Waar stad en land elkaar ontmoeten kunnen we de wereld voeden

Door:  Joris Lohman  

Foto's: Raymond Rutting  

Nederlandse boeren produceren uien voor Afrika en melk voor China. Stedelingen klooien wat aan met moestuintjes, foodtrucks en ambachtelijke markten. Twee werelden, met de rug naar elkaar toe - en dat moet anders, stelt Joris Lohman. De gemeenteraadsverkiezingen zijn daarvoor het juiste moment. 

De wereldbevolking groeit naar 9, misschien wel 10 miljard monden in 2050. Al die monden moeten gevoed worden; en het liefst op een manier die mens, dier en milieu zo min mogelijk schaadt. Er is een felle discussie gaande over de juiste manier dit te doen: moet de landbouw grootschaliger en efficiënter, of juist kleinschaliger en extensief gaan produceren? Het is wonderlijk dat deze discussie zich vrijwel exclusief focust op boeren en het platteland. De sleutel tot een duurzame voedselvoorziening ligt ergens anders: daar waar stad en land elkaar ontmoeten.

Natuurlijk, het platteland is waar het voedsel geproduceerd wordt. Wereldwijd zetten miljoenen boeren zich dagelijks, van vroeg in de ochtend tot laat in de avond, in om ons voedsel te produceren. Voedsel komt van overal en wordt overal heen geëxporteerd. De wereldmarkt heeft veel gebracht, maar is ook de veroorzaker van veel problemen.

Door de stevige concurrentie is het verworden tot een ‘race to the bottom’. Dit heeft negatieve effecten op het milieu, de CO2-uitstoot en de bodem. Daarbij is het zo dat boeren lokaal geworteld zijn, maar internationaal moeten concurreren. Overal ter wereld worstelen boeren hier mee. In Afrika omdat de kleinschalige boer niet mee kan doen aan de efficiëntie-race, in Nederland omdat de omstandigheden zo duur lijken te worden dat boeren de strijd gaan verliezen. Eten moet duurzamer, zuiniger, slimmer, en als het even kan, inspelen op de wens van de eindgebruiker: de eter. En waar wonen die eters? In toenemende mate in de stad.

Microniveau: de stad

Naar verwachting woont in 2050 tweederde van de wereldbevolking in steden. Steeds meer stedelingen houden zich bezig met de herkomst van eten en de impact van het voedselsysteem op de wereld om hen heen. Er wordt veel energie gestoken in voedselinitiatieven: van voedselproductie in de stad tot coöperatieve markten en lokaal voedsel in zorginstellingen. Ook bruist het van de innovaties en veranderingsgezinde ondernemers, die oplossingen zoeken voor het voeden van de stad. ‘Stads-landbouw’ kent vele verschijningsvormen, van hobbyisme tot grootschalig en professioneel. Zo kent Amsterdam Zuidoost zowel een bedrijf, GrowX, dat high tech groenten verbouwt voor sjieke restaurants, als een ambitieuze groep Stadsboeren die de oude Bijlmerbajes omtovert tot stadsboerderij. In Almere wordt gebouwd aan een nieuwe stadswijk waarin bewoners een deel van de grond in dienen te zetten voor voedselproductie.

Dat stadslandbouw niet langer gerommel in de marge is, bewijzen ook internationale voorbeelden als Hansalim, een consumenten- en producentencoöperatie in Zuid-Korea, met maar liefst 540 duizend leden en en het nieuwe bedrijf van Kimbal Musk - inderdaad, de broer van Tesla-oprichter Elon. Met zijn bedrijf Square Roots verbouwt hij bladgroenten in containers in het hart van Brooklyn, New York.

Voeden we met stadslandbouw, hoe professioneel en hightech georganiseerd ook, de miljoenen mensen in een Afrikaanse of Chinese metropool? Waarschijnlijk niet. Hoge grondprijzen en concurrentie op ruimte zorgen ervoor dat in de stad voedsel verbouwen niet echt de concurrentie aan kan gaan met plattelandslandbouw. Wel kan stadslandbouw voor specifieke toepassingen, zoals bijzondere producten, of groenten dicht bij een verzorgingstehuis, een groter onderdeel gaan uitmaken van het stedelijke dieet. Er zijn in ieder geval ondernemers, en niet de minsten, die er serieus brood in zien.

Mesoniveau: de regio

Op microniveau, de stad, kan landbouw een bijdrage leveren aan de voedselvoorziening. Op macroniveau, schaalniveau de wereld, zal een groot deel van de voedselvoorziening efficiënt geproduceerd worden waar dat het best kan. Maar hoe bieden we het hoofd aan de efficiëntieproblemen die spelen in de stad, en de duurzaamheidsvraagstukken die wereldwijd spelen? Op dit moment produceren Nederlandse boeren uien voor Afrika en melk voor China. De stedelingen klooien wat aan met moestuintjes, foodtrucks en ambachtelijke markten. Twee werelden, met de rug naar elkaar toe.

De ontbrekende schakel is het mesoniveau; de regio, de plek waar de stad en het achterland samenkomen. In Nederland kan je denken aan de metropoolregio Amsterdam (van Zaanstad tot Amsterdam naar Almere) en het achterland (de provincies Noord-Holland en Flevoland). Hier wonen ruim een miljoen mensen en werken duizenden boeren. In China gaat het om het achterland van een metropool als Beijing.

Juist in de metropoolregio’s komen nieuwe initiatieven moeizaam op gang. Pioniers als Rechtstreex bij Rotterdam, Atlantis Handelshuis in Noord-Holland en Buren&Buren, nu actief in negen Europese landen, hebben nog een lange weg te gaan om de ‘niche’ te ontgroeien. Voor de moderne Flevolandse aardappelboer is de wereldmarkt dichterbij dan de vrijdagmarkt in Amsterdam-Noord. Terwijl juist stad-landinitiatieven verbinding brengen en daarmee een grote betekenis hebben voor de transitie van het voedselsysteem. Deze omslag gaat over het verder ontwikkelen van de productie op microniveau en het verduurzamen van de productie op macroniveau, maar vooral het vormgeven van systemen op mesoniveau. Van één mondiaal voedselsysteem en lokaleinitiatieven naar een lappendeken van stad-landvoedselsystemen.

Kringlooplandbouw

De transitie naar stad-landvoedselsystemen heeft veel voordelen. Zo kan de boer in het achterland in staat gesteld worden zijn aanbod beter af te stemmen op de vraag uit de stad. Hierdoor is de boer minder afhankelijk van de grillen van de wereldmarkt. Het ontwerpen van voedselsystemen op mesoniveau maakt het mogelijk de stad aan te sluiten op de landbouwkringloop, wat cruciaal is voor een duurzame oplossing van het voedselvraagstuk.

De stad-land lappendeken is een uitdagend kader om naar de toekomst van voedsel te kijken. Zoom eens uit met Google Earth en je ziet Nederland als één groot stedelijk gebied, onderbroken door enorme stukken ‘stadslandbouw’. Als we hier goed doorkrijgen hoe we stad en land op elkaar kunnen afstemmen, verzamelen we cruciale kennis voor de groeiende metropolen elders ter wereld. De potentie is groot, maar er ligt een karige basis. Meer onderzoek, experimenten en dappere ondernemers zijn nodig om deze voedselsystemen vorm te geven. De eerste uitdagingen liggen in de politiek. De stad wordt bestuurd vanuit de gemeente; het platteland door de provincie.

Het is tekenend dat in de campagnes voor de gemeenteraadsverkiezingen voedsel nauwelijks een thema is. Nieuwe bestuurslagen, op het kruispunt van stad en land, zijn essentieel voor het welslagen van stad-land voedselsystemen. Gelukkig zijn er in Nederland inmiddels gemeenten, zoals Ede, de regio Noord-Oost Brabant, die het licht hebben gezien. In Almere presenteerden we met een groep jongeren van de Flevo Campus vorige week een manifest dat zich laat lezen tot een oproep aan de lokale politiek: laat stad en land elkaar niet langer de rug toe keren, maar elkaar opzoeken.

Joris Lohman is co-founder van adviesbureau Food Hub. In die rol is hij onder andere betrokken bij de Flevo Campus, een onderzoeksinstituut dat zich bezighoudt met voedsel- en verstedelijkingsvraagstukken.