Ontwikkelingsgeld moet niet naar de Nederlandse kweker in Kenia, maar naar de lokale boer

Door:  Hugo Hooijer  

Foto's: Abbie Trayler Smith  

Nederland staat voor een ethische en politieke keuze: ondersteunen we de Nederlandse bloementeler die in Kenia een grote kwekerij begint en zo werkgelegenheid creëert, of de zelfstandige, kleinschalige Afrikaanse boerin? Kies voor het laatste, betoogt Hugo Hooijer van Oxfam Novib.

Nederland is een speler van wereldformaat in de landbouw. De totale waarde van de Nederlandse export van landbouwproducten was 92 miljard euro in 2017. Nederland is daarmee de op-een-na-grootste landbouwexporteur ter wereld, na de VS. Dat zijn we vooral dankzij de enorme import van grondstoffen en de toenemende industrialisering van de landbouw. Nederland exporteert vooral veel bloembollen, zuivel en vlees. En daarnaast brengen we onze kennis van industriële landbouw wereldwijd aan de man.

Maar Nederland speelt ook een andere rol op het wereldtoneel, namelijk die van donor aan ontwikkelingslanden. Jaarlijks besteedt de Nederlandse regering circa 350 miljoen euro aan het verbeteren van de voedselsituatie in ontwikkelingslanden. Investeringen van rijke landen in voedselproductie in armere landen zijn keihard nodig.

Voldoende voedsel is er nog lang niet overal. Integendeel, de honger in de wereld neemt toe. De FAO - de landbouworganisatie van de VN - luidde recent de noodklok: voor het eerst in tien jaar tijd is er weer een stijging van het aantal hongerige en ondervoede mensen in de wereld. In 2017 waren er 820 miljoen mensen structureel ondervoed. In 2016 waren dat er 790 miljoen. Deze trend kan alleen gekeerd worden door meer voedsel te produceren op de plekken waar dit het hardst nodig is, zoals in Nigeria, Jemen, Zuid-Sudan en Ethiopië. In deze regio’s wordt het grootste deel van het voedsel geproduceerd door lokale boeren. Wereldwijd voeden 500 miljoen kleinschalige boeren de monden van de twee miljard armste mensen.

Kiemplantjes

Bertukan Girma is zo’n boerin in Kentery, een dorpje in Ethiopië. Haar bedrijf kan gerust kleinschalig genoemd worden: de oppervlakte is niet groter dan een ruime achtertuin. Het gebied rond Kentery is droog, waardoor landbouw doorgaans weinig oplevert. Toch weet Bertukan met haar kleine stukje grond een inkomen te verdienen. Met onze hulp werd er een waterpomp in haar tuin geïnstalleerd. Nu teelt ze kiemplantjes die ze doorverkoopt aan grotere boerderijen. Van de opbrengst van haar eerste oogst kocht ze een nieuw dak voor haar huis. Van haar tweede winst kocht ze een koe. Zo breidt haar kleine bedrijfje steeds verder uit, levert ze een bijdrage aan de ontwikkeling van het lokale bedrijfsleven en aan de lokale gemeenschap. Door haar productiviteit is er meer voedsel beschikbaar in een gebied waar niet iedereen altijd voldoende te eten heeft.

De manier waarop het voor voedsel en landbouw bestemde ontwikkelingsbudget wordt besteedt, komt niet altijd ten goede aan de boeren die dit het hardst nodig hebben. Zo besteedt Nederland ieder jaar meer geld aan steun voor Nederlandse bedrijven die actief willen worden in ontwikkelingslanden: van drie procent van het voedselbudget in 2006 naar elf procent in 2015. Neem bijvoorbeeld de bloementelers die in Kenia en Ethiopië met hulpgeld hun bedrijven opzetten. Is dat dan slecht? Het idee is dat de lokale werkgelegenheid toeneemt. Maar dit soort projecten hebben vrijwel geen aantoonbare impact op de lokale voedselvoorziening. Je kunt je voorstellen dat deze impact in sommige gevallen zelfs negatief zal zijn, want de teelt van bloemen kost veel water, neemt kostbare landbouwgrond in beslag en het overmatig gebruik van bestrijdingsmiddelen vervuilt de omgeving.

Winsten naar Nederland

Nederland staat voor een ethische en politieke keuze: ondersteunen we de Nederlandse bloementeler die in Kenia een grote kwekerij begint of de zelfstandige, kleinschalige Afrikaanse boerin? We kunnen onze euro maar één keer uitgeven. Kleinschalige boeren zoals Bertukan gaan geen grote winsten maken die terugvloeien naar Nederland, zoals de bloementelers. Maar zij verminderen wel honger en ondervoeding, want zij gaan voedsel produceren op die plekken waar dit het hardst nodig is. En ze maken winst, die ze vervolgens zelf kunnen investeren in hun bedrijf of gezin. Kleinschalige boeren staan daarmee ook aan de basis van de ontwikkeling van het bedrijfsleven in armere landen.

De stap die Bertukan gemaakt heeft, lijkt misschien klein. Maar het is precies wat Afrika nodig heeft: kleinschalige boeren die met eenvoudige, goedkope technieken of kennis de productie op hun bedrijven verhogen. Bedrijven die zij zelf bezitten, op land dat zij zelf bewerken, met middelen waar zij zelf over beslissen. De Afrikaanse landbouw moet binnenkort vier miljard monden voeden. Of dat lukt, is afhankelijk van de mate waarin kleinschalige boeren worden gesteund om hun productie te verhogen. Rijke landen zoals Nederland moeten in hen investeren.

Hugo Hooijer is lobbyist bij Oxfam Novib. Hij houdt zich bezig met landbouwinvesteringen en kleinschalige boerenbedrijven in ontwikkelingslanden.