Europa moet naar zichzelf kijken om Afrika vooruit te helpen

Door:  Niek Koning  

Foto's: Sven Torfinn  

De discussie over landbouw in Afrika moet niet gaan over technieken, maar over een vernieuwend landbouwbeleid en de wijze waarop Europa ontwikkeling belemmert. Dit betoogt gepensioneerd landbouweconoom Niek Koning.

Ruim tien jaar geleden dachten bevolkingsexperts nog dat de bevolking van Afrika eind deze eeuw 2,3 miljard zielen zou bedragen. Inmiddels hebben ze hun verwachting verdubbeld. Van elke vijf aardbewoners zullen er straks twee in Afrika leven. Intussen kan de economische groei in Afrika de bevolkingsexplosie nauwelijks bijbenen. Het continent is gevangen in een vicieuze cirkel. Veel huishoudens zijn arm, wat kinderen belangrijk maakt als goedkope arbeidskrachten en oudedagsverzekering. Maar door de grote kinderrijkdom gaat de economische groei grotendeels op aan het voeden van meer monden.

Een halve eeuw geleden zag je zo’n vicieuze cirkel vooral in Azië, maar daar heeft de economie zich intussen sterk ontwikkeld. Het percentage mensen met honger en extreme armoede is afgenomen en de bevolkingsgroei fors verminderd. Dat wil niet zeggen dat Azië in een paradijs is veranderd. Het ging om een kapitalistische ontwikkeling, waarin arme boeren hun land verloren en vertrokken naar smerige sloppenwijken in de steden. Toch heeft dit de vicieuze cirkel in Azië verbroken en het continent gered van de afgrond waar het op af leek te stevenen. De ontwikkeling begon met de invoering van eenvoudige maar doeltreffende vernieuwingen in de landbouw – niet zozeer door grootgrondbezitters maar door iets welgesteldere boeren. Dat doorbrak de armoedecultuur en het algemene gebrek aan koopkracht, en schiep ruimte voor snelle industrialisering waardoor de onderlaag van de bevolking beter betaald werk kreeg.

De economische startmotor werd dus gevormd door vernieuwingen in de landbouw. Maar die agrarische startmotor sloeg niet vanzelf aan. De landbouwprijzen waren laag en instabiel, en grote ondernemingen vonden de landbouw te onrendabel. Vernieuwingen waren slechts mogelijk doordat de overheid boeren hielp door voor wegen, irrigatie, krediet en lonende prijzen te zorgen. In de koloniale tijd was daar geen ruimte voor. De westerse mogendheden steunden hun eigen boeren, maar onderwierpen hun koloniale invloedsferen aan vrijhandel en bezuinigingen. Pas na de dekolonisatie stonden ze nieuwe nationale regeringen toe een actief landbouwbeleid te voeren.

In Azië is die ruimte benut; in Afrika niet. Anders dan Azië had Afrika nog vooral tribale maatschappijen. Brede boerenbewegingen kwamen er niet van de grond, en politici moesten primair hun etnische achterban te vriend houden. Daardoor ontstond geen actief landbouwbeleid en bleef de economische groei achter bij stijgende overheidsuitgaven. Vanaf de jaren tachtig raakten Afrikaanse regeringen in een ernstige schuldencrisis. In dezelfde periode sloeg de sociaaldemocratische wind in het Westen om in neoliberale richting. Net als in de koloniale tijd probeerden westerse mogendheden arme landen tot bezuinigingen en vrijhandel te dwingen. Azië was economisch sterk genoeg geworden om de druk te weerstaan, maar Afrika moest smeken om noodleningen en werd gedwongen de neoliberale gifbeker te drinken. Plattelandswegen werden niet meer onderhouden, agrarische overheidsinstellingen ontmanteld, kunstmestsubsidies afgeschaft en invoerrechten die boeren beschermden tegen goedkope importen verlaagd. Daardoor konden Afrikaanse boeren onvoldoende investeren in de duurzame intensivering die nodig was om de groeiende bevolkingsdruk op het land op te vangen. Afrika raakte gevangen in de vicieuze cirkel van onderontwikkeling en explosieve bevolkingsgroei waaraan Azië ontsnapt was.

De consequenties zijn des te ernstiger omdat de vooruitzichten op de wereldmarkten sterk zijn veranderd. In de eerste naoorlogse periode werd de mondiale landbouwproductie opgestuwd door kunstmest, irrigatie en nieuwe rassen met hoge opbrengst. Acute voedseltekorten in Azië konden op korte termijn worden opgevangen door goedkope importen. Maar de afgelopen decennia is er wereldwijd bezuinigd op landbouwkundig onderzoek, en is er te weinig geïnvesteerd in energie en materialen die onafhankelijk zijn van organische stoffen. Als het gebruik van fossiele brandstoffen straks vermindert, kan de vraag naar biomassa en biomaterialen sterke prijsstijgingen op de wereldvoedselmarkten veroorzaken. Wanneer er dan in Afrika acute tekorten ontstaan kan voedsel onbetaalbaar worden voor honderden miljoenen Afrikaanse armen. Dat kan tot een sociale explosie en enorme vluchtelingenstromen richting Europa leiden.

Intussen vliegen wij elkaar hier in de haren over de technieken die de Afrikaanse landbouw zou moeten gebruiken. Sommigen zweren bij grote hoogtechnologische bedrijven, anderen bij kleine boeren met agro-ecologische methoden en een minimaal gebruik van kunstmest. Vergelijkbare discussies zijn destijds over Azië gevoerd door koloniale agronomen. Net als toen hebben de gesprekspartners een blinde vlek voor waar het werkelijk aan schort: een actief landbouwbeleid dat boeren helpt hun productie te verbeteren. Degenen die zich bij ons druk maken over de vorm die de landbouwontwikkeling in Afrika moet aannemen, kunnen hun pijlen beter richten op de manier waarop Europa die ontwikkeling belemmert. Namelijk door Afrika vrijhandelsverdragen – ‘partnerschaps­overeenkomsten’ – op te dringen die een actief landbouwbeleid in de weg staan.

Niek Koning is gepensioneerd landbouweconoom en auteur van Food security, agricultural policies and economic growth.