Een agroecologische evolutie is beter voor Afrika dan een ecomodernistische revolutie

Door:  Henkjan Laats  

Foto's: ANP  

De agroecologische landbouwevolutie die uitgaat van lokale omstandigheden en kennis, maar ook openstaat voor technische verbeteringen is het antwoord op het wereldwijde voedselvraagstuk, betoogt Henkjan Laats. 

Het is goed dat de Volkskrant gedurende een jaar middels het journalistieke project ‘Voedselzaak’ aandacht geeft aan de complexe vraag ‘hoe Afrika zorgt dat het meer voedsel gaat produceren en minder afhankelijk wordt van import en buitenlandse multinationals’. Helaas zorgen de eerste artikelen over Senegal en Oeganda, en het interview met Louise Fresco, voor een valse start.

De nadruk van de artikelen ligt op het promoten van een Afrikaanse ‘ecomodernistische’ landbouwrevolutie. Deze zal de afhankelijkheid van buitenlandse multinationals niet doen afnemen, want ze is volledig afhankelijk van zaken als zaden en kunstmest die geleverd worden door multinationals. Het is ook een belangrijke inkomstenbron voor wetenschappelijke instituten als de Wageningen Universiteit, waar Louise Fresco bestuursvoorzitter van is. De Afrikaanse landbouwexperts die ik ken uit het mondiale AgriculturesNetwork en de Agricultural Biodiversity Community zien de Afrikaanse landbouwrevolutie juist als één van de grote veroorzakers van veel van de huidige landbouwproblemen in Afrika.

Ik begrijp dat deze beschuldiging bij veel mensen vreemd overkomt. Afrika is het continent waar de meeste honger is, en de resultaten van de zogenoemde mondiale landbouwrevolutie die tweehonderd jaar geleden in Europa is begonnen zijn spectaculair te noemen. Dankzij het gebruik van kunstmest, pesticiden en geavanceerde landbouwtechnieken zijn landbouwopbrengsten verveelvoudigd.

Echter, de problemen van deze ‘revolutie’ zijn ook gigantisch: landbouwgronden zijn verschraald, de agrobiodiversiteit is afgenomen, er zijn veel minder boeren, er is een enorme afhankelijkheid van subsidies en multinationals, en agrarische arbeiders en boeren uit goedkope productielanden worden uitgebuit.

Daarnaast is de landbouwrevolutie niet duurzaam, ze is bijvoorbeeld volledig afhankelijk van fosfaat: een grondstof die over een aantal decennia niet meer voorhanden zal zijn. De negatieve consequenties van een landbouwrevolutie in Afrika zijn waarschijnlijk nog veel ernstiger dan in Europa en Azië, omdat het gepaard gaat met massale landroof en de introductie van genetisch gemanipuleerde gewassen waardoor de boeren voor hun zaad afhankelijk worden van multinationals als Monsanto.

Evolutie, geen revolutie

De ‘ecomodernistische’ landbouwrevolutie impliceert dat we in korte tijd tot een oplossing voor het voedselprobleem kunnen komen door het verleden van ons af te schudden en door een moderne utopie te omarmen. Parallel aan de landbouwrevolutie, is gebleken dat de agroecologische landbouwevolutie die uitgaat van lokale omstandigheden en kennis, maar ook openstaat voor technische verbeteringen, eenzelfde productieverhoging kan realiseren, die wel duurzaam is en die familiebedrijven een goed inkomen kan bezorgen. Op dit moment wordt wereldwijd 70 procent van de landbouwproductie door deze sector verzorgd.

Voor de agroecologische evolutie zijn transparante en duurzame producent-cliënt-ketens essentieel. In deze directe ketens wordt ‘basis’ voedsel zoveel mogelijk lokaal geproduceerd, komt ‘speciaal’ voedsel uit buurlanden, en ‘exclusief’ voedsel uit andere continenten.

Op dit moment importeert Nederland bulkgoederen zoals soja en palmolie uit Afrika en andere continenten, met enorme milieugevolgen, relatief lage inkomsten en minder voedselzekerheid voor de lokale bevolking. We zouden dus juist de nadruk op de import van ‘speciale’ goederen moeten leggen, zoals écht duurzame en eerlijke cacao, koffie, en thee; en tegelijkertijd het vergroten van voedselproductie met agroecologische middelen en het creëren van grotere binnenlandse markten voor lokale producten moeten steunen.

Het eerste ‘Voedselzaak’ artikel in de Volkskrant met het verhaal van een Nederlandse firma die in Senegal sperziebonen voor Europa produceert klinkt mooi, maar is helaas inherent niet duurzaam, en geeft geen lange termijn oplossing voor de boeren en consumenten in Senegal.

Gelukkig zijn er heel veel hoopvolle ontwikkelingen gaande die wel duurzame oplossingen geven voor het voedselprobleem. Een succesvol voorbeeld van de agroecologische landbouwevolutie is de methodologie System of Rice Intensification (SRI). Hierdoor kunnen boeren met minder water, zaad, chemicaliën en meestal ook minder arbeid een oogstverhoging van 20 tot 50 procent bereiken. SRI omhelst maatregelen als het planten van jongere zaailingen met grotere onderlinge ruimtes, regelmatig mechanisch wieden van onkruid, grond die niet onder water staat maar wel genoeg vocht heeft, en het organisch handhaven van een gezonde bodemgesteldheid. De stijging van de opbrengst zorgt voor voedselzekerheid en gezondere voeding, en geeft een enorme impuls aan de boereninkomens. Na het grote succes in de rijstteelt zijn er nu wereldwijd duizenden boeren die de SRI principes toepassen op gewassen als tarwe, mais, sorghum, millet, groentes en knolgewassen.

In de voedseldiscussie gaan de argumenten van de voorstanders van de ecomodernistische landbouwrevolutie vooral over de noodzaak om met wetenschappelijke verbeteringen binnenkort tien miljard mensen te kunnen voeden. Dit is een schandalige simplificatie van een complex probleem.

Met onze huidige kennis kunnen we de wereld voeden met industriële landbouw die vooral voordelig is voor multinationals, kennisinstituten en grote boeren. Maar we kunnen de wereld ook voeden met duurzame agroecologische ‘familielandbouw’, die zich niet alleen ontwikkelt met behulp van kennisinstituten, maar ook dankzij lokale boerenkennis en de uitwisseling van ervaringen. Dit is een ethische en politieke keuze. Als we het aan het 'grote geld’ overlaten zullen multinationals als Monsanto die het meeste profijt hebben van de landbouwrevolutie ervoor zorgen dat de Afrikaanse boeren het nog moeilijker krijgen. Ook zal onze fosfaatvoorraad nog eerder opraken, zodat er een catastrofale voedselcrisis ontstaat, die veel verder gaat dan het huidige probleem van een ongelijke verdeling.

Henkjan Laats is agroecoloog en directeur van Cross Cultural Bridges.