid twijfelt de hoogleraar in elk geval niet. Maar het is wat hem betreft nog te vroeg voor een definitief standpunt. ‘Het hoogwater in Limburg was niet alleen uniek door de hoeveelheden water, maar door het feit dat het ’s zomers gebeurde. De computermodellen van Rijkswaterstaat zijn nog helemaal niet ingesteld op zomersituaties, wanneer rivierbeddingen veel dichter begroeid zijn dan in de winter, waar alle modellen nu nog vanuit gaan. Die zomerse situatie zorgt ongetwijfeld voor meer stuwing, en dus een hogere waterstand. Daar zul je toch rekening mee moeten houden.’

Aerts ziet het belang van natuurontwikkeling en van ‘groen’ voor de gezondheid van de mens, maar mist een totaalvisie op de ontwikkeling van Nederland de komende decennia. ‘Dat klinkt misschien oubollig, maar de vraag is hoe wij willen dat Nederland er in 2050 uitziet. Elke vierkante meter wordt bevochten met claims vanuit vele richtingen: energietransitie, landbouw, woningbouw, natuur, toerisme, en niet in de laatste plaats de toename van de bevolking. Nu maakt elke sector zijn eigen plan, en legt een claim neer zonder totaalvisie. Het plan Verticale ruimte voor de rivier is mooi, maar waar halen we de ruimte vandaan, nu we ook al een woningtekort van zo’n miljoen huizen hebben?’

Hoe redden we het klimaat voor 2030?

De komende tijd wil het WWF-NL benutten om met het plan ‘tegenspraak te organiseren’ bij ministeries, Rijkswaterstaat en andere betrokken instellingen. Rijkswaterstaat laat de snoeischaar voorlopig nog niet uit de handen vallen, zo blijkt uit een reactie. ‘Afgelopen jaren zijn er meerdere onderzoeksinstituten geweest die een ander licht wierpen op het waterbeleid rond rivieren. Rijkswaterstaat is terughoudend met het aanpassen van het huidige beleid. Het gaat tenslotte om de veiligheid van zeer veel mensen en misschien hebben we, op een regenachtige dag, die paar centimeters minder stuwing hard nodig’, zegt een woordvoerder.

Ook de geringe kosten die het plan zou vergen, overtuigt Rijkswaterstaat nog niet:

‘Het verstevigen van dijken, waarin ook de waterschappen een belangrijke rol spelen, is nu al een zeer complex proces, met planprocedures die op veel plaatsen al vergevorderd zijn. Besparingen op snoeien om die versteviging te betalen zien we niet direct verwezenlijkt. Van ons snoeibudget van 7 miljoen euro per jaar (de rest van de onderhoudspot is voor baggeren en opruimen) kun je de dijken ook niet verstevigen. Dat kost miljarden.’

Uiteindelijk is, zoals zo vaak, de beslissing aan de politiek. Haast is geboden, zegt Bas Roels van WWF-NL: ‘Wij hopen hiermee een bijdrage te leveren die snel tot resultaat leidt voor de biodiversiteit. Het urgentiebesef lijkt soms afwezig. We verliezen elk jaar biodiversiteit. Daar legt men zich nogal makkelijk bij neer. Jaren gaan verloren aan nadenken en juridische of politieke procedures. Voor je het weet ben je dan weer twintig jaar verder. Dat is te laat.’