Waarom Keniaanse boeren wél 21ste eeuwse maïs verbouwen

Door:  Wytze Marinus, Laurie van Reemst en Samuel Njoroge  

Foto's: Reuters  

Steeds meer boeren in Kenia zien gelukkig in dat moderne zadenrassen veel vruchtbaarder zijn dan lokale rassen die de boeren juist arm houden, aldus een groep onderzoekers van de Wageningen Universiteit. Ze reageren op een opiniestuk van Paul Hebinck. 

In zijn artikel op de Voedselzaak stelt Paul Hebinck dat nieuwe hybride maïsrassen in tegenstelling tot lokale rassen niet in het landbouwsysteem van boeren in West-Kenia passen. Dat was twintig tot dertig jaar geleden misschien waar, maar er is inmiddels veel veranderd – zowel wat betreft de beschikbare rassen als het landbouwsysteem en het landbouwonderzoek.

Hebinck stelt dat de boeren voornamelijk de voorkeur geven aan lokale rassen op basis van culturele gronden. Maïs is pas relatief kort een van de belangrijkste gewassen in Afrika. Het heeft zich ongeveer vanaf 1890, na de introductie van nieuwe rassen uit Latijns-Amerika, ontzettend snel verspreid in West-Kenia. Maïs brengt per hectare namelijk veel meer op in kilogrammen en in energie (kcal) dan de tot dan toe gangbare graangewassen, zoals sorghum. Vanaf 1890 zijn er pas allerlei culturele gebruiken ontstaan rondom het zaaien en oogsten van maïs in West-Kenia.

Hebincks argument over de culturele verschillen onderschat niet alleen het voedselprobleem, maar is vooral ook een gevaarlijke aanname die geen rekening houdt met de neergaande armoedespiraal waarin veel boeren zich bevinden. Wat wij tijdens ons veldwerk zien, is dat de boeren die wel het geld hebben voor de nieuwe rassen hun opbrengsten en voedselzekerheid wel degelijk verhogen. De vraag is dan ook wat er precies mis is met de nieuwe, meer productieve maïsrassen die hogere opbrengsten geven en door de boeren zelf ook al worden gebruikt.

Aan de lokale rassen zitten zeker voordelen, zoals de smaak en de gevoeligheid tegen vraat bij bewaring. Maar het is overdreven simplistisch om te stellen dat lokale rassen zonder betere bemesting en andere aspecten van een betere agronomie (zoals de plantafstand en het wieden) kunnen. Vroeger, toen er nog genoeg land beschikbaar was dat tussen het teelten door langere tijd braak kon liggen om te herstellen, konden boeren inderdaad toe met lokaal gebruikte, laagproductieve rassen met een minimaal gebruik van meststoffen. De lage opbrengst per hectare werd dan gecompenseerd door een groter areaal.

Tegenwoordig is echter door de hoge bevolkingsdruk, die sinds 1890 in West-Kenia drie tot vijf keer is toegenomen, minder land beschikbaar. Boerenbedrijfjes zijn kleiner en het land wordt constant bebouwd, waardoor het wordt uitgeput en de opbrengsten verminderen. Studies laten zien dat huishoudens in West-Kenia zo weinig produceren dat ze maar zeven maanden per jaar zelfvoorzienend zijn en vaak niet genoeg geld beschikbaar hebben om extra eten bij te kopen. Juist in het dichtbevolkte West-Kenia wordt daardoor het gebruik van hybriden en kunstmest steeds gangbaarder. Er zijn 21ste eeuwse rassen die populair zijn onder boeren, een redelijke opbrengst geven als het eens een seizoen minder regent en net zo snel groeien als ‘lokale rassen’.

Uit onze persoonlijke ervaring in West-Kenia blijkt dat boeren erg te spreken zijn over het ras DK8031. Dit omdat het hoge opbrengsten geeft, snel tot wasdom komt (in tegenstelling tot oudere hybride rassen) én grote korrels heeft, die gemakkelijk van de kolf te pellen zijn. Dit moderne hybride ras sluit daardoor goed aan bij de lokale omstandigheden waarin de maïs met de hand gepeld moet worden.

Voorwaarde voor dit soort nieuwe rassen is en blijft dat hun potentieel het beste wordt benut als ook de andere landbouwomstandigheden goed zijn. Al geldt dit in toenemende mate voor alle rassen, aangezien de bodemvruchtbaarheid achteruitgaat. Boeren zijn zich hier terdege van bewust. Ze kopen over het algemeen dus alleen hybride zaden als ze zich bijvoorbeeld ook kunstmest en arbeidskrachten kunnen veroorloven. Vergelijkingen van steekproefstatistieken bevestigen dat boeren die hybride rassen verbouwen vaak minder arm zijn. Of dit door de hybride rassen komt, is moeilijk te bewijzen. Wat het wel laat zien, is dat lokale, hergebruikte maïsrassen vaak een laatste optie zijn, waar vooral de armste boeren voor kiezen.

Daar zit voor ons de crux: lokale rassen en eigen, hergebruikte, zaden worden vaak gebruikt uit armoede en dus niet alleen omdat ze een betere smaak hebben of langer bewaard kunnen worden. Een optie die de boeren door de lage opbrengsten ook arm houdt: ze produceren niet genoeg om zichzelf te voeden, laat staan om inkomen te genereren.

Dat boeren in Afrika met landbouw niet genoeg verdienen, zien wij keer op keer terug. Zo vonden collega-onderzoekers in een Afrika-brede studie dat 37% van de boerenhuishoudens niet genoeg verdient om zich voldoende voedsel te kunnen veroorloven. Dit laat in onze ogen zien dat we huidige landbouwsystemen niet te veel moeten romantiseren door vooral op het culturele aspect van gewasproductie te focussen. Nieuwe maïsrassen alleen zijn namelijk ook niet dé oplossing. Daarom werken wij aan een geïntegreerde aanpak waarin bijvoorbeeld ook naar bemesting en verandering van landbouwsystemen wordt gekeken (eventueel via overheidsinterventies en hogere afnameprijzen).

We moeten kritisch blijven kijken naar ontwikkelingsonderzoek en het advies dat aan boeren wordt gegeven. Wij zijn de eersten die dat toegeven. Het is echter nóg belangrijker dat we ook genuanceerd blijven, onze kritiek met feiten onderbouwen en open blijven staan voor andere visies en een veranderde realiteit. In die veranderende realiteit zullen moderne, hybride, maïsrassen een belangrijke plaats innemen. Dat laten boeren in West-Kenia nu al zien. Daar heb je inderdaad geen westerse onderzoekers voor nodig.

Wytze Marinus (promovendus, WUR, Plantaardige productie systemen groep), Laurie van Reemst (onderzoeker, WUR, Wageningen Environmental Research) en Samuel Njoroge (promovendus, WUR, Plantaardige productie systemen groep en het International Plant Nutrition Institute).