Markt lost ondervoeding niet op

Door:  Ellen Mangnus  

Foto's: Frederic Noy  

Ontwikkelingsgeld is nog nooit zo voorwaardelijk en eenzijdig ingezet als tegenwoordig. Niet hulp, maar handel, is het idee in Den Haag. Maar dat lost het voedselzekerheidsprobleem niet op, stelt onderzoeker Ellen Mangnus.

We zijn in Tharaka Nithi county, centraal Kenia. Tussen bananenbomen en koffiebomen strekken rijen sperzieboontjes zich uit – een ongewoon gezicht in het Afrikaanse landschap. Mount Kenya tekent met haar witte top een schitterend decor.

Dit is het werkterrein van BOON, een Nederlands-Keniaans bedrijf dat sperziebonen inkoopt van kleine boeren en exporteert naar Europa. Met steun van de Nederlandse overheid worden de boeren getraind in het telen van sperziebonen. Zo wil BOON bijdragen aan lokale voedselzekerheid. Daarmee is het een goed voorbeeld van het type bedrijven dat de Nederlandse overheid afgelopen jaren ondersteund heeft.

Sinds 2010 is ontwikkelingssamenwerking via de private sector een belangrijke pijler van het Nederlandse beleid. Ondernemingen zijn de motor van de vooruitgang, is het idee in Den Haag. Niet hulp, maar handel. De overheid biedt subsidieregelingen om bedrijven te stimuleren een bijdrage te leveren aan lokale ontwikkeling en voedselzekerheid.

De Volkskrant besteedde via de Voedselzaak afgelopen maanden aandacht aan verschillende projecten die hulp en handel combineren. Boeren in Senegal telen nu uien van Nederlands superzaad, hun Keniaanse collega’s krijgen grondanalyses en bemestingsadvies op maat vanuit Wageningen, Mozambique produceert gecertificeerde duurzame soja en vrouwen in Rwanda hebben nu een afzetmarkt voor hun mais.

Toch moet ik een paar kanttekeningen plaatsen bij deze manier van bijdragen aan voedselzekerheid. Terug naar de boontjes in Kenia. Voor het produceren van sperziebonen blijkt irrigatie noodzakelijk. Alleen de rijkere boeren in de gemeenschap beschikken daarover. Hun armere collega’s zijn dus bij voorbaat uitgesloten van de mogelijkheden die BOON biedt. Kunnen we dit het bedrijf verwijten? Natuurlijk niet; dat zoekt naar kwalitatief goede boontjes en moet winstgevend zijn in een concurrerende markt.

Bij bijna alle investeringen zien we hetzelfde: de ondernemer bepaalt wat er gaat gebeuren

Maar wordt ons ontwikkelingsgeld zo wel doelmatig ingezet? Als we willen bijdragen aan voedselzekerheid, moeten we dan niet juist inzetten op de meest kwetsbare mensen?

De indruk die gewekt wordt is dat handel berust op gelijkwaardigheid, in tegenstelling tot hulp waarbij de lokale partij afhankelijk is van de donateur. Handel gebeurt op gelijke voet en leidt tot win-winsituaties voor iedereen. In de praktijk blijkt dit helemaal niet het geval. Bij bijna alle investeringen zien we hetzelfde: de ondernemer bepaalt wat er gaat gebeuren. Indien de mensen ter plekke aan de eisen kunnen voldoen kunnen zij leverancier of consument worden.

Ondervoeding wordt nu door de markt op zo’n wijze geproblematiseerd dat het investerende bedrijf er een oplossing voor kan bieden. Een zadenbedrijf zal stellen dat de oorzaak van voedseltekort zit in weinig productieve zaden, volgens een voedingsgigant komt ondervoeding door eenzijdige maaltijden.

Zelden wordt de lokale bevolking gevraagd wat volgens haar de oplossing voor het voedseltekort is. Stel dat de gemeenschap het een probleem vindt dat ze geen koelkasten heeft, of dat ze in plaats van vitamine A-gefortificeerde gortepap, liever appels in de lokale winkel zou hebben?

Ontwikkelingsgeld is nog nooit zo voorwaardelijk en eenzijdig ingezet als vandaag de dag.

We gaan weer terug naar Kenia. Want daar wordt nu ook geklaagd door de (relatief rijkere) boeren die deelnemen aan het programma van BOON. De zaden die ze eerder van BOON kregen, moeten ze nu betalen en daar hebben ze het geld niet voor.

  Zelfs de boeren die boontjes produceren, lijden honger

Hoewel het idee heerst dat de private sector efficiënter is dan hulporganisaties, laat de praktijk het tegenovergestelde zien. Vaak is subsidie nodig voor het ontplooien van activiteiten die de lokale bevolking ook op de lange termijn ten goede komen, bijvoorbeeld trainingen of lokale opslag. Zodra de subsidie ophoudt, vallen ook deze diensten weg. De samenwerking tussen het bedrijf en de boeren komt dan onder druk te staan.

Wat ontdekken we nog meer? Zelfs de boeren die boontjes produceren, lijden honger. De mais die ze voor eigen consumptie teelden, hebben ze ingeruild voor sperziebonen die lokaal niet gegeten worden. Het hogere inkomen dat ze daarmee verdienen, stelt hun niet in staat voedsel te kopen; de lokale markt biedt sinds de komst van BOON ook geen mais meer.

Door boeren aan de markt te verbinden hebben ze zelf nog geen toegang tot betere voeding

Het merendeel van Nederlandse investeringen zet in op verhogen van lokale productiviteit en verbeteren van kwaliteit. Ondervoeding wordt gezien als een technisch probleem. Geef de boeren een smartphone met een weervoorspellings-app en ze zullen geen honger meer lijden. Verbind de armen aan de markt en hun levensomstandigheden zullen verbeteren. Maar ondervoeding is veel complexer dan dat.

Een grootschalige evaluatie van het Nederlandse voedselzekerheidsbeleid stelde dat bedrijven bijdragen aan verbeterde productiviteit en inkomen, maar dat positieve effecten op voedselzekerheid niet aan te tonen zijn. Door boeren aan de markt te verbinden hebben ze zelf nog geen toegang tot betere voeding, laat staan goede gezondheidszorg of kennis over voeding.

Nederlandse bedrijven, hun technologie en kennis zijn belangrijk voor het voeden van de wereld in de toekomst. Maar minstens zo belangrijk is het verdelingsvraagstuk; wat gebeurt er op lokale markten en hoe zorgen we dat iedereen toegang tot goede voeding krijgt. Laten we daar ons ontwikkelingsgeld op inzetten.

Ellen Mangnus is postdoctoraal onderzoeker aan de Universiteit Utrecht. Daar coördineert ze het Follow the Food programma, dat de effecten van de Nederlandse agri-business op lokale voedselzekerheid in Ethiopië, Ghana en Kenia onder de loep neemt.