Afrika's probleem is niet Afrika zelf, maar zij die zich ermee bemoeien

Door:  Paul Hebinck  

Foto's: Getty  

Wetenschappelijke adviezen zijn goedbedoeld, maar gaan vaak voorbij aan de aan wat er gaande is in de dorpen en op de velden, betoogt Paul Hebinck. In de 25 jaar dat hij al onderzoek doet in West-Kenia ziet hij project na project falen. 

Afrika’s probleem is niet per se Afrika zelf, maar diegenen die met alle goede bedoelingen van dien denken het probleem van Afrika te kunnen oplossen: landbouwexperts, adviseurs, beleidsmakers en wetenschappers, waaronder mijn collega’s van de Wageningen Universiteit. Hun duur betaalde adviezen zijn bijna in alle gevallen afkomstig uit zorgvuldig geredigeerde wetenschappelijke boeken en standaardwerken. Deze adviezen bouwen voort op wetenschappelijke inzichten, maar niet op wat er gaande is in de dorpen en op de velden. En dáár ligt het probleem. De oplossingen die ‘van onderaf’ worden aangedragen en in de meeste gevallen al jarenlang in de praktijk worden toegepast, worden over het hoofd gezien.

Een voorbeeld is het selecteren van zogenaamde lokale maïsvariëteiten en de productie daarvan. Maïs is een belangrijk voedselgewas in Afrika. Jarenlang hebben overheden, donoren (waaronder Nederland), zaad- en kunstmestbedrijven en wetenschappers geprobeerd de voedselproductie te verhogen door nieuwe, meer opbrengende maisvariëteiten (de zogenaamde hybride maïs) te introduceren.

De nooit echt serieus geteste vooronderstelling was - en is nog steeds - dat de lokale variëteiten minder opbrengen en dus vervangen zouden moeten worden door moderne, op wetenschappelijke leest geschoeide variëteiten. Dit staat bekend als de Groene Revolutie waar mijn werkgever de Wageningen Universiteit voorstander van is. Aanhangers van de Groene Revolutie geloven dat slechts een doorgaande modernisering van de landbouwbeoefening de wereld van het hongerprobleem zal verlossen.

Luoland

Deze vooronderstelling wordt regelmatig - zo niet veelvuldig - niet bewaarheid. Ik ben als onderzoeker van de Universiteit Wageningen al meer dan 25 jaar betrokken bij het wel en wee van boeren en boerinnen in dorpen in West-Kenia. Deze regio (ook wel Luoland genoemd) ontkracht naar mijn mening de stelling van de wetenschap dat modernisering de panacee is van de voedselproblemen. Hier worden al sinds ongeveer 1890, het moment dat de eerste maïssoorten werden geplant, tal van lokale variëteiten gezaaid en geoogst. Door de jaren heen zijn deze verrijkt door selectie en uitruil met andere boerengemeenschappen.

Dit gebeurt tot grote tevredenheid van de bevolking, want deze lokale rassen doen het beter dan de geïntroduceerde Groene Revolutie-maïsvariëteiten die daar mede door Nederlandse ontwikkelingshulp vanaf eind 1960 zijn verspreid. De lokale soorten smaken beter, hebben mooiere kleuren, vereisen minder of geen kunstmest om tot wasdom te komen, zijn vele malen voedzamer, zijn beter bestendigd tegen drogen en worden bovendien verkregen door selectie uit eigen oogst of via uitruil. Ze hoeven dus niet te worden gekocht.

Veel projecten slaan de plank mis door lokale rassen per definitie af te serveren en de lokale boerenpraktijken te negeren

Daarnaast is de lokale maïs onderdeel van de communicatie met de voorouders. Het is bij de Luo gebruikelijk dat de oudste man in het huishouden het land klaarmaakt en bezaait. De nacht daarvoor brengt hij door met zijn oudste vrouw en een deel van het te planten zaad. Dit zaad, zo schrijven de gebruiken voor, moet al lang door de familie in gebruik zijn. Het wordt elk jaar zorgvuldig geselecteerd uit de oogst van het jaar daarvoor. Het is dit ‘familiezaad’, of koth dala. waar de familie vertrouwen in heeft. Het doel van dit ritueel is om het zaaizaad te bevruchten en de zegen van de voorouders te krijgen. Dit zou een goede oogst garanderen. De dag daarna, zaait de oudste vrouw als eerste het zaad, waarna, na zo’n 4 dagen, de rest van de familie en het hele dorp volgt. Dit ritueel wordt ook gehanteerd bij de oogst.

De combinatie van deze praktische en culturele aspecten maakt dat boeren de voorkeur geven aan lokale variëteiten. Geen wonder dat tal van projecten, die worden opgezet met de beste bedoelingen, niet slagen. Er is veel, heel veel, geld uitgegeven om de lokale bevolking ervan te overtuigen dat moderne maïsrassen hun een betere toekomst bieden. Projecten als die van de Bill & Melinda Gates Foundation en de veelgeprezen Millennium Villages van Jeffrey Sachs en de voormalig VN-secretaris Kofi Annan slaan nog steeds de plank mis door de lokale rassen per definitie af te serveren en de lokale boerenpraktijken te negeren. Dát is, in een notendop, het probleem van Afrika.

Als we nu eens met een wat andere blik kijken naar het continent, de in mijn ogen relevante ontwikkelingen niet over het hoofd zien en er niet al bij voorbaat van uitgaan dat wat zich lokaal afspeelt niks te betekenen heeft, ziet het er al veel rooskleuriger uit. Door de ervaringen van de boeren en boerinnen kunnen we zelf tot andere inzichten komen en wellicht een betere bijdrage leveren aan de voedselproductie.

Paul Hebinck is universitair hoofddocent aan de Wageningen Universiteit.

Reactiestuk

Hebinck argument over de culturele verschillen onderschat niet alleen het voedselprobleem, maar is vooral ook een gevaarlijke aanname die geen rekening houdt met de neergaande armoedespiraal waarin veel boeren zich bevinden, stelt een groep onderzoekers van de Wageningen Universiteit in een reactie op dit stuk. Zij zien dat lokale zaden vaak worden gebruikt uit armoede, terwijl moderne hybride rassen aantoonbaar meer opleveren.