Nederlandse landbouw is helemaal geen lichtend voorbeeld voor de wereld

Door:  Jaap Schröder   Hans van Grinsven   Jules Bos   Hein ten Berge   Bert Smit   Jan Willem Erisman  

Meer eenvoud, grutto’s en gezondheid wegen op tegen de extra kosten van inclusieve landbouw.

In zijn column van 25 januari acht Bert Wagendorp de meeste boeren inherent frauduleus ten aanzien van mest: bedonderen van de overheid als volkssport. Niet als excuus bedoeld, maar hebben wij met zijn allen van die landbouw niet ook zelf een zooitje gemaakt? ‘This tiny country feeds the world’, kopte National Geographic desondanks in november 2017. Velen zien de Nederlandse manier van landbouw daarom als een lichtend voorbeeld voor de rest van de wereld.

Diezelfde landbouw deed vogelsoorten als patrijs, grutto en veldleeuwerik in vijftig jaar tijd met meer dan 70 procent afnemen. Schaalvergroting liet behalve boeren ook fraaie cultuurlandschappen verdwijnen omwille van efficiëntie. In combinatie met een hoog gebruik van inputs, is ook een efficiënte landbouw echter nog altijd milieubelastend. Denk aan de deken van weggelekte meststoffen waar de Nederlandse natuur onder gebukt gaat.

Perverse prikkel

Van de zucht naar efficiëntie gaat bovendien een perverse prikkel uit. Ze dwingt boeren om zoveel mogelijk kilo’s te produceren, ook al gaat een hoge benutting van bijvoorbeeld land daarbij ten koste van de benutting van meststoffen. Minder efficiënte of meer vervuilende aspecten van het productieproces worden bovendien aan volgende generaties of aan bedrijven elders overgelaten. De aldus gespecialiseerde en deels zelfs grondloze bedrijven worden in dat geval alleen ogenschijnlijk efficiënter dan het voedselproductiesysteem als geheel of op termijn.

Landbouw in Nederland doet gaandeweg in alles denken aan de klassieke circusact waarbij de artiest in kwestie vele draaiende schoteltjes tegelijkertijd in de lucht moet zien te houden. De prijs die de boer daarvoor betaalt, bestaat uit lage marges, dure kennis, geleend geld en overheidscontrole. Een tot ongelukken gedoemde prestatie getuige fraudes, ruimingen van vee, preventief gebruik van antibiotica, resten van gif in voer en voedsel en een diep gefrustreerde boerenstand.

Milieueconomen stellen dat een betere verrekening van de kosten en baten van een schoner milieu, meer biodiversiteit, gezondheid en een fraai landschap tot een minder intensieve landbouw kunnen leiden. We vrezen desondanks dat zo’n meer inclusieve verrekening van kosten en baten de landbouw niet vanzelf zal veranderen. Weerstand vanuit gevestigde belangen, gemakzucht en het feit dat we het verleerd zijn om zaken in een groter verband te wegen, beletten die transitie.

Van het meeste Nederlands graan wordt geen brood gemaakt maar veevoer

De grote uitdaging is de consument en kiezer te overtuigen dat meer eenvoud, meer grutto’s, meer menselijke maat, meer gezondheid en minder ‘circus’ ruimschoots opwegen tegen de extra kosten. Transities beginnen met de bereidheid om op zijn minst de kosten en baten van zo’n inclusieve landbouw financieel door te rekenen. Op basis van aldus verkregen wisselkoersen kunnen vervolgens acties gedefinieerd worden.

Maar moeten wij dan niet de hoogst haalbare opbrengsten realiseren om ook mensen buiten Nederland te voeden en daar landbouwgrond uit te sparen ten gunste van lokaal natuurbehoud? Dat argument is om diverse redenen grotesk. Van het meeste Nederlands graan wordt geen brood gemaakt maar veevoer.

Een belangrijk deel van onze veelgeprezen export bestaat bovendien uit luxeproducten en die hebben met de bestrijding van honger elders in de wereld weinig van doen. Of we mondiaal voldoende mensen duurzaam kunnen voeden en natuurgebieden sparen, zal dan ook niet afhangen van de laatste kilogrammen gewas die we in dat kleine beetje Nederland weten te oogsten. Wel van het succes waarmee we de laag-productieve landbouw in ontwikkelingslanden naar een hoger peil tillen.

Laten we daarom nadenken over een Nederlandse landbouw die niet louter gefixeerd is op kilo’s en efficiëntie. Laten we accepteren dat onze boeren onmogelijk kunnen concurreren met hun collega’s in Nieuw Zeeland of Brazilië. En dat we daar dus wat voor moeten betalen. Laat de Nederlandse landbouw gerust een voorbeeld zijn, maar dan een voorbeeld van hoe een patiënt van zijn meervoudige kwalen en chronische medicijngebruik kon afkomen.

Jaap Schröder, landbouwkundige, Wageningen, Hans van Grinsven, landbouwwetenschapper, Jules Bos, landbouwkundige, Vogelbescherming, Hein ten Berge, landbouwkundige, Wageningen, Bert Smit, landbouwkundige, Jan Willem Erisman, hoogleraar Integrale stikstofstudies, VU Amsterdam