Internationale landbouwinvesteringen doen Ethiopiërs meer kwaad dan goed

Door:  Ivo de Klerk  

Foto's: AFP  

De afgelopen jaren groeide de hoeveelheid internationale landbouwinvesteringen snel. Goed nieuws, zou je zeggen. Maar wie er ook de vruchten van plukken, arme Ethiopiërs zijn het niet, schrijft student Ivo de Klerk. 

Landbouw in ontwikkelingslanden is lang gezien als een veld waar je als investeerder beter weg kunt blijven. Tot in 2007 de voedselprijzen omhoogschoten en bleek dat er wel degelijk geld te verdienen is. Het gevolg was een ongekende investeringsgolf. De cijfers liegen er niet om: in 2006 bezaten internationale investeerders slechts 1 miljoen hectare landbouwgrond, in 2016 was dit 24 miljoen hectare.

Sommigen bekritiseren deze investeringen als landroof. Maar ze worden vooral als kans gezien. Zo noemt de FAO, de Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN, gebrek aan investeringen een van de grote problemen van de landbouw in ontwikkelingslanden. Maar is dat ook zo? Ethiopië is een land dat vol heeft ingezet op het aantrekken van landbouwinvesteringen. Toch blijkt de bijdrage van de investeringen aan voedselzekerheid niet zo vanzelfsprekend als het lijkt.

Ethiopië is een prachtkandidaat voor landbouwinvesteringen. Het is een van de armste landen ter wereld en er hebben veel hongersnoden plaatsgevonden. Hoewel het land een snelle economische groei doormaakt, blijven grote delen van de bevolking afhankelijk van voedselhulp.

De Ethiopische landbouw bestaat vooral uit kleinschalige, grotendeels zelfvoorzienende boeren. Maar daarnaast is er een groeiend aantal grootschalige boerderijen, opgezet door investeerders. De Ethiopische overheid moedigt dit aan. Zo was er in 2011 al 3,6 miljoen hectare landbouwgrond opzijgezet voor deze investeerders, bijna de oppervlakte van Nederland. In de toekomst zal dit 11,6 miljoen hectare worden.

Er zijn goede redenen om dit te doen. De grootschalige boerderijen exporteren hun oogst naar het buitenland. Zo brengen ze inkomsten binnen die de Ethiopische economie hard nodig heeft. Ook zouden ze werkgelegenheid brengen en zorgen voor de verspreiding van moderne landbouwtechnieken. Bovendien schaden de nieuwe boerderijen niemand, zo garandeert de Ethiopische overheid. Ze worden alleen gebouwd op land dat niet in gebruik is. Zo wint iedereen: de investeerders hebben winst, de overheid heeft inkomsten en de lokale bevolking krijgt werk en voedselzekerheid. Tot zover klinken de investeringen inderdaad als een grote kans voor de Ethiopiërs. Helaas blijkt er in werkelijkheid weinig van dit mooie plaatje te kloppen.

De Ethiopische overheid krijgt wel inkomsten van de landbouwinvesteringen, maar nog niet veel. Dat komt doordat investeerders de eerste jaren belastingvoordelen krijgen en grondprijzen betalen van maar 1 dollar per hectare per jaar. Dat zijn zo’n zes voetbalvelden voor de prijs van een kop koffie bij de Starbucks. Ook van het tweede voordeel, de werkgelegenheid, komt weinig terecht. Investeerders betalen liever voor tractors dan voor arbeiders. Het kleine aantal banen dat wel gecreëerd wordt, is onzeker en seizoensgebonden.

Gebakken lucht

Hoe zit het dan met het andere beloofde voordeel, het delen van landbouwtechnieken? Dat is moeilijker te zeggen, maar er zijn wel kanttekeningen bij te plaatsen. Grootschalige bedrijven die gespecialiseerd zijn in één exportgewas produceren op heel andere manieren dan de lokale boeren. Misschien kunnen ze wat kunstmest delen. Maar kan een kleine boer echt iets leren van zijn buurman die op een tractor rondrijdt?

De beloofde voordelen van de landbouwinvesteringen blijken dus gebakken lucht. Maar ook de laatste belofte wordt gebroken: de lokale bevolking ondervindt er wel degelijk schade van.

Al dat ongebruikte land dat naar investeerders gaat, blijkt vaak wel degelijk in gebruik te zijn. In Ethiopië is al het land van de staat en zijn de rechten van de lokale bevolking slecht beschermd. Vooral herders ondervinden daar nu problemen van. Land dat zij altijd gebruikten, is ineens niet meer toegankelijk.

De huidige investeringen doen niets om de lokale bevolking aan voedsel te helpen

Daarnaast probeert de overheid actief land vrij te maken voor investeerders. Dat gebeurt met het Commune Development Program. Officieel verplaatst dit programma mensen op vrijwillige basis naar dorpen, waar ze voorzieningen krijgen als schoon drinkwater en scholen. Maar de bewijzen stapelen zich op dat het programma niet vrijwillig is en er van de beloofde voorzieningen weinig terechtkomt. Al meer dan anderhalf miljoen Ethiopiërs zijn door de overheid verplaatst en hebben daarmee hun oude bestaansbronnen verloren. Anderen zijn delen van hun weidegronden kwijt, waardoor ze kwetsbaarder zijn geworden voor tegenslag. De gevolgen hiervan waren te zien in 2016, toen Ethiopië getroffen werd door droogte. Ondanks – of misschien deels wel door – alle investeringen in de landbouw brak er opnieuw een grote voedselcrisis uit.

Natuurlijk is het niet zo dat alle Ethiopiërs zonder de internationale investeringen wel een goed bestaan hadden gehad. Veel Ethiopische boeren en herders leven in armoede en kunnen amper of niet in hun eigen levensonderhoud voorzien. Maar de huidige investeringen doen niets om de lokale bevolking aan voedsel te helpen. Sterker nog, ze maken de situatie alleen maar slechter.

De bijdrage van internationale landbouwinvesteringen aan het voedselvraagstuk lijkt zo vanzelfsprekend. Wie honger op wil lossen, moet voedsel produceren. En hoe kan dat beter dan door geld te investeren in arme landen? Maar Ethiopië laat zien dat de werkelijkheid ingewikkelder is. Dat de investeringen in Ethiopië plaatsvinden, betekent niet dat arme Ethiopiërs er de vruchten van plukken. Voor hen zijn de investeringen niet meer dan een verbroken belofte.

Ivo de Klerk is student Environmental Sciences met een specialisatie in milieubeleid aan Wageningen University.