Moeten we dat wel willen, een kweekvleestoekomst?

Door:  Mac van Dinther  

Foto's: Eline van Strien  

‘Over vijftig jaar zullen we af zijn van de absurde situatie dat we een hele kip moeten fokken alleen maar om de filet en de vleugels te eten. We zullen die onderdelen dan apart kunnen kweken.’ Dat schreef sir Winston Churchill in 1932 in Fifty Years Hence, een serie toekomstbespiegelingen.

Nu die utopie dichterbij komt, weliswaar 36 jaar later dan Churchill voorspelde, dient zich de vraag aan: hoe ziet dat eruit, een wereld waarin vlees niet meer uit de stal of van het land komt, maar uit de kweekvleesfabriek? En hoe (on)wenselijk is dat?

Het zijn vragen waar commentatoren en wetenschappers zich al een tijdje het hoofd over breken. In een hoofdcommentaar uit 2008 schreef de Amerikaanse krant The New York Times dat de ‘onmenselijke behandeling’ van dieren in de vleesindustrie terecht afkeer oproept. Maar het radicaal vervangen van ‘conventioneel’ vlees door kweekvlees roept bij de krant een ander schrikbeeld op: dat van een wereld waarin de ‘historische en culturele banden’ tussen mensen en gedomesticeerde dieren worden verbroken.

‘Het zal een lege wereld zijn waarin de kudden verdwijnen ten faveure van vlees uit een laboratorium’, aldus The New York Times-commentator, die pleit voor een vleesindustrie waarin dieren met respect worden behandeld en het milieu wordt ontzien.

Een wereld zonder kippen, koeien en varkens, dat is ook waar de Amerikaanse filosoof Ben Levinstein en de Zweedse futurist Anders Sandberg bang voor zijn. Moreel gezien is kweekvlees te verkiezen boven de intensieve veehouderij, schrijven zij in hun artikel The Moral Limitations of In Vitro Meat uit 2015. ‘Maar het zou zonde zijn als het virtuele uitsterven van deze diersoorten onze beste morele optie is.’ Sandberg pleit voor een ‘humane’ veehouderij die het milieu zo min mogelijk schade berokkent. ‘Het lijkt me dat een gelukkig dier te laten opgroeien en na enige jaren te doden te prefereren is boven helemaal geen dieren hebben.’

Maar het een hoeft het ander niet uit te sluiten, schrijft de Amerikaanse auteur Paul Shapiro in zijn boek Clean Meat (2018). Waarom zou het niet én én kunnen? Als kweekvlees de bulk van onze vleesconsumptie overneemt, betekent dat het einde van de industriële veehouderij. Dan ontstaat er ruimte voor een andere vorm van veehouderij die zich richt op het leveren van een kwaliteitsproduct: vlees van dieren die diervriendelijk worden gehouden en een goed leven hebben gehad voor ze naar het slachthuis gaan. Een nicheproduct voor wie niet zonder kan. ‘Net zoals er nog mensen zijn die het leuk vinden om met paard en wagen te gaan.’

Waarom zou het niet én én kunnen?

In plaats van ons van dieren te vervreemden zou dat onze houding tegenover dieren juist op een positieve manier kunnen beïnvloeden, zei de Nederlandse filosoof Cor van der Weele zes jaar geleden in de Volkskrant. Ze deed in 2010 een verkennende studie naar de acceptatie van kweekvlees: In-Vitrovlees: Yuck! (?). ‘De bulk haal je dan uit de fabriek. Van ‘echt’ vlees maak je een luxeproduct van dieren die op de goede manier zijn gehouden. Dan versterkt het juist onze band met dieren. Als dit lukt, kan het een omwenteling veroorzaken.’

Vlees van dieren zoals we het nu kennen zal nooit helemaal verdwijnen, denkt Josh Tetrick, ceo van het Amerikaanse kweekvleesbedrijf Just. Al was het maar uit nostalgische overwegingen. ‘Er worden ook nog steeds typemachines verkocht.’