Afrikaanse overheden parasiteren op hun natuur: het voorbeeld van Ghana

Door:  Martien Hoogland  

Foto's: Reuters  

Ghanese boeren hebben geen redenen om de overheid te vertrouwen, schrijft Martien Hoogland. De afgelopen jaren waren de boeren de dupe van een keur aan gefaalde overheidsprojecten.

Volgens de Voedselzaak zou de Afrikaanse overheid de voedselteelt hebben verwaarloosd. Dat lijkt me een understatement. De Afrikaanse overheden parasiteren vooral op hun natuurlijke hulpbronnen en werken de landbouw zelfs regelmatig tegen.

Ten tijde van de Europese middeleeuwen exporteerde Afrika al goud, ivoor en Arabische gom naar het Midden-Oosten. De koloniale machten zetten deze exploitatie van de natuur voort, na onafhankelijkheid was het de stedelijke Afrikaanse elite die deze exploitatie nog opvoerde. Azië daarentegen was dichtbevolkt en arm aan natuurlijke hulpbronnen, waardoor alles op alles gezet moest worden om haar bevolking te voeden. In de rivierdalen ontstond irrigatielandbouw, daar waar in Afrika de rivieren ongetemd door het continent stroomden.

In Ghana nam de exploitatie van de natuur grootse vormen aan. Deze voormalige Goudkust beschikte dan ook over grote hoeveelheden goud, bauxiet, tropisch hardhout en cacao. In 1911 werd zij de grootste exporteur van cacao in de wereld.

De inkomsten uit cacao maakte de import van allerlei Westerse producten mogelijk. Zo sleet de Nederlandse bierbrouwer Heineken al in 1930 behoorlijke hoeveelheden bier op de Ghanese markt. Dit was nadelig voor zowel de lokale vrouwelijke bierbrouwers als voor de graantelers in het binnenland. Import van bier gebeurde via de haven van Accra terwijl het achterland van Ghana het nakijken had. Steden of markten van betekenis ontstonden er niet. Deze contouren versterkten zich na de onafhankelijkheid.

Lijst van mislukkingen

In 1957 begon president Kwame Nkrumah met een ongekende belasting van de cacaosector. Zijn regering monopoliseerde de opkoop en betaalde de boeren stelselmatig onder de wereldmarktprijs. Met deze inkomsten werden allerlei ministeries opgezet die geen rekening hielden met de boeren. Een lijst van mislukkingen was het gevolg.

Zo probeerde het Ministerie van Landbouw de voedselteelt te bevorderen via enorme investeringen in het droge Noorden van Ghana. Staatsbedrijven werden voorzien van tractoren die erosie van de grond bevorderden en bij panne stonden te roesten langs de kant van de weg. Verder werd kunstmest verstrekt maar deze bleek niet te werken op de uitgeputte bodems. Stagnatie van de voedselteelt was het gevolg. Hetzelfde gebeurde met irrigatieprojecten aan de bovenloop van de Voltarivier. Zij faalden allen en concurreerden bovendien met de lokale natte rijstbouw.

Toppunt van wanbeheer van de natuur was de aanleg van de Akosombodam in 1965 in de benedenloop van de Voltarivier. Het zo ontstane Voltameer werd het grootste man made stuwmeer in de wereld en ging de aluminiumsmelterij van de multinational Kaiser (later Alcao) van stroom voorzien, evenals de hoofdstad Accra. Vanwege ongereguleerde houtkap en maisteelt aan haar oevers daalde het waterpeil van het meer en moest de smelterij in 2011 jammerlijk haar ovens sluiten. Accra kreeg elk droge zomer te kampen met stroomtekorten. Anno 2018 speelt de Voltadelta slechts een bijrol in de nationale voedselvoorziening.

Door dit wanbeleid stegen de voedselprijzen in de steden en besloot het ministerie van handel om grote schaal rijst uit Azië te importeren. Politici gingen nota bene optreden als importeurs van voedsel en het ministerie van landbouw werd buiten spel gezet. Anno 2018 heeft dit ministerie nauwelijks nationale ambities, ondanks de slechte voedselsituatie van Ghana. Vijftig procent van de kip, zestig procent van de vis en zeventig procent van de benodigde miljoen ton aan rijst worden geïmporteerd.

De cacaoteelt in het tropisch regenwoud bleef de melkkoe van de overheid. Maar de cacaoboard ging ten onder aan allerlei politieke uitgaven en werd in de jaren 1970 opgeheven. Voortaan ging de particuliere handel de cacao opkopen terwijl multinational Cargill de verwerking tot cacaoboter voor haar rekening nam.

In deze periode werd het tropisch regenwoud opgeofferd voor export van hardhout naar Europa. Het ging de cacaoboom aan schaduw en vocht ontbreken waardoor de totale cacao-oogst nog steeds elk jaar krimpt. Al in de jaren tachtig werd de verdroging van de natuur aan de orde gesteld maar plannen tot bosbeheer in handen van boeren mislukten omdat de Ghanese ambtenaren weigerden samen te werken. Een poging van de Nederlandse ambassade om de boskap te reguleren faalde omstreeks 2010.

De afgelopen jaren probeert de cacaoboard de cacaoteelt nieuw leven in te blazen. Zo distribueert ze droogteresistente cacaorassen die de verouderde aanplant van de boeren behoren te vervangen. Verder krijgt de cacaoboard steun van Cargill, via een project dat in 2014 door minister Ploumen in hoofdstad Accra werd beklonken. Maar dat levert vooral bestrijdingsmiddelen terwijl compostering en herstel van de vegetatie geen aandacht krijgen. Intussen wachten de boeren af en komt de vernieuwing van hun cacaoplantages maar moeizaam van de grond.

Dankzij deze talrijke mislukkingen, verliezen boeren steeds meer het vertrouwen van de overheid in de grote stad. Het gevoel heerst dat ze slechts uit is op belasting van het platteland. Accra moet juist voorrang geven aan de landbouw, in plaats van te focussen op de winning van goud en olie, zoals nu gebeurt. Hiervoor is het belangrijk dat de desastreuze import van bijvoorbeeld goedkope rijst en kip wordt afgebouwd en dat de overheid weer gaat samenwerken met de boeren in het herstel van de vegetatie. Wie weet lukt het dan om het vertrouwen van de boeren terug te winnen.

Martien Hoogland is publicist. In het verleden werkte hij voor Both Ends, een organisatie die zich specialiseert in duurzaamheid en sociale gelijkheid in ontwikkelingslanden.